


|
 |
Asfaltbloempje
Yorgos Dalman
Ik loop hier, hier ben ik veilig. Op straat, 's nachts, wat
kan mij nog raken? De muren thuis zijn ver weg, te ver weg om mij te deren. Laat ze maar
schuiven en hellen. Ik ben hier. Het is fris. Het regent niet echt, nog niet. Maar
druppels worden je in het gezicht geblazen op iedere hoek van de straat.
Ogen kijken me na. Ogen vol gebluste cokes. Zaadvragende ogen achter
stola's en bontkragen, omgeven door rook en teer. Alleyhookers in geleende tijden.
Uit een steegje kwam zojuist een meisje. Beetje latexding, voorzichtig
nog. Niet te opzichtig, weet je. Ze kunnen je zien zo. Haar ogen leeg, haar lichaam vol.
Een moment, in het licht van de lantaarn, op haar ogen onder het glitter, een blik die
even oplichtte.
Ze verdween om de hoek van de straat. Gemaakt wiegend met haar gemaakte
heupen. Fake elan. Een ander steegje, hetzelfde riool.
Niemand heeft gezegd hoe een leugen eruit moet zien. (Verhuld soms
achter stola's en bont?) De gevels lekken, zwammen kruipen langs de muren
omhoog. Alleen is ook maar alleen, en andere clichés.
Elke nacht is een nieuwe nacht. De stad is nooit hetzelfde. Zij wentelt en draait en opent
zich steeds weer op andere plaatsen. Steegjes ontstaan, straatjes verdwijnen. Je kunt hier
een eeuwigheid lang op dezelfde plaats uitkomen zonder ooit dezelfde richting te zijn
ingeslagen.
Voor de etalage van een elektronicawinkel staat een jongen. Hij is
jonger dan je denkt. Hoewel de winkel gesloten is, staan de televisietoestellen in de
etalage nog aan. Baseball, CNN en videoclips. Glazig staart de jongen naar het gespring
van de meiden. Ze zingen zonder geluid, hun lippen lonken uitnodigend. Wat zou hij ze
graag in een pornofilm bezig zien. Een miljoen voor een facial cumshot met Ginger Spice.
Een politieauto scheurt voorbij, sirenes aan, lichten hard. Een man
springt opzij. Er wordt gelachen. Dertig portieksnuivers op een doodkist, klein folie gaat
van hand tot hand, er wordt geroepen, no big deal.
En ver boven alles hangen de satellieten aan Gods nylondraadjes en
stralen hun boodschappen in de hoofden van de mensen die zich nog op straat begeven, in 99
voorkeurzenders.
Het is koud. Vocht hangt in de lucht. De neonlampen houden de schijn
van warmte op. Loop dicht langs de portiekjes en etalages en je zult niet bevriezen. Kijk
en koop en ontvang een beetje artificiële warmte. Kunstmatige bevrediging. Onbeperkte
garanties op het eeuwige geluk.
Ik houd me merendeels op in het centrum, sla zo hier en daar wat
straten in en begroet een bekende die ik tegenkom. Hij ziet bleek en mager. Zijn neus is
half weggevreten. Hij heeft het koud, zegt hij. Een eigenaardige gloed van neonlampen valt
over zijn lichaam. Vreet, koop, lease! Zo duister als de zijwegen zijn, zo hel verlicht
zijn de winkelstraten.
Iets verderop ligt de oude Rudi Milner op een bankje. Zijn jas vol
gaten. Hij heeft een krant over zich heen gelegd. Maar het regionaal nieuws is te weinig
om hem tegen de kou te beschutten. Doden zijn er talloos maar zij worden verbannen naar
een grafiekje onder aan de bladzijde.
De oude Rudi vertelt aan iedereen zijn naam. En meer, als men blijft
staan. Maar zelden blijft iemand staan. Hoe vaak denkt de oude Rudi aan vroeger? Zijn
armen omklemmen het laatste sprankje weemoed dat hij bezit, red label, 40% vol.
