


|
 |
Frank Adam
Verslag van een très petit mal
Geachte Heer Van de Velde
Borges, naar ik meen, laat zich ergens ontvallen: Ik
heb niet veel geleefd, maar ik heb veel gelezen. Ik moet u in alle eerlijkheid
bekennen dat ik niet veel heb geleefd, en nog minder heb gelezen. Althans niet voor mijn
achttiende.
Op de middelbare school las ik in boekvorm slechts het een en ander van
Sartre, het een en ander van Hermans, en het Verzamelde Een en Ander van Gezelle.
Waarom uw gevangenisoeuvre werd besproken noch vermeld is mij achteraf
beschouwd een raadsel. Thematisch paste u perfect in de rij. Sartre wilde ontsnappen uit
de gevangenis van de Kwade Trouw, Hermans werd gegijzeld door het Toeval, en Gezelle werd
veroordeeld tot de pij door de Schepper Zelve. En (open deur) is de mens per definitie al
niet gedetineerd van bij de geboorte?
Gebrek aan universaliteit zou ik u in elk geval niet verwijten. En ook
qua stijl mag uw werk er wezen.
Maar bon, vraag is of mijn literaire leven er nu, door de lectuur van
uw proza toén, zo anders uit had gezien?
Dat valt natuurlijk moeilijk te zeggen. Zelfs niet bij benadering. Wel
kan ik u verzekeren dat ik het tot op de dag van vandaag naast andere favorieten op mijn
boekenplank zou hebben gekoesterd om een ietwat bizarre reden.
Nadere toelichting is hier onmogelijk zonder u terug te voeren naar de
tijd van mijn middelbare school en u te vertellen van de heer R.
Het haar van de heer R., leraar Frans, lag stijf achterover van de
brillantine, zijn rug stond perfect in het lood, en de natuur had hem gezegend met een
basstem die in het uitgestrekte melkwegstelsel van de toenmalige stad Brugge zijns gelijke
niet vond.
Toegegeven, met die bas kon hij Ronsards Quand vous serez bien
vieille werkelijk laten klinken als hemelse poëzie. Maar bij de patissier op de
hoek hoorde je hem zijn croissants en koffie zonder verpinken op diezelfde dichterlijke
toon bestellen.
Die dichtmatige zindering had op patissières van dienst wel een
magische uitwerking maar bij leerlingen werkte het doorgaans averechts. Als men je
verplicht al het prozaïsche als poëtisch te beschouwen, wordt al het poëtische ook vlug
prozaïsch.
Het opmerkelijkste aan deze opmerkelijke man was evenwel het volgende
ritueel. Aan zijn van nicotine vergeelde middenvinger van zijn linkerhand droeg hij een
zilveren ring gekroond met een reusachtige zwarte steen. En midden in de Naissance
de Pantagruel of Je meurs de soif auprès de la fontaine, gebeurde het
dat hij zijn extase onderbrak om ring en steen met een krachtige ademstoot te bewasemen en
schoon te vegen tegen zijn met roos besneeuwde donkerblauwe jasje.
Het is bij een van die gelegenheden dat ik voor het eerst werd bevangen
door iets dat tot op heden door niemand is verklaard of benoemd. Iets. Een gevoel. Zowel
fysiek als mentaal. Bij gebrek aan taal sprak ik vroeger dan maar van een
flauwte, een duizeling, een kortsluiting. Het ging om
een duidelijk waarneembaar klikje in mijn achterhoofd, gevolgd door een deugddoende ijlte.
Te vergelijken met een stroomonderbreking van slechts enkele microseconden tijdens een
oudejaarsavondstorm, en het nauwelijks waarneembare gesputter van de lamp boven de tafel.
Dat verschijnsel heeft zich bij de dichterlijke zelfonderbrekingen van
de heer R. nog enkele malen herhaald, maar het heeft zich later net zo goed voorgedaan bij
het aanschouwen en aanhoren van vals zingende priesters, plechtstatige dichters,
cabotinerende acteurs, tachtigjarige vrouwen die hun mond met lippenstift bewerkten, of
zelfs bij enthousiaste Vlamingen die in de krantenwinkel de poëzie van het dagdagelijkse
leven even onderbraken om Ik hou van Humo! te roepen.
Toen ik een tiental jaar later pas naar de oorzaak en diepere betekenis
van mijn plotselinge ijltes begon te zoeken stootte ik op niets dan onverschilligheid.
Vrienden onthaalden de uiteenzetting van mijn probleem op een monkellachje. En mijn dokter
die ik - zijdelings weliswaar, in de marge van een onschuldig griepje - probeerde te
polsen, trakteerde mij op een zeer ernstig gezicht dat duidelijk te kennen gaf dat ook hij
mijn probleem niet ernstig nam.
Een sprankel hoop en herkenning kwam er pas tijdens een gesprek met een
epileptica, die me in geuren en kleuren haar ervaring van een petit mal beschreef. Het
ging weliswaar niet om exact hetzelfde fenomeen maar er waren raakpunten:
bewustzijnsverlaging (hocus-pocus!) en duidelijke tekenen van genot.
Net zoals een kind aan moeders rok de hele zaterdagmarkt afdweilt op
zoek naar een wel bepaald soort sokken van een wel bepaalde kleur en een wel bepaald merk,
en zich kort voor de middag tevreden moet stellen met goedkopere sokken van dezelfde kleur
maar van een ander merk, zo nam ik na mijn onderhoud met die epileptica dan maar genoegen
met de diagnose dat ik sedert mijn adolescentie last had van een soort petits mals
in lichtere uitvoering: très petits mals.
