Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel

Mooie dingen

Lilian Faschinger
(Vertaling: Jan H. Mysjkin)

Een geluid maakt Lechner wakker. Hij heft zijn hoofd.
    De reeën, denkt hij. Ze zijn weer in de tuin.
    Zonder het licht aan te doen staat hij op, gaat naar het raam en schuift het dichtgetrokken gordijn opzij. Buiten wordt het dag. Een lichtgrijze streep ligt in het oosten over de horizon. Op het gazon vóór het huis staan twee reeën. Ze steken hun koppen omhoog.
    Wat doe je? zegt Lechners vrouw en gaat rechtop in bed zitten. Waarom wek je mij? Je weet hoe slecht ik slaap. Ik was nog maar pas ingeslapen. Ik heb een slaaptablet moeten nemen. Zonder tabletten kom ik niet in slaap.
    Zwijg, zegt Lechner. De reeën zijn er weer.
    De reeën, zegt de vrouw. Ze vernielen alles. Dit huis. Dit rampzalige huis. We hadden dit huis nooit moeten bouwen.
    Zwijg, zegt Lechner, hij verlaat de kamer en neemt de windbuks die naast een paar winterjassen tegen de rugkant van de inbouwkast in de voorhal leunt. Ze is altijd geladen. De loop is koel. Lechner gaat terug naar de slaapkamer, zet het geweer behoedzaam tegen de muur en opent stilletjes een raamvleugel. De reeën staan naast het rozenperk.
    Ze vreten de rozenknoppen, denkt Lechner. De mooie knoppen van de rozen.
Wat vreten ze? zegt Lechners vrouw. Wat vreten ze deze keer? Ze vreten alles. Zwijg, zegt Lechner en hij heft het geweer. Hij richt de loop op de linker achterflank van het grootste dier. Zijn hand is rustig. Hij haalt de trekker over. Zonder een kik te laten horen wipt de getroffen ree over de heg die het stuk grond omsluit. Ook het tweede dier springt over de heg en is verdwenen. Lechner draait zich om. Hij wil het geweer terug in de kast plaatsen. Dan bedenkt hij zich, zet het tegen de muur van de slaapkamer en kruipt weer in bed.
    Het heeft geen zin, denkt hij en hij keert zich in het huwelijksbed af van zijn vrouw. Ze komen altijd terug. Je zou ze moeten doden. Waarom komen ze in de tuin? In het bos hebben ze genoeg te eten. Ze worden almaar brutaler.

De stem van zijn vrouw doet Lechner opschrikken.
    Sta op, zegt zijn vrouw. Ik ben al een uur op. Sta nu maar op.
    Lechner antwoordt niet. Hij kijkt door het raam en ziet zon achter de hoge hellende beuk. Hij is blij over zijn besluit destijds om twee grote ramen in de slaapkamer aan te brengen.
    Het tuinhek sluit niet, zegt zijn vrouw en ze verlaat de slaapkamer.
    Lechners blik valt op een foto op het nachttafeltje. Het is een oude foto. Ze toont zijn vrouw en hem met hun drie dochters. De drie dochters zijn nu volwassen. Ze komen zelden en blijven niet lang. Verbaast me niks, denkt Lechner. Hij zou het ook niet lang in dit huis uithouden, als hij het niet had gebouwd. Hij neemt de foto in de hand en blikt in het gezicht van zijn jongste dochter. Met zijn jongste dochter heeft hij soms gesproken. Hij bekijkt zijn vrouw. Dat zij mooi was, denkt hij. Dat ze nooit gelukkig waren. Dat er een tijd is geweest dat alles beter ging. Hij begrijpt zijn vrouw niet. Hij begrijpt niet waarom zij de strijd niet staakt. Hem niet met rust laat. Waarom zij niet ophoudt met praten.
    Lechner denkt dat hij graag een zoon zou hebben gehad. Die zoon zou hij veel hebben getoond. Hij zou met hem hebben gesproken. Hij zou daar niet stom tussen vrouwen hebben gezeten, die kletsen over wol en knopen en gewetenloze mannen die hun vrouwen verlaten, over kinderen en fruit en colliers. Het spijt hem dat die dingen hem niet interesseren. Geen van de vrouwendingen interesseert hem. Hij zou zijn vrouw graag hebben verlaten. Hij bewondert de mannen die de moed hebben om vrouw en kind te verlaten. Die weigeren nog langer het gepraat te aanhoren.
    Lechner neemt de kleine draagbare radio in zijn hand, die altijd op het nachttafeltje staat, en draait aan de zoekknop zonder hem aan te zetten. Dat hij nergens interesse voor heeft, denkt hij. Hij ziet het geweer tegen de muur. Dat hij graag op reeën schiet, denkt hij.

