


|
 |
Reeuw
Kamiel Vanhole
Ze slapen nu, de mensen,
ze voeren stukjes op
en doen wat hen in 't echt
niet vaak zal overkomen.
Ze dromen niet,
dat heb ik nooit gezegd.
Ze zoeken slechts een rijm, een onderkomen
voor wat zich overdag aan hen heeft voorgedaan
en schreeuwen soms op lattenbodems
een schreeuw die gaat van neeneenee.
Dat schreeuwen ze, de mensen:
ze liggen daar ineengekrold of dicht bijeen
zo helegans hun ding te wezen,
een klein schavot waarop
in goudbrokaat of vodden
hun oudste stormen woeden.
Het is ze niet eens aan te zien,
alleen zo nu en dan een tic misschien,
een trekking in het been,
meer is er niet.
En zo, met zacht opeengeklemde
kaken, zo zal het land weer liggen blaken
straks, onder een trillende lucht.
(O fruitig feminien foneempje & funky fabeldier)
(De vrouw zingt zachtjes voor zich uit. Is ze blind? Dat is alsnog niet aan haar te
merken: eerst horen we alleen haar stem.)
Ik ben, wat niemand hier nog schijnt te weten,
iets heiligs is misschien te veel gezegd in deze wereldwijze tijden,
maar toch: iets dat alleen zichzelf is toegewijd,
een plek, een kleine heuvelketen
die sinds het tertiair of zo
naar al het blauw toe golft
en 's ochtends vroeg de nevel moet zien
af te kolven die uit haar eigen aarde stijgt.
Maar wat zit ik hier nu voor mij uit te mummelen? Ik lijk wel een oud kersje, als ik
mezelf zo bezig hoor. En jij daar, kom maar dichterbij, je hoeft niet bang te zijn. Ga
zitten, ga toch zitten en maak het je gemakkelijk.
Ik blijf liever staan, het gras is nog nat.
Zoals je wil, mij niet gelaten. Maar hoe heet je, als ik vragen mag?
Mijn naam is Kroll, Victor Kroll.
En jij bent voor mij gekomen, zie ik. Laat mij jou 's betasten. Hmmm...
Je huid voelt glossy aan. Precies of er zit een laagje zilverpoeder overheen. Blusher of
zo. Vreemd is dat. Raar eigenlijk. 't Doet mij aan die geschiedenis denken met die jongen
van ijzer. Ken je die? Luister. Alles begint met een jong meisje, dat samen met haar twee
broers in een barak woonde, niet ver hiervandaan. Het was een doodgewoon bescheiden
meisje, ze kookte en waste en plaste, allemaal voor die twee broers van haar. Elke dag
gingen zij op everzwijnenjacht en als ze soms per ongeluk een wolf schoten, dan maakte het
meisje daar stevige kleren van. Zo ging dat jaren achtereen.
Wat voor iemand was ze?
Dat is moeilijk te zeggen. Eén keer bonkte ze verschillende keren
achtereen haar hoofd tegen de muur. En toen ze hoorde dat vlinders met hun voeten konden
proeven, trok ze meteen haar schoenen uit. Ze ging voor de tafel staan, tilde een been op
en tastte naar het brood dat daar nog van het ontbijt op tafel lag. Raakte met haar tenen
de korst aan en ademde tegelijk heel langzaam en heel diep in. Zo'n meisje was dat, een
indiaantje. Maar dat wisten de broers niet. Telkens als ze van de jacht terugkwamen, had
ze haar kousen en haar schoenen weer aan en was ze drukdruk in de weer. Zo ging de tijd
om. Het werd de negende en het werd de zestiende, en niemand wist of daar nu dagen dan wel
eeuwen mee bedoeld waren. Op een keer achtervolgden de honden van de broers een groot
hert, een tienender.
Wat is dat?