Kort nadien, dat geef ik toe, heb ik ze zelfs een tijdje heimelijk
gecultiveerd. Doch een goede vijf jaar later zijn ze nu zo volkomen in mijn lichamelijk
geheel geïntegreerd en heeft de sensatie zich zo vaak herhaald dat ik ze met niet meer
verbazing observeer dan een rokershoest of een doordeweekse kuch.
Tot ik evenwel enkele dagen geleden tijdens de lectuur van uw debuut
Galgenaas weer mocht genieten van enkele kortsluitingen van het zuiverste en pittigste
soort. Bovendien, zo stelde ik verrukt vast, krioelt het in uw verhalenbundel van passages
die aanleiding geven tot bijna-très-petit-mal-ervaringen.
Christine Beels in al de geuren van Arabië bijvoorbeeld, die - net
veroordeeld tot twaalf jaar gevangenis wegens moord op haar echtgenoot - bij haar
terugkeer in het Huis van Bewaring beroerd wordt door de aanraking van Zuster
Amandas ruwe nonnenpij. De dikke warme stof van haar kloosterkleed gleed langs
de knie van Christine. Het was als een kat, die onverhoeds op je schoot kwam zitten.
Christine Beels die even later in het donker van haar cel haar vijfde
sigaret opsteekt: Het oranje stipje in de duisternis verschafte haar een
vreemdsoortig gevoel van veiligheid, zoals de rode letters Nooduitgang in een warme
bioscoopzaal.
Het spelletje van de psychiater in het psychiatrisch onderzoek om het
bedrag van zijn honorarium te laten overeenstemmen met de geboorte- of sterftedatum van
een bekend Frans auteur. De rode stylo waarmee hij het bedrag noteert. De
verveling waarmee hij aantekeningen van de assistent-verpleger doorneemt. De één minuut
bedenktijd die hij de onwillige, opvliegende gedetineerde geeft om op zijn vragen te
antwoorden, maar die hij zelf gebruikt om via een gedachtenmonoloog in het reine te komen
met zijn onwillige maîtresse.
De liefkozing die Marion in homo, lieve homo als kind krijgt van de
tengere, ongehuwde lerares. Zijn verstoppertje in haar wintermantel. De ontluistering als
zij hem betrapt...
Zo kan ik nog wel even doorgaan maar het heeft geen zin. Een dergelijke
opsomming van details gaat voorbij aan de dieper liggende essentie van elk verhaal.
Hoewel, dat is het hem juist met die verdomde très petits mals. Het gààt om niets
anders dan details. Bijkomstigheden die wringen, bevreemden, haaks staan op iets anders,
uiting geven aan een verborgen très grand mal, en toch, paradoxaal genoeg, de indruk
wekken te behoren tot de canon der dingen. Kan een très petit mal geen groteske vorm van
verwondering zijn?
Is het precies door uw jarenlange opsluiting dat u zon scherp oog
voor detail hebt ontwikkeld? In een vrijwel lege cel, zo stel ik het me voor, bestaan er
geen details. Of liever, overstijgt elk detail onmiddellijk het geheel. Neemt elk atoom
met gemak de vorm aan van een heelal. Krijg je een kop als een ontregelde airbag, die al
in werking treedt als je nog maar met de snelheid van een slak tegen een vuilbak aan
botst.
Of worden we in Galgenaas getuige van de nevenwerking van pijn, miserie
en palfiumtekort? En schuilt er dan toch enige waarheid in de artistieke fabel dat een
beetje ziek zijn de gezondheid wel schaadt maar de creativiteit stimuleert?
Of - ik acht het weinig waarschijnlijk - werd u nu en dan ook geplaagd
door très petits mals?
Ik maak me geen illusies. Als ik mijn eigen geval niet kan verklaren
hoe zou ik dan het uwe kunnen doorgronden?
Misschien moet ik uw hele oeuvre met de soundtrack van Twin Peaks op de
achtergrond en met behulp van wierookstokjes en oorkaarsen tot mij nemen en alle
bewustzijnsverlagende passages zorgvuldig in kaart brengen. Misschien moet ik ze
vergelijken met enkele gelijkaardige fragmenten uit de wereldliteratuur? Meursault in De
Vreemdeling bijvoorbeeld, die s middags voor hij het kantoor verlaat met een waar
zinnelijk genot zijn handen wast en afdroogt. De man zonder eigenschappen die vanachter
een raam autos, karren, trams en voetgangers staat te tellen. Tsjitsjikow die in
Dode Zielen op bezoek gaat bij de landheer Manilow en in de ontvangstkamer opmerkt dat
zich op beide vensterbanken kleine heuveltjes van as verhieven, die uit de pijp
waren geschud en die niet zonder zorg heel fraai geformeerd waren...
Maar misschien - en dat lijkt me nog het meest realistische - moet mijn
hoofd gewoon eens onder de scanner. In de jaren negentig van de twintigste eeuw - het
decennium van de hersenen, aldus kenner ex-president Bush - heeft de moderne wetenschap
psychosen, bijna-dood-ervaringen en zelfs het gevoel God ontmaskerd en herleid
tot chemische reacties in het brein. Waarom zou men in de eenentwintigste eeuw een simpele
très petit mal dan niet kunnen analyseren en verklaren?
Goed, de scanner. Maar dan onder uitdrukkelijke voorwaarde dat de
geneesheren in kwestie plechtig beloven al hun kunnen en geleerdheid aan te wenden om mijn
euvel niét te verhelpen.
Zonder très petits mals is Van de Velde Van de Velde niet.
Het ga u goed, daar in het hiernamaals.
In uw gedetailleerde gedachten beveel ik intussen nogmaals mijn geest,
en voor altoos wil ik voor u zijn,
Uw meest benevelde lezer
Frank Adam
|
|