Lechner loopt naar de tuin om het gazon te maaien. Onderweg kijkt hij in de open keuken en ziet zijn vrouw met breiwerk in haar schoot op een stoel zitten. Zij heeft haar handen in haar schoot gelegd en kijkt omhoog naar de keukenklok. Snel loopt hij de trap af. Hij haalt de grasmaaier uit de garage en start de motor. Langzaam loopt hij met de grasmaaier over het grasperk voor het huis. Hij loopt op en af. De grasmaaier maakt veel lawaai. Waarom hij hier met de grasmaaier op en af loopt, denkt Lechner. Waarom hij niet ergens anders is.
    Hij ziet zijn vrouw met een schaal in de hand het huis uit komen. Hij ziet haar harde, droevige gezicht.
    Het tuinhek sluit niet, zegt zijn vrouw in het voorbijgaan.
    Lechner zegt niets en keert aan de muur van het huis om.
    Alles moet je zelf doen, zegt zijn vrouw en ze buigt zich over de planten. We hadden dit huis nooit moeten bouwen.
    Lechner botst met de maaimachine tegen de stam van een van de fruitboompjes die in een rechte lijn zijn geplant. Hij vloekt binnensmonds.
    Zijn vrouw strekt zich uit en plukt grote bonen van de hoge houten staken. Zij vult de schaal met de bonen. Dan loopt zij over de met tegels uitgestippelde weg terug het huis in.
    De reeën hebben de jonge sla gevreten, zegt zij. Ze vreten alles.

Lechner eet het eten dat zijn vrouw voor hem heeft neergezet. Terwijl hij eet, leest hij de krant, die naast zijn bord op tafel ligt. Hij ziet de datum bovenaan de bladzijde. Dat het vandaag zijn huwelijksdag is, denkt hij. Dat hij vandaag negenendertig jaren geleden is getrouwd, denkt hij. Dat hij tegen zijn zin is getrouwd. Maar dat hij geen andere mogelijkheid had gezien.
    In de krant leest Lechner dat een jongeman in Amerika van een toren op straat heeft geschoten en veel mensen heeft gedood. Lechner zou graag in Amerika zijn. Dat in Amerika het land uitgestrekt is, denkt hij. Dat er veel plaats is. Dat ze je d'r met rust laten.
    Hij ziet zijn vrouw met een witte plastic mand vol natte was de badkamer uit komen. Zij stapt langzaam. Haar manier van lopen drukt hem terneer.
    Lechner haalt de heggenschaar en gaat naar de voorkant van het huis. Hij begint de heg te snoeien. Zijn vrouw hangt de was op.
    Mijn rug doet pijn, zegt zijn vrouw. Dat weet je heel goed. Je weet dat mijn rug pijn doet. Ik mag me niet uitstrekken. Ik mag me niet bukken. Dat weet je.
    Lechner zegt niets.
    Het tuinhek sluit niet, zegt zijn vrouw.
    Lechner gooit de heggenschaar in het gras en loopt het huis in, over de trap, voorbij de deur die opent op de slaapkamer. Zijn blik valt op de kerven in de deur. Telkens als hij die ziet, denkt hij terug aan de avond waarop hij zich in de slaapkamer had opgesloten en zijn vrouw de slaapkamer in wilde. Met een zware asbak van dik glas sloeg zij op de deur in, tot hij opendeed. Lechner vraagt zich af waarom ze geen nieuwe deur kopen. Een nieuwe deur is duur.

Lechner zit bij zijn vriendin en drinkt thee. Hij is niet erg graag bij zijn vriendin. Zijn vriendin is een vreemde voor hem. Maar hij weet niet waar hij anders heen moet, wanneer woede in hem opkomt. Zijn vriendin zit tegenover hem aan een tafeltje. Zij is even oud als zijn vrouw. Hij heeft geen verhouding met haar. Hij zou er graag een hebben, maai hij vertrouwt het niet. Hij is bang dat zijn vriendin zou worden zoals zijn vrouw.
    Lechner kijkt rond in de kamer. De kamer is klein en vol souvenirs van de reizen van zijn vriendin.
    Zijn vriendin heeft een rustige stem. Wanneer hij iets vertelt, luistert zij. Zij is weduwe. Lechner heeft moeite om het doorzichtige theekopje in zijn vingers vast te houden. Zijn vriendin praat en glimlacht. Lechner let niet echt op. Het interesseert hem niet wat zij zegt. Hij is zo moe.
    Ik moet ervandoor, zegt Lechner en hij staat op. Hij stoot het hoofd aan de hanglamp van zijn vriendin. In haar woning stoot hij zich vaak. De dingen in haar woning zijn piepklein.
    Lechner treuzelt op de terugweg. Hij wil niet naar huis. Hij weet niet waar hij heen kan. Hij komt langs het huis van zijn broer en belt aan. Zijn broer en diens vrouw zijn niet thuis. In het invallende donker loopt Lechner voort. Hij loopt over een weg met aan weerszijden appelbomen. Hij denkt dat hij op dezelfde dag is getrouwd als zijn jeugdvriend, die sinds dertig jaren in een grote stad in het buurland woont. Zijn vriend heeft hem geschreven, maar Lechner heeft niet geantwoord. Hij wist niet wat te schrijven. Zijn jongste dochter stuurt hij af en toe een postkaart. Hij schrijft niet veel op de kaarten. Hij ondertekent ze met de woorden Je vader. Dat doet hij graag.