Dat is een hert met tien spitsen op zijn gewei. Maar goed, het was op
het einde van de zomer, er lag al een floers over het land en de broers hadden zich
tijdens hun achtervolging op onbekend terrein gewaagd. Hoe het precies in zijn werk is
gegaan, weet ik ook niet, maar de jongste van de twee stortte met zijn paard van de rotsen
en brak zijn nek. Eerst wilde de oudere broer er zich achteraan gooien. Maar hij keerde
naar huis terug en vertelde wat er gebeurd was. De volgende ochtend reed hij er opnieuw op
uit, hij zou niet rusten voor dat hert gedood en gevild was. Maar terwijl hij het dier
achternazat, struikelde zijn paard over een boomwortel. Hij werd uit het zadel geslingerd,
knalde tegen een boom aan en brak zijn schedel. Finito, Benito.
Lang bleef het meisje wachten. Een week en een maand gingen voorbij en
nog was ze alleen. Er was niemand om voor te koken en er was niemand om haar te
beschermen. Af en toe probeerde ze nog met haar tenen van geplette bramen te proeven of
van dennenhars, maar de dingen leken hun smaak verloren te hebben. Er zijn vele manieren
om weg te zijn, bedacht ze. Vroeger waren mijn broers alleen overdag weg, maar nu blijven
ze ook al uit mijn dromen weg. Ze dacht aan hen en toen dacht ze minder aan hen. Ze ging
zwerven. Van de oevers van de Maas tot over de heuvels liep ze en ze meed de mensen. Toen
ze aan een beek was gekomen, begon ze te huilen. Ze bukte zich en raapte een steen op die
in het water had gelegen. Het was een scherpe steen, met roestbruine aders. Ze stopte hem
in haar mond en slikte. Nu ga ik dood, hoopte ze.
Maar honderd dagen later was ze zwanger. Het was een zware dracht, het
leek wel of ze een kalf zou voortbrengen. Een dokwerker of een dichter, gokte ze bij
zichzelf. Elf maanden later perste ze een kind te voorschijn dat negen kilo vierhonderd
woog en dat helemaal van ijzer was. Het meisje huilde, van pijn en ontzetting. Toen
onderzocht ze eerst zijn vingertoppen en vervolgens zijn hielen en de tippen van zijn
tenen. Ze leek te kalmeren. En van ijzer was hij eigenlijk ook niet, het was meer een
soort fijne loodkleurige legering, die even soepel was als zeemleer. Hopelijk roestvrij,
mompelde ze bij zichzelf. Maar het merkteken had ze gevonden.
Welk merkteken?
Weet jij dat dan niet? Ken je het vervolg niet?
Hoe zou ik?
Het meisje, de moeder moet ik nu zeggen, was een raar mens. Ze was er
absoluut zeker van dat elke sterveling een teken droeg, iets dat maakte dat hij zichzelf
kon bezien. En niet alleen zichzelf bezien, maar ook zichzelf herkennen in elke ander mens
die passeerde. Misschien draag jij ook wel zo'n teken.
Dat zou me verbazen. Ik herken mezelf absoluut niet in elke mens die
passeert. God beware me.
(Intussen is de man bezig zijn meetapparatuur op te stellen.)
Zeg, maar wat ben je daar eigenlijk aan het doen?
Ik? Ik kom de boel hier opmeten. Wacht, ik moet hier ergens een
bevelschrift hebben zitten. Zal ik 't even voorlezen? Luister: 'Geachte heer Kroll...'
(hij mompelt wat, zijn ogen glijden over het blad) '... en daarom verzoeken wij u een
grondig onderzoek uit te voeren en ons zo snel mogelijk een nauwkeurige inventaris van het
beoogde te bezorgen.' Dat is het zo ongeveer. Ik kom hier de staat opmaken. Zuiver weten
door zuiver meten, dat is onze lijfspreuk, hij hangt boven mijn tekentafel.
(De man begint nerveuzer te praten, als de vrouw hem nadert. Hij blijft beheerst, maar is
op zijn hoede, lijkt het.)
De staat waarvan, als ik vragen mag? En wat is dat: het beoogde?
En waarom zou ik dat aan uw neus gaan hangen? Ik vraag me trouwens af
wat me bezielt om hier zomaar tegen een wildvreemde te staan praten. We zijn niet eens aan
elkaar voorgesteld.
