


|
 |
Stefan Hertmans
Bushalte
Een zwarte zon schijnt in de nacht.
We waken.
Het einde van de dromen is nabij.
Wat niet in grote woorden kan,
Verschijnt ons in het grootste.
Een pad bijvoorbeeld,
Platgetrapt, daarboven sterren,
De praat van dronken mannen
In een stadspark bij de ring.
Laat ons voorbijgaan aan onszelf.
Lichtvoetig, ongevleugeld,
Seinen we tekens door bevroren straten.
Niets is volbracht.
In duisternis, in hijgend zwijgen,
Lopen ons daar de Gratiën,
Drie oude wijven,
Jonger dan jong,
Warmbloedig en als breedsmoelkikkers
Bij de poel van koude zonde
Kwakend
Straal voorbij.
Davos
Hij rokend in een kamer.
Het tapijt vervilt.
Rondom leeft het in de bewoonde bomen,
Bergwind blijft overeind
Al wankelen de tempels
Van verloren geest.
Zij wachtend in een auto,
Bloedheet is het asfalt
In late zomer.
Een kind drijft in de lucht
Voorbij en droomt van heden dat beklijft.
De stad glijdt naar zijn pleinen toe.
Overal janken de details,
De bodybuilders slapen.
Het latwerk van de hemel houdt,
Nog even,
De geluiden van de middag hoog.
Dan knakken op de daken plots
De vleugels en de halmen.
Het meest veraf gelegen einde
Begint in de verhitte hoofden
reeds te deinen als een lied.
|