    Lechner stapt de gelagkamer binnen van een café-restaurant op de weg huiswaarts. Een paar mannen die hem kennen, begroeten hem met luide stem. Ze bieden hem een biertje aan. Lechner drinkt het glas snel leeg en bestelt er nog een. Hij is bang dat zijn vrouw in haar lichtblauwe peignoir in de deur staat. Hij is bang dat zijn vrouw in haar lichtblauwe peignoir op de sofa ligt. Hij is bang van haar.
Zijn angst verdwijnt na het tweede glas. Lechner bestelt een derde. Hij praat veel en snel. De mannen luisteren naar hem en lachen. Lechner vertelt grappige verhalen. Hij vertelt het verhaal met de reeën. Hij dikt het verhaal met reeën aan.
    Ineens stond daar in de volle maan een reusachtig hert in mijn tuin, zegt hij en hij maakt er een gebaar bij.
    Lechner bestelt een rondje jenever voor de mannen. Dat die mannen zijn vrienden zijn, denkt hij. Niet zulke vrienden als de vriend die weg is gegaan, maar vrienden. Hij stopt zijn vrienden de borrelglazen in de hand.
    We drinken op mijn trouwdag, zegt hij en hij heft zijn glas. Vandaag is het mijn trouwdag.
    Iets later verlaat Lechner het café en loopt in het donker het eindje tot aan zijn huis. Hij ziet het blauwe schijnsel van het televisietoestel oplichten in de verte.
    Hij trekt zijn jas uit en gaat op enige afstand van zijn vrouw voor de televisie zitten. Op het beeldscherm zoekt een zwarte politieagent met een pistool in de hand dekking achter een rode auto.
    Hoe gaat het met die hoer van jou? zegt zijn vrouw plots. Gaat het goed met je hoer?
    De zwarte politieagent richt zijn pistool op een jongeman die met een arm een mooie vrouw vasthoudt. De jongeman heeft de vrouw vóór zich geschoven. Hij houdt een revolver tegen de slaap van de vrouw.
    Lechners vrouw begint te schreeuwen.
    Waarom blijf je niet bij je hoer? schreeuwt zij. Blijf toch bij haar als het daar zoveel beter is.
    Een tweede, blanke politieagent probeert de man die de vrouw vasthoudt, van achteren te benaderen.
    Rustig maar, zegt Lechner stilletjes. Ik was in het café. Rustig maar.
    De tweede politieagent ontwapent de man.
    Zijn vrouw houdt niet op met schreeuwen.
    Je hebt gezopen, schreeuwt zij. Je hebt alweer gezopen. Je verzuipt alles. Met al het geld dat je hebt verzopen, hadden we twee huizen kunnen zetten.
    Lechner staart naar het scherm. Hij ziet niet wat zich op het scherm afspeelt. Hij hoort niet wat zijn vrouw schreeuwt. Hij denkt dat hij zijn vriend graag terug zou zien. Hij denkt dat zijn vriend hem heeft begrepen. Hij denkt dat hij zijn vriend zal schrijven.
    Lechner gaat de kamer uit. Hij laat de deur op een kier open.

Lechner schiet wakker door een klap op zijn achterhoofd. Instinctief trekt hij zijn hoofd in en beschermt het met zijn handen. Het duurt een paar seconden voor hij doorheeft dat zijn vrouw op hem in ranselt.
    Ben je gek! roept hij en hij probeert haar handen te pakken.
    Zijn vrouw houdt niet op. Uit alle macht probeert zij zich te bevrijden. Zij slaagt erin om haar vingernagels in de huid aan zijn slaap te boren. Als hij zijn slaap met zijn hand aanraakt, voelt hij natheid. Hij kijkt naar zijn vingers en ziet dat die vol bloed zitten.
    Je bent gek, zegt hij. Je bent volkomen gek.
    Hoe kun je slapen, roept zijn vrouw, wanneer ik niet kan slapen? Hoe kun je rustig slapen, wanneer ik lig te woelen? Je weet niet hoe vreselijk het is, als je niet kunt slapen. Hoe kun je slapen, wanneer ik niet slaap?
    Lechners hart bonst. Hij heeft schrik van de woede in zich. Hij ziet het geweer tegen de muur van de slaapkamer. Het geweer kan geen mens doden.
    Zijn vrouw heeft zich aan zijn greep ontworsteld en ranselt opnieuw op hem in. Lechner grijpt haar bij de keel en wurgt haar. Hij heeft grote, sterke handen. Zijn vrouw verweert zich. Lechner kijkt naar zijn handen. De handen zien eruit alsof ze geen deel van hem uitmaken. Hij denkt dat hij moet ophouden, als hij zijn vrouw niet wil doden. Hij merkt dat zij zich niet meer verweert. Hij wil ophouden met knijpen, maar de handen liggen nog altijd om haar hals. Met grote moeite slaagt hij erin de handen van haar keel weg te nemen. De vrouw zakt onderuit op het bed.
