


|
 |
Arend (een romanfragment)
Stefan Brijs
Er was nauwelijks volk op de speelplaats toen Arend en zijn
moeder die decemberochtend op school arriveerden. Een magere jongen stond in een doel en
probeerde de voetbal te stoppen die een andere jongen naar hem trapte, drie kleuters
renden achter elkaar aan en twee meisjes van een jaar of tien maakten onder een afdak een
praatje met de schooljuf.
'Vooruit, ga maar spelen,' zei Anna toen haar blik die van de juffrouw
ontmoette en gaf Arend een por in de rug, zodat hij een metertje naar voren struikelde.
De juf brak het gesprek met de meisjes af en liep naar de moeder en het
kind toe, die zij nooit eerder had gezien.
'Arend,' riep Anna zodra de juf naderbij was gekomen, en ze wees naar
haar zoon. 'Ik kom hem vanavond oppikken. Moet nu dringend weg.'
Zonder op een reactie te wachten draaide ze zich om en verdween door de
schoolpoort, nagekeken door Arend, die in zijn ene hand een broodtrommeltje hield en in de
andere een kartonnetje melk.
Hij was die dag tweeënhalf jaar oud geworden. Al vanaf de vroege
ochtend had hij gemerkt dat er iets aan de hand was. Hij was eerder gewekt dan anders
het was nog donker in zijn kamer en zijn moeder verkeerde in een abnormale
uitgelaten stemming. Tijdens het ontbijt hoorde hij haar meermaals zeggen dat hij
eindelijk naar school ging, maar wat ze daarmee bedoelde wist de jongen op dat ogenblik
niet en het kon hem ook weinig schelen. Pas toen zijn moeder hem zijn jas aantrok, een
muts met oorkleppen op zijn hoofd zette en samen met hem de flat verliet, begon hij
nieuwsgierig te worden, een nieuwsgierigheid die naargelang ze verder van huis kwamen,
veranderde in opwinding.
Van opwinding was er echter geen sprake meer toen hij op de speelplaats
stond en zijn moeder zag vertrekken. Nooit had hij het erg gevonden wanneer zij hem thuis
alleen achterliet, maar nu, in die grote, kille, open ruimte, werd hij overmand door een
angst die hem vreemd was.
'Arend?'
Geschrokken wendde hij zijn ogen van de poort af. Voor hem stond een
onbekende vrouw, die het hoofd licht gebogen had en een bril droeg.
'Kom je mee?' Ze stak haar hand uit. Smalle, bleke vingers had ze. Twee
ringen.
Arend bewoog zijn handen niet, keek nogmaals achterom.
'Je moeder komt je straks halen. Kom nu maar spelen.'
De hand die zich om zijn pols sloot, voelde koud aan.
'Kom, je hoeft niet bang te zijn. Je bent toch al een grote jongen.'
Nu richtte hij zijn blik opnieuw op de juf en vond zichzelf tweemaal
weerspiegeld in haar bril. 'Grote jongen' echode in zijn hoofd. De juf glimlachte en trok
aan zijn arm.
'Kom, grote jongen!' zei ze nadrukkelijk. Haar woorden namen de vorm
aan van een wolkje dat wegdreef in de lucht.
'Rote jongen,' herhaalde Arend zachtjes voor zichzelf en hij volgde
haar.
Terwijl ze samen voortliepen, nam hij de omgeving in zich op. Links en
rechts van hem rekte een gebouw met grote ramen zich over de hele lengte van de
speelplaats uit. Als een zonneklep aan een pet stak aan een van de gebouwen een afdak naar
voren. Eronder stond een met gekleurde peertjes versierde spar, waarop zijn blik strandde.
Een plotselinge vreugdekreet trok toen zijn aandacht. In het midden van de speelplaats had
een jongen de armen juichend in de hoogte gestoken. Tegenover hem, in het netloze doel,
draaide zijn speelmakker zich om en keek de voetbal na die naar Arend rolde.
'Hé dikke, trap die bal eens terug!' Met grote gebaren zwaaide de
jongen naar hem.
'Erik!' riep de juf. 'Zoiets zeg je niet!'
De bal stopte net voor Arends voeten. De andere jongen was intussen ook
in het doel komen staan, sloeg zijn arm om de schouders van zijn vriend en zei iets in
diens oor.
'Trap maar!' knikte de juf Arend toe.
Hij aarzelde. Om de bal kon hij niet heen, want de juffrouw hield zijn
lichaam te dicht tegen haar aangedrukt, en eroverheen stappen zou hem helemaal niet
lukken.