Bright lights, sour times. Een akkevietje op de kruising van
Ruisdael en Schwartzkopf. Ambulanceheren buigen zich over een lichaam. Mensen kijken toe.
Men tilt het lichaam op. Even nog raken haar lange blonde haren het plaveisel. Iemand
huilt. Portieren slaan dicht. Licht flitst op. Blauw, blauw, blauw. Stemmen rondom zoals
zo vaak, maar ver weg.
Ik vervolg mijn weg, mijn radio zoveel mogelijk beschermend tegen het
weer en tegen de verraderlijke adem van deze asfaltjungle.
Iets verderop staat in het rode licht van de verkeerslampen het
boodschappentassenvrouwtje. Ze draagt een wollen muts, Tibet-stijl. Ondraaglijk lang weet
zij daar te staan. Nacht na nacht. En voor de dageraad zit zij weer thuis, opgesloten in
zichzelf.
Ik groet haar kort in het voorbijgaan met een hoofdknik. Zij kijkt
langs me heen, alsof ik er niet ben.
Dan loop ik de Nighthawks binnen. American scène-café. Kille
verlichting. Stijlvol afstandelijk. Open in de kleine uurtjes, de sour times.
'Nice guy' Louie staat achter de tap. Louie draagt zo'n klein wit
rechthoekig mutsje. Altijd wit, geen spatje erop. Zijn zwarte handen schieten routineus
over en weer. In het keukentje staat zijn vrouw. Een mollig lief ding. De geur van
aardappels en vlees komt me tegemoet. Een snelle hap voor de haastige passant. Maar de
mensen die in de kleine uurtjes komen, hebben geen haast. Die hebben alle tijd van de
wereld. Zij gaan nergens heen.
Ik zet mijn radio op de bar en bestel een bourbon.
'Straight up?'
'Zoals gewoonlijk.'
Louie kijkt me een ogenblik onbegrijpelijk aan.
'Wat moet een vent toch met een stropdas en een gettoblaster?'
'Muziek luisteren en er goed uitzien.'
Hij buigt zich iets naar me toe en ruikt overdreven.
'Je hebt anders in geen weken een bad gehad.'
'Ik heb geen zin in gewauwel vandaag.'
Louie wil echter van geen wijken weten.
'Voordat je nog een das koopt, jongen,' vervolgt hij, 'denk er eerst
maar eens over na of je niet ook eens een stuk zeep en een scheerapparaat zult
aanschaffen. Voor als je er echt goed uit wil zien.'
Zo nu en dan vang ik een glimp op van zijn vrouw die in het keukentje
bezig is. Een poos wordt er niets gezegd. Alleen het zware ademhalen van Martha is te
horen. Martha is een van die barbloempjes die urenlang kunnen zwijgen boven een leeg glas.
En maar zielig kijken, hopend op een rondje van het huis of van iemand die het nog goed
met haar voor wil hebben. Ik heb dat soms, maar lang niet vaak.
Dan komen er twee mannen binnen die naast me gaan zitten. Ze bestellen
twee bier en iets zoets voor de lieve jongedame die ze bij zich hebben. Ik bekijk haar
vanuit mijn ooghoeken. Een pro, zonder meer. Maar nog jong. Ze zit er afwachtend bij. Ik
zie haar vaker, meestal zit ze alleen, helemaal aan het einde van de bar. Daar zit ze dan
en wacht ze tot ze aanspraak heeft.
Eén van de 'heren' gaat naast haar zitten en begint met zijn handen
aan haar lokken te zitten. Ze laat het niet toe. Dit spelletje schijnt de snaak te
prikkelen. Even kijkt hij naar zijn maat en lonkt. Ondertussen probeer ik haar in de ogen
te zien, wat niet lukt.
De grote van de twee mannen, die nog steeds naast me zit, spreekt geen
woord, de kleine daarentegen begint een heel verhaal, tegen Louie voornamelijk, hoewel hij
zich soms ook tot mij wendt. Het is een onsamenhangend gebral met veel fucks en shits.