    Lechner staat op en neemt de draagbare radio en de foto. Hij pakt de kleren van de dag voordien die op een stoel liggen, legt ze over zijn arm en verlaat de slaapkamer. Hij loopt de badkamer in, kleedt zich aan, wast zijn gezicht, kleeft een kleine pleister op de wond aan zijn slaap, poetst zijn tanden en kamt zich. Hij neemt er de tijd voor. Hij kijkt in de spiegel en ziet het witharige hoofd van een man einde zestig. Hij legt een paar dingen in zijn plastic toiletzak en sluit de rits. Hij gaat de badkamer uit. Wanneer hij de deur van de slaapkamer passeert, hoort hij zijn vrouw steunen. Hij gaat de woonkamer in, haalt een kleine sleutel uit een van de potten die op een rij op de kast staan, en doet de bovenste lade van een commode open. Hij neemt er bankbiljetten uit, een paspoort en een brief. Hij stopt het geld in het paspoort. Hij sluit de lade weer en neemt een grote, bruinwit geruite reistas van de garderobe. Hij stopt de radio, de toiletzak en een paraplu in de tas. Hij trekt zijn schoenen aan, en zijn windjack. Hij stopt de foto, het paspoort en de brief in de binnenzak van zijn windjack en gaat over de trap de garage in. Hij opent de poort van de garage, gaat naar het tuinhek, opent het tuinhek, loopt terug en gaat aan het stuur van zijn auto zitten. Hij rijdt de auto de garage uit en het tuinhek door. Hij stopt, loopt terug, sluit de garagepoort en vervolgens het tuinhek. Hij stapt in zijn auto. Hij rijdt weg.
    Hij knijpt zijn ogen samen. Hij ziet niet meer goed. Hij slaat de straat in, richting stad. Hij rijdt tot aan de rand van het dorp waar hij werd geboren. Hij rijdt het dorp uit. De straat is hier niet langer verlicht. Er is weinig verkeer, af en toe wordt hij door een vrachtwagen ingehaald.
    Lechner denkt langzaam. Hij denkt helder. Hij denkt dat hij werd uitgebuit. Hij denkt dat hij heeft gewerkt en niets terug heeft gekregen. Hij denkt dat hij van mensen heeft gehouden en niets terug heeft gekregen. Hij denkt dat zijn trouwdag sinds klokslag middernacht voorbij is.
    Wanneer hij de scherpe bocht nadert, denkt hij dat hij gewoon rechtdoor zou kunnen rijden. Als hij rechtdoor rijdt, stort hij over een steile helling omlaag tot aan de houtzagerij. Hij heeft er al verschillende auto's zien liggen. Jaren geleden heeft hij al eens overwogen om in deze bocht rechtdoor te rijden. Toen was zijn jongste dochter nog een kind.
   Lechner neemt de scherpe bocht. Hij rijdt midden op straat om de bocht af te snijden. Met een tikje plezier denkt hij aan de kans dat een tegenligger op hem afkomt. Hij neemt de bocht zonder problemen. Hij ziet de lichten van de stad in de vlakte. Hij beweegt zich voort in de richting van de stad. Hij rijdt naar het station van de stad. Hij laat de auto afgesloten voor het stationsgebouw staan en loopt met de bijna lege reistas de hal in. Op de grote ronde stationsklok met de witte wijzerplaat is het even voor vijven. De klank van zijn stevige bruine schoenen galmt luid op de stenen vloer van de grote ruimte. Hij gaat met zijn linkerwijsvinger van boven naar onder over de aan de muur aangebrachte affiche met de vertrekuren van de treinen. Hij gaat naar het loket en neemt een kaartje naar de grote stad waar zijn vriend leeft en waar hij tijdens de oorlog zelf heeft verbleven. Hij vraagt enkele reis tweede klas.
    Hij gaat zitten in de wachtzaal. Op een van de houten banken slaapt op zijn rug, met gekruiste voeten, een man in een zwart pak. Op zijn buik ligt een grote zwarte hoed. Naast de man zit een jong paar tegen elkaar geleund. Een vrouw komt de wachtzaal binnen. Haar leeftijd is moeilijk te schatten. Haar benen zijn onbedekt en vuil, zij draagt roze plastic sandalen. Haar gezicht zit vol krassen, haar haren zijn in de war en over haar voorhoofd tot twee kleine hoorntjes gevlochten. De vrouw, die er als een kleine duivel uitziet, praat snel en stilletjes voor zich uit. Zij stoot korte kreten uit. Zij gaat naast Lechner staan. Zij kijkt Lechner oplettend aan en blijft daarbij ononderbroken doorpraten. Lechner verstaat af en toe een woord, maar hij snapt de samenhang niet. Hij begrijpt alleen dat zij het over hem heeft. Hij neemt de radio uit de reistas, zet die stilletjes aan en houdt hem tegen zijn oor. De vrouw verheft klagend en scheldend haar stem en verlaat de wachtzaal. Een geweldig uitbarsting van de Vesuvius binnen de eerstvolgende vijftig jaren behoort tot de waarschijnlijkheden, zegt een mannenstem op de radio. Deze mening wordt gedeeld door een grote meerderheid van de wetenschappers.
