Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel

Dekherinneringen

Erik Vlaminck

(Kapellen, augustus 1960)

Nooit gingen wij op reis, zelfs een simpele daguitstap naar het strand van Hofstade of naar Overmere-Donk was uit den boze. En nu zouden we ineens voor een hele week naar Duitsland gaan.
    Of dat allemaal niet te veel geld zou gaan kosten, had moeder geopperd.
    'Er zal nog geld zijn, wanneer wij er al lang niet meer zijn,' kreeg ze als antwoord.
    En waarom dat nu, en zo onverwacht, zo nodig moest, die reis naar Duitsland?
    'Omdat ik het niet laten kan...' Ik had eens met zulke antwoorden moeten afkomen. Maar hij, hij was de baas in huis.
    En dus had de auto verse olie gekregen en waren de koffers gepakt.
    En dus liep hij goedgeluimd rond en was zij razend zenuwachtig.
    En net voor het vertrek, terwijl hij nog met zijn goeie kleren in de volière zat (tussen de kanonnenvogels, de peruchen en de Engelse kiekens) om voor de zoveelste maal na te kijken of er echt wel voldoende eten in de voederbakken zat, probeerde zij de altijd weerbarstige haren op mijn kruin glad te krijgen.
    De verkeerde tube natuurlijk. Tandpasta op mijn kop in plaats van brillantine. En zo moest ik voor het eerst in mijn leven naar het buitenland.

[ ]

(Duisburg, augustus 1960)

'Kijk daar, een baggerboot!' Vader wees naar een groot schip dat midden op de stroom dreef.
    'En hoe raken die mensen over het water om daar hun brood te gaan afhalen?' Ik zag problemen.
    'Een baggerboot, met de g van gat en van gaat-daar-liggen, en geen bakkersboot, met de k van kak en van de-kat-krabt-de-krollen-van-de-trap. Een baggerboot haalt het slijk van de bodem van de rivier.'
   'Tsss...' Moeder natuurlijk, omwille van de g van gat en de k van kak. Alsof dat erger was dan tandpasta in een mens zijn haren te smeren.
    'Waarom halen baggerboten het slijk van de bodem van de rivier?'
    'Met dat slijk wordt brood gebakken.'
    God had mij de verkeerde ouders gegeven.

[ ]

(Bremen, augustus 1960)

We logeerden in een hotelletje dat helemaal uit hout was opgetrokken. Ik vond het meer dan angstwekkend. Vanwege het brandgevaar; er moest maar eens een onverlaat een brandende sigaret laten vallen.
    En bovendien, alles kraakte en piepte: de vloer, de straatlantaren die heen en weer wiebelde voor het raam van de kamer en ook het opklapbedje waarop ik moest slapen.
    Midden in de nacht werd ik zelfs wakker van het danige kraken en piepen. Vader was er ook wakker van geworden. Hij was uit schrik boven op moeder gaan liggen.
    De volgende ochtend moest er zo nodig een lange wandeling worden gemaakt. Door uitgestorven saaie straten.
    We passeerden een grijs rechthoekig gebouw. De gevel was een blinde muur, alleen aan de zijkant was er een klein deurtje. Hier waren ze ramen vergeten.
    'Een schuilbunker tegen de bommen,' zei mijn vader.
    En dat ze die dingen niet konden slopen want dat het beton te dik was en dat het gewapend was met armdikke ijzeren staven. Mijn vader had stevige, dikke armen.
    'Zijt gij ook in zo'n bunker gaan schuilen?' vroeg ik hem.
    'Buitenlanders mochten er niet in.'
    'Maar wij zijn toch geen buitenlanders.'
    'In Duitsland wel.'
    En later stonden we voor een hoog huis met trapjes naar de voordeur en met een balkon.
    'Hier heb ik twee jaar gewoond,' zei hij. En moeder kneep in zijn hand. Ik zag het.
    'Maar het is hetzelfde huis niet meer. Het is helemaal heropgebouwd want in '44 hebben de Engelsen het platgegooid.'
    'Zat gij daar toen in?'
    'Ik niet, nee.'
    'Misschien wonen er nu nog mensen die gij toen hebt gekend.'
    'Dat kan ik me niet voorstellen.'

[ ]

(Bremen, december 1942)


Ze ontmoetten elkaar 's zondags bij de uitgang van het badhuis. Natte haren. En blozend van het water en de handdoek. Of van wat anders. En dan waren er lange wandelingen. In het Bürgerpark. Of langs de Weser. Als er geen bomalarm was tenminste.
    Hij leerde haar Vlaamse zinnetjes. 'Tot in der eeuwigheid.' En 'niet warm, niet willen'. En ook moeilijke dingen zoals 'als het regent, dan sneeuwt het niet'. En 'de kat krabt de krollen van de trap'.
    Met een ernstig gezicht zei zij die zinnetjes na. Traag. Hij hield een vinger tegen haar lippen. Dan voelde hij haar Vlaams spreken. En dan voelde hij de warmte in haar lijf. Soms beet ze in zijn vinger. Of ze zoog er even op. Als een kind op een fopspeen.
    Ze woonden op hetzelfde adres maar daar, in de Waller Heerstrasse, deden ze alsof ze elkaar niet kenden. Haar moeder zou het niet hebben geduld. Verhalten gegenüber fremdvölkischen Arbeitskräften. En Landesverrat. En nog van alles.

[ ]

(Kapellen, november 1961)

Wapenstilstandsdag. De fanfare trok door het dorp. En wij - vader, moeder met het kleine zusje op de arm, en ik -, wij stonden er van achter het glasgordijn op te kijken. Andere mensen gingen de straat op om te kijken, maar moeder vond dat dat niet hoorde en dus waren wij toeschouwer van achter het glasgordijn. En zonder dat gordijn aan te raken want ook dat hoorde niet.
    'Dan zien de mensen de beweging.'
    In keurige rijen marcheerden de muzikanten voorbij. Bij andere optochten werd het muziekkorps steevast gevolgd door een schare met handtassen zwaaiende dames. Vandaag liepen er uitsluitend mannen in de stoet. Een rits blinkende medailles op de borst gespeld. Bij vele huizen hing de nationale driekleur uit het slaapkamerraam.
    'Waarom hangen wij de vlag niet uit?'
    'Wij hebben geen vlag,' was vaders laconieke antwoord.
    'Waarom hebben wij geen vlag?'
    'Wie geen vlag heeft, kan nooit de verkeerde vlag uithangen.'
    'Dat begrijp ik niet.'
    'Ik heb er ook lang over gedaan.'
    De blazers lieten de instrumenten zakken. En dan was er alleen nog tromgeroffel.


Dekherinneringen is een voorpublicatie uit de roman Houten schoenen die dit voorjaar bij de uitgeverij Wereldbibliotheek verschijnt.

Erik Vlaminck (1954): auteur. Dit voorjaar verschijnt zijn roman Houten schoenen, het 5de op zich staande deel in een 6-delige
romancyclus.

© Erik Vlaminck