Ik luister maar half, ik heb geen zin in straatrap. Maar het meisje,
zij is zo anders dan de rest. Bij de vleet kun je ze krijgen en bij de vleet kun je ze
weer zien gaan. Zo erop en zo eraf en wat hebben ze je gegeven voor die tien minuten? De
schijn van bevrediging, en nog meer: een flinke migraine nadien.
Zij is zo onberispelijk, zo schoon van binnen. Dat zie je aan de manier
waarop ze even met haar hand door haar haar gaat, een onbeduidend gebaar voor de meesten,
maar zo essentieel voor hen die Zien. Vlekkeloos, onberispelijk. Beauty in the eye of the
beholder.
Zij verdient beter, maar wie zou haar beter kunnen geven? Ik weet het,
hoe mooi zou het niet zijn als iemand haar eens zou benaderen zonder bijbedoelingen? Een
paar minuten om die paar minuten, alleen dat, samen de tijd ondergaan.
Ik leg onwillekeurig een hand op mijn radio. Ik speel met de playknop.
Ik zou haar kunnen benaderen en haar die paar minuten geven.
'Kom jij maar met ons mee, schatje,' zegt de kleine man uiteindelijk.
'Veilig met ons. Al dat ongure volk 's nachts op straat. Daar is niks mee van doen.'
Ik en Louie blijven alleen achter.
'Zo'n lekker ding, hè?' vraagt Louie.
Ik kijk de andere kant op.
'Ik heb je wel zien gluren,' zegt hij.
'O, ja? Heb je dat?'
'Ik neem je niets kwalijk, zo'n nice piece of ass.'
'Dat vind ik nou tof van je, kerel. Het is precies wat ik vanavond
nodig heb, iemand die me niets kwalijk neemt.'
'Ik begrijp jou niet,' zegt Louie.
'Maar je kent me dan ook niet.'
'Misschien niet. Maar je komt hier anders vaak.'
'Dat is juist. Maar maak je niet druk, begrijpen is zo'n groot woord.'
'Gevat, hè? Luister, jongen. Elke nacht kom je hier binnen in je nette
pak en met je radiomachine. Je bestelt een bourbon, blijft een tijd en vertrekt weer.'
'Is dat zo vreemd?'
'Je past niet in de picture, man. Kijk naar hoe je eruitziet. Bij welk
bankfiliaal werk je? En op welke verdieping? Je begeeft je te midden van het scum van de
straat op tijden die voor jou niet hoeven te bestaan.'
'Vanwege de muren, dat heb ik je al eens gezegd.'
'De muren, ach ja, die verdomde muren. Zijn ze er nog steeds?'
'Ze zijn er nog steeds.'
Ik verlaat Louies zaak en slenter wat over straat. Als ik wil
oversteken, komen juist de twee cafégangers van zonet een steegje uitgehold. Voorbij de
muren en het straatlicht hoor ik het omvallen van een vuilnisbak. Ik besluit te gaan
kijken en stuit op het meisje van daarnet. Ze ligt tussen de vuilnis, opgerold in een
dilettante foetushouding. Als ze me ziet staan, veegt ze haar tranen weg.
'Als je daar toch blijft staan kijken, schrijf dan maar meteen een
gedicht over mij.'
Ik wil op haar toelopen, de hand uitgestrekt. Maar ze duwt me bruusk
uit de weg en strompelt naar de straat.
Wacht even, wil ik zeggen. Maar ik zeg alleen: 'Hé!'
Ze draait zich om, de handen in de zij. Voorzichtig loop ik naderbij.
Ik kijk wat rond. Links en rechts vooroverhellende muren. Zwartglanzend, stinkend. Ik
krijg het benauwd. En omdat ik niks zeg, loopt zij weer verder. In een paar seconden zou
zij weer op straat zijn, omgeven door het neonlicht van de winkels. Dan zou ik haar kwijt
zijn geraakt. En zij mij.
'Wacht.'
Ik trek mijn portemonnee, een universeel gebaar in een wereld als deze.
Troost in een handpalm. Een schouder tussen duim en wijsvinger.