    Lechner denkt dat hij foto's van werkzame vulkanen en doodse, donkere vulkaanlandschappen heeft gezien. Hij zou graag over het zwarte gesteente van zo'n landschap lopen. Hij zou graag lopen waar niets groeit en geen mens kan leven. Hij gelooft dat er in Amerika dergelijke landschappen zijn. Lechner dommelt in en tuimelt in zijn halfslaap altijd opnieuw in een gat.
    De luidspreker die de aankomst van zijn trein aankondigt, doet hem uit zijn schemertoestand opschrikken. Hij neemt zijn reistas en begeeft zich naar het perron. Het is licht geworden. Een groepje jongelui wacht op de trein. Uit hun gedrag en woorden besluit Lechner dat het gaat om een reisje om hun einddiploma te vieren. De jongelui praten en lachen. Als de trein binnenrijdt, nemen ze afscheid van familie en vrienden.
    Lechner stapt de trein in en schuift de deur van een gesloten coupé opzij. In de coupé zit een jonge vrouw met een meisje van ongeveer drie. Het meisje heeft geen schoenen aan. Haar rode plastic laarsjes staan onder de zitbank. Het kijkt omhoog naar Lechner en lacht naar hem. Dan stapt het op dikke sokken door de open deur en begint de gang op en af te lopen. De jonge vrouw vermaant het kind stilletjes. Het kind blijft op en af lopen. Lechner tilt zijn reistas op het bagagerek, stapt door de deur en gaat aan een gesloten raam op de gang staan. Evenwijdig met de sporen loopt een brede straat. Lechner begint de auto's te tellen. De auto's worden overlapt door de vage omtrekken van zijn vrouw in haar lichtblauwe peignoir. Hij gelooft niet dat zijn vrouw dood is.
    Vang mij op, roept het kind van het andere eind van de gang. Het rent zo snel op Lechner af, dat hij zijn armen uitspreidt en een kniebuiging maakt. Het kind rent zijn armen in. Hij vangt het op en steekt het omhoog. Het kind lacht en begint met zijn wijsvinger cirkels op het stoffige raam te tekenen.
    Kijk, zegt Lechner. Allemaal auto's.
    Ik wil omlaag, zegt het kind.
    Lechner zet het kind weer op de vloer. Het rent de lange gang af naar de glazen deur die de twee delen van de wagon scheidt. Daar draait het zich om. Opnieuw rent het op Lechner af. Weer vangt Lechner het op. Ze herhalen dat spelletje een paar keren. Lechner merkt dat het kind onder het rennen telkens even in een coupé kijkt en dan nog sneller voortrent. Hij vraagt het kind wie er in die coupé is. Het kind neemt hem bij de hand en trekt hem mee tot aan de coupé. Lechner ziet er jonge soldaten in grijze uniformen zitten.
    Wie is dat? vraagt het kind.
    Dat zijn soldaten, zegt Lechner.
    Het kind rent naar de glazen deur en draait zich om. Lechner loopt naar het andere eind van de gang en spreidt zijn armen uit om het kind op te vangen. Hij neemt het op de arm.
    Ze zijn gevaarlijk, fluistert het kind.
    De soldaten? zegt Lechner.
    Ja, fluistert het kind. De soldaten. De mannen. Ze zijn allemaal gevaarlijk. Jij bent ook gevaarlijk.
    Hou op met rennen, zegt Lechner. Je bent helemaal rood.
    De moeder komt uit de coupé en haalt het kind. Zij verontschuldigt zich ervoor dat het kind Lechner lastig heeft gevallen. Zij trekt het kind zijn jas en de rode laarsjes aan. Zij stapt uit met het kind.
    Ze zijn allemaal gevaarlijk, ze zijn allemaal gevaarlijk, roept het kind naar hem bij het uitstappen. Jij bent ook gevaarlijk.
    Lechner gaat zitten, laat zijn hoofd rusten in de hoek, trekt zijn windjack voor zijn gezicht en probeert te slapen.
    Hij weet niet hoeveel tijd er is verlopen wanneer een man in uniform zijn paspoort vraagt.