'Toe, trap dan!' zei ze en ze gaf een rukje aan zijn pols.
In een trage beweging ging zijn linkerbeen naar achteren. Zijn tot
spleetjes toegeknepen ogen waren gericht op de bal. Zijn mond vertoonde een vreemde trek.
Hij zakte lichtjes door zijn rechterbeen en haalde toen uit. Zijn linkervoet ketste af op
de bal en schoot erover weg. Hij voelde hoe zijn lichaam naar achteren helde, liet zijn
broodtrommel los, graaide met zijn hand naar houvast en kon zich nog net overeind houden
aan de arm van de juf. Zijn broodtrommel kletterde op de grond en sprong open.
In het doel begonnen de jongens te gieren van het lachen. Verderop
waren nu ook de spelende kleuters tot stilstand gekomen en van onder het afdak snelden de
twee meisjes naar voren om maar niets van het schouwspel te hoeven missen. De juffrouw
bukte zich, mompelde iets, raapte de bal op en beende op de jongens af, Arend bleef
verweesd achter. Zijn kakikleurige muts was scheefgezakt, zodat één oorklep tot over
zijn wang was verschoven, terwijl aan de andere kant van zijn hoofd zijn oor was
vrijgekomen, waarin de ijswind begon te peuteren. Een rilling ging door hem heen. Zijn
mond volgde traag de beweging van zijn muts. Zijn ogen werden vochtig.
'Hé jongen, je moet niet huilen!'
Een van de meisjes was voor hem gaan staan en trok zijn muts recht. Het
andere loerde over de schouder van haar vriendin mee. In haar donkerblonde haar had ze
vier staartjes gemaakt die elk een andere kant uit wezen. Haar mond hing halfopen, aan
haar tanden waren zilveren blokjes vastgevroren.
'Moet je kijken, Sofie,' fluisterde ze, 'zijn mond zit nog vol
chocopasta.'
Sofie porde haar vriendin met haar elleboog in de buik. 'Stil toch! Zie
je niet dat je hem bang maakt! Raap jij alvast zijn boterhammen op!'
Ze wendde zich opnieuw tot Arend, die ongeveer anderhalve kop kleiner
was en aarzelend omhoog keek. Haar spitse gezicht, waarlangs spierwitte haren sluik
afhingen tot op haar schouders, danste boven zijn hoofd.
'Hoe heet jij, jongen?'
'Billie Turf!' grinnikte het andere meisje, dat nu op haar hurken zat
en met de rug van haar hand het vuil van een boterham veegde.
'Jeezes, Ellen!' riep Sofie streng en ze proestte het toen uit, waarbij
ze haar vriendin een flinke duw in de rug gaf, zodat die voorover tuimelde.
'Jakkes, moet je nu zien!'
Ellen kwam overeind en trok een vies gezicht. Aan de binnenzijde van
haar hand kleefde een stuk boterham, geplet tot een bruinige moes. Ook op de grond, naast
het deksel van de broodtrommel, lag een uitgesmeerd stuk. Sofie begon nog harder te
lachen, maar stopte meteen toen Ellen gebaarde dat de juffrouw naderde. Alsof het
afgesproken was, bukten de twee meisjes zich tegelijkertijd en graaiden de boterhammen en
de broodtrommel van de grond.
'We hebben zijn boterhammen opgeraapt, juf,' zei Sofie trots, terwijl
Ellen achter haar rug de resten chocopasta van haar hand veegde. 'Mogen wij nu met hem
spelen?'
De juf knikte.
'Als jullie maar goed op hem letten. En hem niet plagen.'
'Nee, juf!' zeiden de meisjes in koor en posteerden zich aan
weerszijden van de jongen.
'Kom... hoe heet-ie, juf?' vroeg Sofie.
'Arend.'
'Arend?'
Traag maakte de juffrouw opnieuw een knikkende beweging met haar hoofd
en nam daarbij de jongen van top tot teen op. Vier, misschien vijf jaar oud, schatte zij
hem, althans op basis van zijn grootte, want uit de rest van zijn postuur kon ze geen
leeftijd opmaken. Nog nooit had ze, in al die jaren dat ze les gaf, een kind gezien met
zo'n buitensporig figuur. Aan alle kanten puilde zijn lichaam uit. De vorm van de muts
verraadde de enorme schedel die eronder schuilging, de wangen stonden bol, alsof er een
wintervoorraad voedsel in was opgeslagen, en de hals en de schouders vormden samen een
breed juk dat zwaar om te dragen moest zijn. De gezwollen borst en de dikke buik waren
verpakt in een nauwsluitende zwarte anorak, zijn benen in de gespannen donkerblauwe
joggingbroek waren kromgetrokken blokken onder zijn loden bovenlichaam en zijn voeten
staken in rubberen regenlaarzen, eveneens donkerblauw van kleur.