Maar zij haalt demonstratief haar neus op en spuugt op de grond.
'Ik ben net afgewerkt zoals je wel ziet, weirdo.'
En ze draait zich om.
De hele stad staat op springen. Stoom sist van de daken en
uit de regenpijpen. Het water dampt van het asfalt en maakt de straten heiig. En te midden
van dat alles duikt een naam op. Een onbekende naam. Hij is daar, Hij is het gefluister
van oor tot oor, Hij huist in de blikken die gewisseld worden op de hoek van de straat,
Hij is de prooi van gegis en vervloekingen. Maar Hij lacht wanneer het regent en de
laatste seconden zijn weggetikt. Hij is de Jager van tijd.
Zoveel is er om niets te doen geweest. Wolken janken gierend
boven ons. Alles is versteend. En het is enkele regendagen later.
Martha zit in een hoekje en staart afwezig naar haar bord chili. Ik
bekijk Louie in zijn witte outfit.
'Je lijkt op een arts.'
Louie lacht en schudt zijn hoofd.
'Heb ik dat al eens eerder gezegd dan?'
'Zowat honderd keer.'
Ik knik en kijk in mijn glas.
'Dat is veel.'
'Een arts in het mortuarium zeker,' vult Louie aan. 'Elke nacht bevind
ik me tussen de doden.'
'Vind je?'
Met een doekje gaat hij over de bar.
'Op dit tijdstip leeft niemand.'
'Louie, je zit vol met shit,' mokt Martha vanachter haar glas.
Louie knikt even vriendelijk. Ik vraag Martha of ze iets van me wil.
Beschermend slaat ze haar handen om haar glas.
'Van jou niet, jongeman,' zegt ze. 'Kijk naar die verdomde radio van
je. Lelijk ding, kijk eens naar al die krassen.'
'Ja, hoe komt dat?' vraagt Louie vermakelijk.
Ik haal mijn schouders op.
'Komt door de stad.'
'Door de stad?'
'Vroeg of laat sla je wel ergens tegenaan.'
Louie lacht.
'Heb je de krant gelezen?' vraagt hij.
'Ik lees geen kranten.'
'Wel, heb je het gehoord dan?'
'Ik luister nooit.'
Louie schuift een bourbon naar me toe.
'Vrouw doodgevonden op straat. Gevallen waarschijnlijk, van hoog. Hier
vlakbij.' Hij hangt een theedoek over zijn schouder. 'Deze stad vernietigt zichzelf nog
eens. Nieuw jaar betekent alleen nog maar een schone lei voor alle ellende hier. Stel je
voor, je bent alleen, je bent buiten, iemand kruist je pad, zovelen kruisen dagelijks je
pad, maar deze ene keer is het iemand die je niet goed gezind is. Zomaar, niet omdat hij
iets tegen je heeft, hij kent je immers niet, maar gewoon, voor de lol, voor het geld. En
alles stort in elkaar.'
Martha kijkt naar de krant die Louie voor zich heeft liggen.
'Die is van gisteren.'
'Dat maakt het nieuws niet minder erg.'
'Maar wel gedateerd.'
'Ach,' zeg ik, 'wat maakt het ook uit? Het idee dat elke volgende dag
daadwerkelijk iets nieuws brengt is een illusie.'
'Er breken nieuwe oorlogen uit,' probeert Louie mij af te troeven.
'Maar om eeuwig dezelfde redenen. Nieuwe mensen, dezelfde stompzinnige
idealen. En voor wat? Voor een handje vol geloof.'
'Of geld.'
'Denk je soms dat er verschil is?'
Dan komt zijn vrouw binnen. Wat is haar naam ook alweer? Ze ziet ons
praten over de berichten in de krant. Ze schudt haar hoofd, zet een uitsmijter voor me
neer en verdwijnt weer.
'Elke keer als zij zoiets hoort, moet ze denken aan onze eigen
dochter,' zegt Louie. 'En dan wil ze het liefst meteen naar huis gaan en haar ter plekke
doodknuffelen.'