Lechner kijkt uit het raam en ziet het licht verkleurd gemengde bos, de plassen, de drassige weiden. Hij herkent het landschap. Hij denkt eraan dat hij vijftig jaren geleden in een overvolle trein door dit landschap is gereden. Hij weet dat het kort voor Kerstmis was. Hij had vier dagen verlof van het front. Een jonge soldaat uit een dorp op de andere oever van het meer vergezelde hem. De trein stopte een aantal keren en iedereen moest uitstappen en dekking zoeken voor de aanvallen van laagvliegers. Lechner herinnert zich dat hij zich in het scherpgekante gras wierp en een veldhaas opjaagde. Hij herinnert zich het gezicht van de soldaat uit het dorp op de andere oever van het meer. De laatste twintig kilometer van de reis legden ze te voet af, midden in de nacht. Ze gingen samen tot aan het begin van het meer. Daar gingen ze uit elkaar en de soldaat ging de zuidkant op naar zijn dorp, terwijl hij zelf de noordkant op liep. Nu en dan riepen ze elkaar bij hun namen toe over het meer.
    Voor het treinraam duiken herkenningstekenen van een stad op. Lechner neemt de lichte reistas en begeeft zich naar de deur. Wanneer de trein stopt, duwt hij de klink naar beneden en stapt af op het perron. Het station is heel groot en Lechner is even de kluts kwijt. Over het station welft zich een geweldig glazen dak. Hij loopt het perron af en betreedt de ruime hal.
    Met de roltrap gaat hij naar beneden naar de uitgang. Naast hem gaan mensen op een andere roltrap naar boven. Een jongeman in blauwe werkoverall stuift aan de andere mensen voorbij. Ietwat achter hem rent een tweede man, met een mes in de hand.
    Ik haal de darmen uit je lijf, roept hij. Als ik je krijg, haal ik de darmen uit je lijf.
    Lechner, die zijn rechterhand op de leuning van de roltrap heeft gelegd, merkt dat zijn hand zich met de leuning iets sneller beweegt dan de rest van zijn lichaam.
Naast de uitgang ziet hij het woord BANK in grote witte blokletters. Hij loopt naar het loket en schuift een spaarboekje naar de employé. De employé slaat het open, bladert erin en kijkt Lechner aan.
    Het spijt me, maar in dit land kunt u geen geld van uw spaarboekje opnemen, zegt hij.
    Lechner zwijgt. Dan neemt hij de bankbriefjes uit zijn paspoort.
    Ik zou geld willen wisselen, zegt hij.
    Aan de kassa, zegt de employé.
    Lechner wisselt het geld en gaat naar buiten. Op het plein en in de straten voor het station heerst druk verkeer. Lechner heeft een andere stad in herinnering, een stad van ruïnen, een stille stad. Hij loopt door deze vreemde stad zoals hij toentertijd door de andere stad is gelopen. Hij herkent niets.
    Hij heeft honger. Hij stapt door een open deur, afgesloten door niet meer dan een wit plastic gordijn, waarboven in rode letters het woord ASIA staat. Hij gaat zitten aan een grote, lege, met een rood laken bedekte tafel. Naast hem staat op een plank een klein aquarium. Binnenin is het aquarium blauwgroen verlicht. Een kelner vraagt Lechner wat hij wil. Lechner bestelt een biertje en een gerecht met een hem onbekende naam. Hij kijkt naar de visjes in het aquarium. Het zijn goudvissen en zwarte vissen met lange staartvinnen die als slepen door het water zweven. De planten, die er in het water felgroen uitzien, wiegen heen en weer. Luchtbellen stijgen op en vormen een kleine wieling aan de oppervlakte. Lechner ziet hoe twee van de zwarte vissen elkaar plots aanvallen. Lechner denkt dat men hem heeft bedrogen. Hij weet het. Hij denkt dat mensen als hij van de eerste dag af hun leven lang worden bedrogen. Hij ziet hoe de zwakkere vis gaat schuilen achter een kleine steen. Hij bekijkt zijn handen. Ze zijn breed en met pigmentvlekken bedekt. De vingers laten zich moeilijk bewegen. Lechner denkt dat hij altijd veel waarde heeft gehecht aan het reinigen en verzorgen van de handen. Dat hij zijn vingernagels graag met een vijltje bewerkt. Dat hij graag de op een rij staande schoenen van alle familieleden heeft gepoetst, met schoensmeer ingewreven en opgeblonken. Lechner merkt dat een van de goudvissen dood is.
    De kelner brengt het bier en het eten, groenten en rijst. Lechner eet snel en buigt zijn hoofd over het bord. Een kleurling met een bos in doorzichtige folie gewikkelde rode rozen komt de ruimte binnen. Hij steekt hem de bos toe en lacht hem toe. Hij vraagt hem een van zijn rozen te kopen. Lechner koopt twee rozen en legt ze in zijn reistas.
    Lechner schuift zijn lege bord opzij en neemt de brief en de foto uit zijn jaszak. Op de achterkant van de brief staat het adres van zijn vriend. Lechner haalt de brief uit de enveloppe en leest. De brief werd zes jaren geleden geschreven. Dat hij nog altijd werkt als gereedschapsmaker en goed verdient, staat in de brief. Dat de vriendin van zijn zoon over een paar maanden een kind verwacht. Dat hij met zijn vrouw pas in Sardinië op vakantie is geweest.