Ik ken jou anders wel.
Oh ja? Maar dat neemt - sorry - niet weg dat u mij op dit moment voor
de voeten loopt. Als u nu 's een ietsje meer opzij zou willen gaan, dan zal ik me zeer
verplicht voelen. Maar goed, nu wij hier toch zo vrolijk bijeen zijn, mag u mij altijd een
en ander over mezelf vertellen. 't Zal me verbazen.
Laat maar. Je zei net zelf dat je een meter bent. En meten is de taal
van de labbekakken.
Wablieft?
Je hebt me wel verstaan. Jij bent zo iemand die niks in 't ongewisse
durft laten. Je reactie bewijst het gewoon.
Waarom zou ik? Waarom zou ik de dingen in het vage laten?
Omdat het soms beter is niet te weten. Zou jij op elk moment van de dag
willen weten wat jouw vrouw denkt?
Misschien wel, ja. Maar ik heb geen vrouw. Ik ben een eenvoudige
landmeter die in dienst van zijn firma enige opmetingen komt verrichten. En u bent?
Ik woon hier. Ik heb hier een hol ingericht. Maar ik was jou iets aan
het vertellen. Over een kind, een boreling, weet je nog? Het was een jongetje van een
witglanzend, soepel metaal dat toch nooit koud aanvoelde, 's nachts kroop zijn moeder
tegen hem aan. Ze waren in die barak blijven wonen en het jongetje groeide snel. Hij joeg
op konijnen, hij viel uit een boom en bezorgde aan zijn moeder nog al het andere
godgeklaagde dat jonge, alleenstaande moeders van hun joch moeten uitstaan.
Op een dag kwam hij gek van angst hun kot binnengerend. Hij sloeg zijn
armen om haar benen en verstopte zijn gezicht in haar rok. Wat is er? vroeg ze. Wat
scheelt er nu? Hij kon niets uitbrengen. Niks of niks. Pas een paar uur later, toen hij
zich in een tobbe zat te wassen, kwam hij weer tot bedaren. Hij vertelde dat het een
geluid was dat hij gehoord had, een hoog geluid dat als een speer in de lucht was
gestoten. En zo rauw dat die kreet had geklonken, zo ongelooflijk rauw en weemoedig.
Maar jongske toch, zei de moeder, en ze legde hem uit dat het een
stoomfluit was die hij gehoord had. Achter het bos waar ze woonden, liep een spoorlijn,
daar bonkten 's nachts de goederentreinen voorbij. En vanaf die dag sloop de jongen
regelmatig het huis uit om naar de treinen te gaan kijken.
Merkte zijn moeder dat dan niet?
Ze zei daar niets van. Ze voorvoelde iets en ze was wijs genoeg om daar
niets tegen te doen. Die dingen gebeuren, dacht ze. En als jij de ware reden van je komst
te weten kwam, nou dan...
Dan wat?
Dan zou je bijvoorbeeld maken dat je wegkwam.
Jij hebt een fantastische fantasie, juffrouw. Ik kom hier gewoon mijn
job doen. Als er binnen de week geen resultaten op tafel liggen, dan mag ik spontaan de
lokale werkloosheidscijfers helpen opkrikken.
's Nachts ging het jongetje naar de treinen zitten kijken en overdag
begon hij als een hond in de aarde te graven. Altijd zat hij met zijn neus in de grond. De
streek waar hij met zijn moeder woonde, was toen nog een zee van kleine, jonge valleien,
rijk aan sappig gras. De boeren kwamen er hun koeien weiden en in het voorjaar zwermde er
een wolk van bijen rond de meidoorn. De moeder zette korven en zwierde honing. En terwijl
ze dat deed, begon ze zich te oefenen in afscheid nemen. Zo zal ik 't voortaan arrangeren,
dacht ze, alsof dat fijne leven van ons niet meer dan een veels te langgerekt adieu is.
Ze snoof de geur op van de meidoorn en ze maakte een buiging.
Ze wuifde een eend na.
Ze ging in het water zitten spuwen van de beek waar ze jaren geleden
die kei had ingeslikt.