'Het grote dilemma, vasthouden of laten gaan, niet?'
Louie knikt.
'Hoe oud is ze?'
'Negentien.'
Ik kijk naar buiten. De regen is opgehouden. Ik sla mijn bourbon
achterover en het valt me opeens op hoe het licht zich aan Louies hoofd hecht. Als een
aureool. Ik sta op en betaal.
'Ik vergis me,' zeg ik. 'Je lijkt net een engeltje.'
Louie tikt met zijn vingers tegen zijn hoofd als groet.
'Altijd vreemdeling, altijd.'
En dan zie ik haar ineens weer lopen. Ze beweegt zich aan de overkant van de straat langs
de etalages. Ze loopt langzaam, alsof ze wacht. Ze spreekt iemand aan maar die loopt door.
Voorzichtig loop ik op haar af, langzaam, niet overhaast. De radio in mijn hand ruist. Dan
blijf ik staan. Ze heeft beet. Een man praat met haar. Schichtig kijkt hij om zich heen.
Dan lopen ze samen verder. Ik volg ze, op een afstand. Ik kan gerust wat achterblijven, ik
weet toch wel waar ze zullen eindigen.
Ik verschans me achter een paar grote kisten en probeer de duisternis
te doorgronden. Maar het licht van de straat reikt niet ver genoeg. Ik kan alleen op de
geluiden afgaan die het steegje loslaat. Alsof de stad ademt. Korte astmatische stoten.
Dan loopt de man me haastig voorbij terwijl hij zijn broek optrekt en
verdwijnt om de hoek. Zij blijft achter. Ze zal haar kleren goed doen, alles in de plooi
trekken. Er weer even gaaf uitzien als voorheen.
Wanneer ze me wil passeren, kom ik vanachter de kisten tevoorschijn.
'Jezus, man! Rot op!'
'Sorry. Neem me niet kwalijk.'
'Zeker wel, tot de hel en weer terug.'
'Ik wilde je niet laten schrikken. Wacht, ik kom voor jou.'
Ze kijkt me vluchtig aan.
'Ben jij niet die weirdo van gisteravond?'
'Kan zijn. Er zijn zoveel weirdo's.'
'Waar is die radio voor?'
'Voor muziek.'
'Bijdehand persoontje, niet?'
'En wat ben jij, miss Einstein?'
'Ik ben maar een vijftig-gulden-hookertje.'
'Dat is omdat je mensen maar vijftig gulden laat betalen. Vraag honderd
en je stijgt in aanzien.'
'Maar wie wil dat betalen, stumperd? Je bent niet wat je vraagt, je
bent wat je krijgt. Dat is een geeltje voor een blow-job en een halve meier voor een wip.
Meer niet.'
Ik haal geld tevoorschijn. Grof geteld een rug.
'Waar is dat voor?'
'Voor jou.'
'Lazer op.'
'Ik ben rijk, rijker dan je denkt.'
'Wat doe je dan hier op straat?'
'Weg zijn van thuis.'
'Waarom?'
Ik kijk even om me heen.
'Moet je dat weten?'
'Nee, geenszins.'
'Ik heb een behangfobie.'
'Een wat?'
'Ik ben allergisch voor muren. Alles komt op me af, links, rechts,
overal. Overdag slaap ik, daglicht maakt alles weidser, wat meer afstandelijker. Het is te
verdragen, niet veel, maar genoeg voor een paar uur rust.'
Ik merk de gêne en doe het geld weer in mijn zak. Ik weet niet wat ik
moet doen. Haar met rust laten misschien. Ik maak aanstalten om weg te gaan.
'Ik heb ook een behangfobie,' zegt ze plotseling en ze kijkt langs me
heen. 'Voornamelijk omdat vader mij er tegenaan gooide. En daglicht was afschuwelijk, ik
zag mezelf steeds naakt onder hem liggen. Daarom hou ik van de nacht, wie je ook neemt,
het is donker in de steegjes, je ziet niemand. Het kan iedereen zijn. Jan Modaal bij
toeval.' 'En nu?'