    Lechner herinnert zich dat zijn vriend en hij verliefd werden op hetzelfde meisje, en dat hij meer geluk had dan zijn vriend. Dat hij de taal van het meisje niet verstond, en dat ze haar de Schottin noemden. Terwijl hij zich voor de geest probeert te halen hoe de Schottin eruitzag, valt zijn oog op een lieflijk landschapje met bomen en een klein kasteel onder een glazen stolp. Hij vraagt zich af van welk materiaal het landschapje is gemaakt. Hij gelooft dat het een lichtkleurige, zachte houtsoort is. Hij betaalt de rekening en neemt zijn tas. Wanneer hij naar buiten gaat, blijft hij voor het landschapje onder de glazen stolp staan en kijkt ernaar. Hij ziet een kleine reiger. Hij ziet dat het materiaal kurk is. Hij denkt dat er mooie dingen bestaan.
    Hij vraagt de eerste de beste voorbijganger die hij tegenkomt naar de straat waar zijn vriend woont. De voorbijganger, een oudere man met een langharige witte hond, geeft hem bescheid. Hij wijst met zijn hand naar een trap die de metro in gaat.
    U moet vijf stations rijden, zegt hij. Wanneer u uit het station komt, loopt u rechtdoor en dan de eerste straat links. Dat is de straat die u zoekt.
    Lechner loopt de trap naar de metro af. Vergeefs probeert hij door het draaihek te komen. Een man achter een ruit roept naar hem dat hij een kaartje moet kopen. Lechner koopt het kaartje, stempelt het af, gaat het hek door en stapt een blauwe tramwagen in die net binnen kwam gereden. Samen met hem stapt een vrouw van middelbare leeftijd in. Zij is in het zwart gekleed, heeft gouden tanden en een fel gebloemd doek om haar hoofd. Zij gaat aan het eind van de wagon staan.
    Ik ben radeloos, roept zij met een hoge, eentonige stem. Mijn man is drie weken geleden gestorven. Ik heb vijf kinderen. Ze zijn allemaal nog klein. Ik heb geen geld. Help me. Geef me geld. Help me.
    Zij gaat de passagiers langs en steekt hen haar holle hand toe. De hand is vuil. Lechner legt er een muntstuk in, Hij ziet dat hij de enige is die de vrouw iets heeft gegeven. Aan het volgende station verlaat de vrouw de wagen, en Lechner ziet hoe zij de volgende wagon in stapt, weer op dezelfde plaats gaat staan en begint te spreken.
    Lechner stapt uit en gaat naar buiten. Hij vindt de straat en het huisnummer van zijn vriend. Op geen enkele van de naambordjes staat zijn naam. Lechner drukt op een belknop.
    Hallo, zegt een stem in de intercom.
    Lechner vraagt of zijn vriend hier woont.
    Die naam ken ik niet, zegt de stem in de intercom.
    Lechner herhaalt zijn vraag en krijgt geen antwoord meer, Hij drukt op een tweede knop. Niemand antwoordt. Hij drukt op een derde knop.
    Hallo, wie daar? zegt een meisjesstem. Lechner articuleert zijn vraag nog een keer. Hij krijgt geen antwoord, ook niet wanneer hij de vraag herhaalt. Een dikke vrouw die uit een raam op de eerste verdieping leunt, vraagt hem wie hij zoekt. Hij noemt de naam van zijn vriend.
    Die heeft hier ooit gewoond, zegt de dikke vrouw. Met zijn vrouw en zijn zoon. Maar dat is minstens vier jaren geleden.
    Dank u, zegt Lechner, hij draait zich om en loopt terug naar het metrostation. Op het plein voor het station gaat hij zitten op een stenen bank. De mensen lopen snel aan hem voorbij. Hij kijkt naar de mensen. Hij ziet er een paar die net als hij bedrogen werden. Hij neemt de brief uit zijn jaszak, staat op, bukt zich en laat hem langzaam door de tralies van een in het asfalt aangebracht rooster glijden. Dan gaat hij weer zitten. Hij kijkt naar de foto. De foto is lichtjes gebogen. De kleur van de foto is gelig, de rand getand. Zijn dochters en zijn vrouw lachen hem toe. Zijn eigen portret lacht hem toe. Zijn jongste dochter draagt een witte blouse met een brede kraag. Haar haren vallen tot op haar schouders. Lechner keert de foto om. Op de achterkant zijn verbleekte strepen te zien, een indeling zoals op prentbriefkaarten. Hij stopt de foto weer in zijn jas en steekt het plein over. Het wordt langzaamaan donker. Op de daken van de hoge gebouwen lichten neonreclames op.
    Hij gaat het grootwarenhuis binnen aan de andere kant van het plein. Het heeft geen ramen. Het is fel verlicht. De afzonderlijke etages zijn om een grote, hoge, door een veelkleurig glazen dak overdekte binnenruimte ingericht.