En ze zag haar zoon opgroeien.
Was ze bang?
Waarom vraag je dat?
Omdat ze honing bleef maken. Bange mensen zien niet vooruit, toch?
Ze was bang, maar toonde dat niet. Ook daarin trainde ze zich. Niks
laten zien: moeders kunnen daar straf in zijn. Op een dagreis vanwaar ze woonden, lag een
abdij en daar liep ze soms naartoe. Ze liet er een mis opdragen voor haar twee overleden
broers, daar bleef het bij. Ze zocht geen monnik op, ze ging niet te biecht, ze zwierf
alleen wat in de bossen rond en likte soms aan een kei.
Mijn moeder deed 's zondags de strijk, terwijl ze naar het voetbal op
de radio luisterde. Dat was haar manier om de dingen te laten voorbijvliegen.
Ze ging weg en ze kwam terug, ze kwam terug en ging weer weg. Terwijl
die jongen van haar nog steeds in de aarde aan het wroeten was, intussen. En dat niet
alleen, hij begon ook stenen kapot te hakken. Zo vond hij steenkool en later een banale,
loden pijp. Met het hout dat hij in het bos had gesprokkeld, bouwde hij zo goed en zo
kwaad als dat ging een vuur. Hij sneed de loden pijp aan stukken, legde ze in een
koekenpan - zo'n grote zware zwarte koekenpan - en schoof die op de vlammen. (Pauzeert
even.) Waarom ben je nu ineens zo stil? Je lijkt zo... zo vreemd, ja.
Ik weet niet. Niks. Je maakt me gek met je gepraat. Hier, hou dit even
vast, wil je. En blijf nu rustig staan.
(De vrouw neemt een rood-wit geschilderde stok aan, die ze
met z'n ijzeren punt voorzichtig in de grond probeert te drijven.)
Wacht, je moet wel zorgen dat ie loodrecht staat. Voel je dat schietlood? Je laat het
naast de jalon zakken die je daar vasthoudt en je tast of het koord evenwijdig hangt.
En waarom zou ik dat dan doen? Ik ben jouw knechtje toch niet.
Weet ik, weet ik. Maar zo te zien heb je tijd zat. Waarom zit je me
anders die dingen te vertellen? Nee, ik ga er gewoon van uit dat jij ocharme een bosgeest
bent die me tijdens 't werk zo'n beetje komt amuseren. Radio Vaticaan. Kun je net zo goed
een handje helpen, vind ik.
Je begrijpt me niet. Ik heb ook een opdracht.
Oh ja? En van wie dan wel?
Luister, laat mij open kaart spelen. Dat is nu wel stom, maar het ziet
er niet goed uit voor jou. Ik moet jou de dood aanzeggen, dat is mijn taak.
(De man schatert het uit.)
Die is goed. En wie ben jij dan wel? Een wraakgodin of zo? Bijt jij levensdraden door? Heb
je een assortiment scharen en schaartjes bij je, die je aan mij moet zien te slijten?
Ik zei het toch al: ik woon hier. En ik weet dat jij als een kanaal
denkt, rechtdoor.
Weten, weten, vertel mij wat, mamzelleke. Voor mij ben je zo een
geflipt poepeke dat op den dop zit en dat hier zo'n beetje in de bossen rondhangt om rare
verhalen te vertellen aan de passanten. Ik ken jullie wel. Uitleggen en mannekes tekenen!
Maar intussen leven jullie mooi op onze kap. Dzjiezes, als je dan toch niks wil doen,
waarom trouw je dan niet met een rijke vent? Maar nee: jij bent met de Staat getrouwd. Met
mij dus. Terwijl ik er helemaal niet om gevraagd heb om met wie dan ook te trouwen. Mijn
hemel, straks komt er ook nog een baardmans te voorschijn gehuppeld in een
saffraankleurige pullover, zo'n deadhead die mij pilletjes met de kop van Homer Simpson
wil aansmeren. Ach, scheer je weg, meid, en laat mij m'n job doen.