'En nu wat?'
'En wat doe je nu, met je leven?'
'Dat zijn jouw zaken niet.'
'Ambitie is jou vreemd, is het niet? Je gelooft niet meer dat zoiets
voor jou is weggelegd. Geen uitweg meer, geen doorgang tot een normaler leven. Jouw enige
wens is ooit nog eens een bordeelhoer te worden, weg van de straat, veilig in de armen van
één of andere sicko pimp.'
'Ik hoef hier niet naar te luisteren.'
'Nee, dat hoef je ook niet. Niemand zal je dwingen.'
'Wat is het dat je wilt?'
'Ik wil je betalen.'
Ik haal het geld weer tevoorschijn. Nog meer.
'Tweeduizend gulden.'
'Is dat echt geld?'
'Geld is nooit echt.'
'Voor wat in godsnaam?'
'Voor een paar minuten. In het donker, zodat je me niet hoeft te zien.
Laat mij voor twee miezerige mille eenmaal de vreemdeling zijn, de man in de straat. Jan
Modaal bij toeval.'
Even twijfelt ze. Dan gaat ze door de knieën.
'Nee, wacht. Hier niet.'
Ze kijkt me bevreemd aan, ze heeft iets kinds, zoals ze daar beneden
mij zit.
'Sta op. Eerst gaan we ergens anders heen. Waar meer ruimte is.'
Ik kijk om me heen. En dan omhoog.
'Er is hier een brandtrap,' zeg ik.
'Wou je naar boven?'
Ik knik.
'Het dak. De muren hier, weet je.'
Ze kijkt naar het geld in mijn handen.
'Kom,' zeg ik. Ik merk opeens hoe vastberaden ik klink.
En ze volgt me. Het is moeilijk klimmen met mijn radio maar het lukt. Het
lukt zoals altijd.
'Welk gebouw is dit?' vraagt ze.
Er staat een straffe wind hier. Ze hipt ongeduldig van het ene been op
het andere en slaat zich warm.
Ik kijk over de rand, over de straten beneden ons. De kleine lichtjes,
de mensen. Eén groot diep gapend gat waarin iedereen verdwijnt.
Look, ma! Top of the world!
'Hé!' sist ze verontwaardigd.
Ik stel haar gerust. Alles is goed nu. We zijn veilig hier, weg van
alles. Zij zakt door haar knieën en legt een hand op mijn broek.
'Dat niet,' zeg ik.
Weer kijkt ze naar me op. Weer is ze zo klein, daar beneden me. Hoeveel
kleiner kan ze nog worden?
'Wat wil je dan?'
Ik loop naar mijn radio die nog bij de trapreling staat. Mijn kleine
gettoblaster. Ik zet muziek aan. Portishead. All mine.
'Kun je het een beetje aanvoelen?'
Ze kijkt me aan zonder iets te zeggen.
'De swing,' zeg ik. 'De beat, de moves.'
'Een beetje.'
'Dan leid jij.'
'Dat kan ik niet.'
'Probeer het.'
'Dit is belachelijk.'
'Wat ik ervoor betaal ook.'
'Waarom niet gewoon een blow-job?' vraagt ze.
'Je mist de essentie.'
'Is dat zo?'
'Ja,' zeg ik, 'dat is zo.'
Had ik een moment gezien? Een ogenblik waarop ze zich verloor? Waarop ze zich veilig
waande in mijn armen? Haar verlies was gekomen. Tussen de voorzichtige pasjes door, links,
rechts, terug.
Het was volbracht. De overgave was volledig. Ze had me aangezien en
haar ogen hadden gezegd: help mij. En ik had me iets naar voren gebogen voor een kus.
Voorzichtig, om haar niet te laten schrikken.
En toen had ze zich van me losgemaakt.
'Kus me niet,' had ze gezegd. 'Wat dacht je, wou je soms een romance?'
Ze had zo beheerst geklonken. 'Ik kus nooit. Ook niet voor twee mille.'