    Lechner ziet de balustraden van de vier verdiepingen boven zich. Hij loopt langzaam rond tussen de verkoopstanden op de begane grond. Verzorgde vrouwen in witte jassen en met lange rode vingernagels verkopen schmink en parfum. Lechner bekijkt de diverse vormen van de flesjes. Hij komt langs een stand waar herenparfums worden verkocht. Hij denkt dat zijn jongste dochter hem met Kerstmis bijna altijd een parfum had gegeven. Hij denkt aan de grote ruzie die hij elk jaar met Kerstmis met zijn vrouw had. De verkoopster keert de rug naar hem toe. Hij pakt een diepblauw flesje met het opschrift MUSTANG en laat het in een zak van zijn windjack glijden.
    Hij gaat met de lift naar de eerste etage. De liftjongen draagt een rood uniform. Hij is buitengewoon klein. Lechner flaneert door de afdeling voor damesmode, dan door de rijen pakken, colbertjes en jassen voor heren. Hij betast de mouw van een lichte mohairen jas. Op een zekere afstand bedient een verkoper een klant. Met zijn stijve vingers strijkt Lechner over het gladde, glanzende materiaal van de grijze en wijnrode kamerjassen. Aan een stander hangen stropdassen. Pura Seta/Pure Zijde staat op stoffen etiketjes. Lechner neemt een das met blauw-zwart patroon en laat haar in dezelfde jaszak verdwijnen.
    Hij neemt de trap naar de tweede etage. Op de rekken staan blikjes fruit en fijne groenten, potten ingelegde paddestoelen en vruchten, en flessen wijn en spiritualiën. Op grote tafels zijn zoetigheden uitgestald. Achter verlichte glazen vitrines staan in het wit geklede verkopers en die snijden grote hammen in bijna doorzichtige plakken die ze ophouden voor de klanten. Lechner nadert een van de rekken, neemt een blauw blik waarop roze kreeften met lange voelers zijn afgebeeld, en stopt die in een andere zak van zijn jas.
    Hij stapt een roltrap op en daalt af naar de benedenverdieping. Daar loopt hij tussen de rekken op en af, en blijft staan bij de afdeling gereedschap. Hij ziet de blauwe metalen gereedschapskisten, de schroevendraaiers met rode en gele handvatten, de hamers met gladde lichte houten stelen, de naar grootte geordende glanzende moersleutels. Hij ziet een moersleutel die hij nodig heeft, kijkt om zich heen, en stopt hem in zijn broekzak.
    Hij neemt de roltrap naar de begane grond, en kijkt naar de wandklok met rood lichtgevende cijfers. Het verbaast hem dat het warenhuis nog open is. Hij loopt door de brede deur naar buiten en wordt door twee mannen, die links en rechts naast hem opduiken, in zijn gang gehinderd. Ze grijpen hem bij zijn onderarmen, en leiden hem terug het warenhuis in. Daar gaan ze met hem via de trap naar de benedenverdieping Een paar klanten kijken naar hem om. De twee mannen leiden hem naar een kleine kamer. Een van de mannen gaat weg en komt direct daarop terug met een goedgeklede, grijsharige man van middelbare leeftijd.
    We hebben u verschillende keren zien stelen, zegt de zaakvoerder en hij verzoekt Lechner om zijn tas te openen en zijn jas uit te trekken. Wanneer Lechner geen gevolg geeft aan het bevel, rukken beide mannen de windjack van zijn lijf. Ze vinden de parfum, de stropdas en het conservenblik. Dan tast een van beide mannen hem met de handen af en vindt de moersleutel.
    De zaakvoerder vraagt Lechner naar zijn papieren. Lechner geeft hem zijn paspoort. De zaakvoerder kijkt afwisselend naar het paspoort en naar Lechners gezicht.
    Wat doet u hier? vraagt hij.
    Ik wilde een vriend bezoeken, zegt Lechner. Maar mijn vriend woont hier niet meer.
    De zaakvoerder geeft Lechner zijn paspoort terug.
    Aangezien u hier slechts tijdelijk bent, willen we afzien van aangifte. Natuurlijk moet u de goederen betalen, die u hebt ontvreemd.
    Hij gaat met Lechner naar de kassa's van de verschillende etages, waar Lechner betaalt wat hij heeft gestolen. Dan mag Lechner gaan.
    Lechner verlaat het warenhuis niet. Hij neemt de lift naar de vierde etage. Daar kijkt hij over de balustrade in de diepte neer. Hij ziet de verzorgde vrouwen met lange rode vingernagels uit de hoogte. De vrouwen zijn piepklein. Hij ziet de reusachtige, glinsterende kroonluchter die van de glazen koepel hangt. Hij ziet de lichten van een vliegtuig hoog boven zich, aan de andere kant van het glas. Hij neemt de foto uit de binnenzak van zijn windjack, en kijkt naar de vier vrouwen en de man. Hij strekt zijn hand met de foto uit over de balustrade. Hij laat de foto vallen en kijkt ze na.

© Lilian Faschinger, © vertaling Jan H. Mysjkin