(Onverstoorbaar, met niet meer dan een monkeltje om haar
lippen, kijkt de vrouw de man aan. Ze voelt of het koord evenwijdig hangt en vertelt
intussen verder.)
Soms gebeuren de dingen vanzelf en soms moet je ze in gang duwen. Dat was wat de jongen
deed met zijn pan boven het vuur. Voorzichtig begon hij de stukken lood uit hun slaap te
wekken. Ze rekten zich uit en werden toen ineens iets kwiks, er straalde licht van af, het
begon rond de pan te dansen. Dat was het moment. Hij nam een zeef en haalde de pan van het
vuur.
Oké, laat maar los nu.
Hij nam een zeef en goot er het gesmolten lood doorheen. Heel
voorzichtig, heel traag, zodat het lood kleine druppeltjes kon vormen die stolden terwijl
ze vielen om dan in een emmer water te belanden. En het mooiste was: tijdens hun val
werden ze helemaal rond, net visseneitjes. Grijze kaviaar. Zo maakte de jongen hagel.
Ik weet niet wat er door hem heen ging, maar ik kan me goed voorstellen
dat hij zich al doende een kleine god begon te voelen, een weergod. Oorlog is onweer,
dacht hij, ik ben de grote onweerman. Maar zover zijn we nog niet, nu was hij nog een
jongen. En om die hagel mee te verschieten moest hij eerst een geweer gaan maken.
En dat kon ie zomaar?
Hij ging in de leer.
En waar speelt dit zich allemaal af, zei je?
Hier vlakbij, Aubel, Val-Dieu, hoe heten die dorpen ook alweer? Vroeger
was de streek hier nog voor 't grootste deel met loofbos bedekt. (Fluisterend.) Ik hoorde
aan de dieren toe.
Wat zeg je?
Niets, laat maar.
Jawel, je zei iets van dieren.
(De man laat zijn meetapparatuur opzij liggen en komt nu bij de vrouw staan. Hij neemt
haar op, ze voelt het schattende van zijn blik. Het net niet geringschattende.)
Je hoorde allemaal dieren toen, de bossen krioelden ervan. Everzwijnen, reeën, otters,
die zie je hier in 't wild niet meer. Veel is nu coulissenlandschap geworden, velden en
weiden die netjes met een rij bomen zijn afgezet, of met hagen.
Hoe noem je dat, coulissenland?
Zo heet dat tegenwoordig, ja.
En vroeger?
Vroeger was dit woud, woest, onaangetast.
Een plek waar de mens een vreemde was?
Zoiets ja.
Een vreemde of een slechte?
Een dreiging toch.
En waarom zou dat? Waarom moet ie een dreiging zijn? Zou hij die
wildernis dan niet met de dieren mogen delen? Jij bent toch ook een mens, dacht ik. Een
vrouw dan nog, jouw kut is natte aarde en uit je schoot groeit berenklauw.
Nu ga je toch... Dat taaltje van jou...
Wat is er met mijn taaltje? Voor mij moet taal een schaar zijn, een
ploegschaar liefst en geen mystiek gefleer van achter de coulissen. Wij hebben geen tijd
om er doekjes om te winden. Wat dacht je, lieve meid? Dat wij de eeuwigheid aan ons
hebben?
Dat je 't binnen tien, twintig jaar niet koud zult gaan krijgen?
Dat blinde, blonde meisjes iets voorhebben op wandluizen?
Dat de wereld speciaal voor jou is gedekt?
Dat de dood een leuke prins zal zijn met de lokken van Matt Dillon?
Dat jouw sponsje nooit droog zal komen te staan?
Dat je onveranderlijk bent?
Dat je ooit zuiver bent geweest?
Dat je toen een jurkje van ambrozijn droeg?
Dat je die ene onvergetelijke nacht nooit zult vergeten?
Dat de details niet als eerste zullen gaan?
Dat je nekspiertjes altijd even strak zullen blijven?
Dat jouw kinderen en de kinderen van jouw kinderen geen kleine
etterbakken vol foute chemicaliën zullen worden?
Dat we méér hebben dan de goede hoop dat we straks van het leven
zullen worden ontslagen?
Dat jij niet vogelvrij bent?