Ze was naar de rand van het dak gelopen en had mijn radio
uitgezet. En daarna had ze gezegd: 'Je tijd is om.'
Ja, tijd is om. Onherroepelijk, voor iedereen.
Ik zit aan de bar en beklaag me bij 'nice guy' Louie over de felle verlichting. Hij haalt
zijn schouders op en mompelt iets van: 'So they come, so they go.'
'Ja,' zeg ik, 'en andere clichés.'
'Waar is je gettoblaster, jongen?'
'Op reces. Bij de reparateur.'
'Los rouletje?'
'Beetje uitdeuken, schoonmaken.'
'Alweer?' bromt Martha ergens aan de zijkant.
Louie draait zich van me weg en neuriet wat. Altijd hetzelfde deuntje.
Soms zingt hij het hardop, hoewel binnensmonds, en dan versta ik altijd dezelfde woorden:
'Till the end of time...'
En ik zeg: 'Het is pas gedaan als de vette dame haar aria gezongen
heeft, Louie.'
'Dat is het zeker, broeder.'
Er komt een onwaarschijnlijk dikke man binnen die zich met moeite op
een barkruk hijst. Jas over de arm. Geblokt overhemd, vuile kraag, suspenders. Hij bestelt
afwezig een snelle maaltijd en leest ondertussen de berichten.
Mijn gedachten dwalen af naar de laatste kruk aan de bar. Daar zou zij
kunnen zitten. Met een zorgvuldig geënsceneerde glimlach naar haar cliëntèle toe. Het
geduld waarmee ze de mannen die als schooljongens aan haar zitten van zich afduwt.
Louie spreekt ons toe: 'Laatst zag ik een man lopen, ik was op weg
hiernaartoe. Een beetje kalende man, liep wat voorovergebogen. Met achter hem aan een
opgeschoten dametje, lang blond haar, etcetera. En hij maar roepen: sodemieter op,
sodemieter op! En zij maar aan hem blijven trekken. Wat moet ik met jou? riep hij
alsmaar.'
'En toen?'
'Hij bleef even staan, er vielen enige woorden, ik kon ze niet
verstaan, toen liep hij verder met haar weer achter zich aan.'
Martha snuift een paar keer diep en kijkt in haar lege glas. Dan zegt
ze: 'Ik zag diezelfde vent later een plunge maken uit het bovenste raam van Van Lancet
Bankiers in de Schwartzkopflaan hier verderop. Dat verdomde filiaal is flink hoog. Dertien
etages. Goed voor nekwervelmoes. Iedereen die daar springt, springt vanaf de dertiende
verdieping.'
'En hoe weet jij zo zeker dat het dezelfde man was?' vraagt Louie
terwijl hij nog eens voor haar inschenkt.
Martha haalt haar schouders op. Ze kijkt wat beteuterd naar het zuinige
bodempje. Dan wendt Louie zich tot mij en vraagt met een knipoog: 'En wat zeg jij hiervan,
vreemdeling?'
'Ik kan zeggen dat ik daar heb gewerkt, bij Van Lancet Bankiers,' zeg
ik, 'als afdelingsmanager, en dat die puinhoop toch echt niet hoger reikt dan een
verdieping of zes, zeven.'
'Niet hoog genoeg om God van zijn troon te stoten, hè?'
'Nimmer, Louie.'
'Maar nog steeds hoog genoeg voor nekwervelmoes,' mokt Martha. Ze
schuift ongeduldig met haar glas om ons te laten zien hoe leeg het weer is.
'Geef haar er maar een van mij,' zeg ik tegen Louie. 'En doe mijzelf
dan maar de rekening.'
Naast mij zit de dikke man nog altijd onverstoord zijn krantje te
lezen. Hij heeft zijn maaltje inmiddels voor zich gekregen. Koffie, zwart. En rood vlees,
veel rood vlees. Slecht doorbakken. Onverteerbaar kankervreten. Fast food, slow death. En
niemand die het wil weten.