Hé ho, wat ben jij een nare vent. En wat kan het jou in godsnaam
schelen wat ik denk? Ik was je iets aan het vertellen, dat is alles. Met mijn tong, ja. De
tong: na de herinnering onze sterkste spier. Nee, ik moet blijven praten, dat moet, mijn
tong is een dam.
Waartegen?
Een jongetje, daar hadden we 't over. Een knaap die op z'n eentje hagel
had zitten gieten en die daarna in de leer ging bij de firma Dumoulin, een oud maar
up-to-date bedrijf dat in het Luikse was gevestigd en dat met zijn artisanale aanmaak van
luxewapens een eeuwenoude traditie voortzette. Zie je, daar zaten we. Het was al honderd,
misschien tweehonderd jaar later, maar nog steeds wou die jongen dat hert neerleggen, de
tienender die de dood van zijn twee nonkels had veroorzaakt. Hij goot hagel, hij leerde
een karabijn maken en hij ging op jacht.
Zoals de heilige Hubertus zeker, toen hij nog niet heilig was.
Precies. Alleen joeg die Hubertus met pijl en boog, terwijl dat
knulletje van ons met scherp schoot. En op een dag reed hij uit. Hij kocht zich een paard
en hij reed uit. Ken je de streek hier een beetje?
Ik had een tante wonen in hoe-heet-dat-dorp-ook-alweer, Queue-du-Bois,
de Staart van het Bos, daar woonde ze, haar man werkte als masseur in Chaudfontaine, hij
was vaak weg en dan moest m'n moeder haar zus gezelschap komen houden.
(Intussen is de man opnieuw in de weer met zijn theodoliet.
Hij praat een beetje hortend, elke zin wordt door een kleine handeling onderbroken.)
Wat doe je nu?
Ik herinner me dat ze 't eens over kanonskogels hadden. Die werden
eerst in het vuur gehouden en daarna in het badwater gedompeld, om het te verwarmen. Zo
ging dat vroeger. Maar van de streek herinner ik me weinig, ik was een stadskind
eigenlijk. Ik zat daar meer onder tafel dan buiten.
Kom 's even hier.
Waarom?
Maar kom dan toch. Je kan die spullen van jou toch wel even aan de kant
schuiven. Heb je geen honger trouwens? Het is bijna middag. En ik heb wat voor je. Hier is
brood. En hier heb je zout en kaas en wat boter.
Mijn galgenmaal zeker.
Tast toe, het staat ervoor. Je bent jonger als je glimlacht.
En jij? Eet jij niet mee?
Straks misschien, op mij hoef je niet te letten. Maar zeg 's: zullen er
veel mensen jou missen als je niet meer terugkeert van hier?
Dat zijn jouw zaken niet. Oké, goed, jij je zin. Maar zeg me dan eerst
wat ik misdaan heb.
Alles.
Zou je toch een ietsje preciezer kunnen zijn misschien?
Straks. Eerst moet jij me nu maar 's vertellen wat jij hier komt
uitrichten. En je hebt geen vrouw, zei je?
Nee.
Sorry.
Je hoeft je niet te verontschuldigen. Excuses zijn net ratten. Ze komen
aangeslopen, ze knabbelen wat aan je en weg zijn ze weer. Ik ken aardiger beesten.
Maar wat kom je hier precies uitvoeren? Ik wil het uit jouw mond
vernemen.
Ik verricht metingen. Ik maak een topografische kaart voor de
logistieke dienst van onze firma.
En waarvoor mag die kaart dan wel dienen?
Welk belang heeft dat? Feit is gewoon dat hier binnenkort werken zullen
worden aangevat. Opgravingen, boringen, wegenwerken, verkavelingen, whatever. Stel je hier
straks een boorput voor. Of zo'n nette, nieuwe doorgroeiwijk waar nette, nieuwe
doorgroeikindertjes wonen. Een zoenstrook. Een warmwalslijn. Wat kies je?
Ik heb niets te kiezen. Ik wou je alleen iets tonen.
Laat zien dan.
Sluit je ogen.
(...)
|
|