Misschien zou zij binnenkomen, nu. Het is ochtend, normaal gesproken
zie ik haar alleen in de nacht. De verrukkelijke nacht waarin haar gezicht steeds weer
anders is. Maar misschien dat zij nu binnen zou komen en weer gaan zitten aan het einde
van de bar. Haar ogen zouden zwak oplichten in het felle tl-licht. Ze zou iets bestellen,
een glas melk of zo. Of ze zou iemand bij zich hebben die iets voor haar zou bestellen,
iets zoets waarschijnlijk. En daarna zou hij met zijn hand langs haar rug gaan, of die op
haar knie leggen. En even knijpen. En zij zou die speels wegduwen. Zaken zijn zaken. Eerst
het slijk. Dan de keuze. Nice 'n' quick of all the way.
En als de klant zijn keuze kenbaar heeft gemaakt, zou ze opstaan,
langzaam, alsof niets ertoe doet, alsof wat komen gaat ginds in het steegje, alleen
bijzaak is, iets waar ze zelf maar toevallig bij zou zijn. En dan zou ze even kijken, even
opkijken naar mij misschien. Misschien. Of niet. Wie herkent ze bij het ochtendgloren nog?
Wie zou ze nog willen kennen? Wij, de doden, zijn er niet voor haar plezier.
'Nice piece of ass,' zou Louie zeggen als de deur achter haar zou zijn
dichtgevallen.
En dan? Wat dan? Iets terugzeggen, terloops, alsof het er eigenlijk
niet toe doet.
'Sommige dingen veranderen niet, Louie.'
Zoiets.
De man legt zijn krant neer, rekent af en verdwijnt. De koppen voor me
schreeuwen me toe maar ik lees ze niet. Ik wil niet weten van de berichten om mij heen,
van de dingen die veranderd zijn sinds gisteren. Wat er om me heen is overgebleven, zal ik
wel zien wanneer ik dit glazen pand verlaat en de straat weer op ga.
Ik sta op en groet de lui. En buiten weet ik één ding zeker. Ik zal
niet meer aan haar denken. Nooit meer. Niet aan die nacht en de ochtend die daar
genadeloos op gevolgd moest zijn. Ik wou niets weten van het regionale nieuws waar de oude
Rudi Milner zich zo graag mee toedekt, om te kunnen constateren dat er die nacht weer een
leven vernietigd was, een wezentje dood, gevallen over de rand van de afgrond.
Ik sla de Van Gasterenstraat in. Ik ben benieuwd waar ik nu weer zal
eindigen.
'Hoe is het leven?' vraagt de oude Rudi aan het
boodschappentassenvrouwtje.
Zij staart langs hem heen en zegt niets. De oude Rudi weet niet dat zij
doof is. Korzakow is het troetelnaampje van Damocles' zwaard. Je lacht erom, wat kan je
anders?
Leven, if there ever was.
Elke nacht sterft er een klein wezen zoals jij aan een overdosis ellende. Een shot te
veel, een opengesneden ader. Een duik van zoveel hoog in de onmetelijke afgrond die 'stad'
heet. Mogelijkheden te over. En wie zal er om je rouwen? De broeders die je van het
plaveisel schrapen? De anatoom-patholoog die een blik in je ingewanden werpt? De mannen
die je as verstrooien? God, wie?
Alles heeft hier een eeuwigheidswaarde, zo echt als de
miezerige regen om mij heen. Een polaroid van vergankelijkheid, helemaal tot aan de
morgenstond, de tumor van de nacht, wanneer het rumoer eindelijk even afneemt en de fake
dauw over de stad valt.
En dan? Je wordt wakker. Je constateert dat je nog leeft en dat er
niemand is om goeiendag tegen te zeggen. En waar is de koffie?
De neonlampen doven. Kleur valt weg. Het asfalt dijt uit, het kruipt
naar de zijkanten tot de trottoirs in het gedrang komen.
Vijf minuten had ik gedanst met een straathoertje. Slowdance in the big
city. Het had geregend. Ik had op haar glanzende lichaam neergekeken. En gezegd:
'Bedankt voor de regen.'
|
|