'Kom, Arend, volg ons.'
Volkomen in de war door alle aandacht die hij kreeg, ging hij willoos
op de uitnodiging van de meisjes in, die met hun neus in de lucht naast hun verovering
opliepen. Met veel moeite slaagde hij erin hun passen bij te houden.
Een paar minuten later zat hij ineengedrongen naast de witgeverfde
lijnen van het voetbalveld op een bank, nog steeds geflankeerd door zijn twee lijfwachten,
die elk een arm in de zijne hadden gehaakt. Voor hen verdrongen zich enkele andere
meisjes. Met haar vrije hand hield Sofie ze op afstand.
'Wij hebben hem van de juf gekregen en niemand mag aan hem komen,' zei
ze op een toon waar niemand iets tegenin kon brengen.
'Zijn naam is Arend,' sprong Ellen bij, 'en hij heet zo omdat hij heel
hoog kan vliegen.'
Even richtte hij zijn hoofd op.
'Nou, dat wil ik dan wel eens zien.' Met de handen in haar zij ging een
opgeschoten meisje met een jongensachtig kapsel uitdagend voor het drietal staan. Achter
haar werd geduwd en getrokken, gejoeld en tegelijk tot stilte gemaand.
'Vandaag niet, Sarah,' antwoordde Sofie kordaat. 'Hij is nog wat
verlegen, want het is zijn eerste dag.'
'Maar als je wilt, mag je eens aan zijn vleugels voelen,' zei Ellen
meteen daarop en ze zag hoe Sofie naar voren boog en haar met een vragende blik aankeek.
Arends kleine ogen flitsten van het ene gezicht naar het andere. Hij herkende sommige
woorden, maar begreep niet wat er gezegd werd. Het enige wat hij besefte, was dat hij in
het middelpunt van de belangstelling stond, een plaats die hem volstrekt niet vertrouwd
was. Hij voelde zich onwennig en was liefst meteen weggevlucht, maar durfde zich niet te
verroeren uit angst nog meer de aandacht te trekken.
Sarah zette een stap naar voren, stak haar hand uit en zei: 'Vleugels?
Ik geloof er niets van. Laat mij dan maar eens voelen.'
'Wacht!' Sofie sprong overeind en plaatste zich tussen Arend en haar
opdringerige klasgenote in. 'Hij moet eerst gaan staan.' Ruw griste ze de broodtrommel en
het kartonnetje uit zijn handen en legde ze naast hem op de bank. Toen sloot ze haar beide
handen om zijn rechterbovenarm haar vingers kwamen er amper helemaal omheen.
'Blijf daar niet zo stom zitten! Help mij!' riep Sofie tegen haar
vriendin.
Zonder aarzelen volgde Ellen het bevel op en samen trokken ze de jongen
overeind en draaiden hem met de rug naar de omstanders toe. 'Komt dat
zien! Komt dat zien!' riep Ellen.
'Nee, nog niet! Hij moet óp de bank!' zei Sofie.
Nu voelde Arend hoe een hand zijn been van achteren vastgreep, optilde
en naar voren bewoog tot zijn knie de bank raakte. Een andere hand drukte tussen zijn
schouders en verplichtte hem te buigen en ook zijn handen op de bank te plaatsen. Nog een
hand betastte zijn andere been.
'Kruip er dan op, mus!' Sofie gaf hem een klap op zijn bolle zitvlak.
Zijn broek was omlaag verschoven, zodat een glimp van de spleet tussen zijn bleke billen
zichtbaar was. Aan de andere kant van de bank had zich intussen ook een groepje meisjes
verzameld, dat nu begon te giechelen. Arend verstarde. Hij had dat soort gelach vaker
gehoord, uit de mond van zijn moeder, wanneer zij hem treiterde en hij daar angstig op
reageerde.
Opnieuw waren er toen handen, deze keer onder zijn oksels. Zijn twee
lijfwachten waren op de bank gaan staan en begonnen hem kreunend en blazend de hoogte in
te sleuren. Toen hij eindelijk stond, sprongen ze weer op de grond en wezen naar hem,
alsof hij net een kunstje had uitgehaald en een applaus verdiende.
Maar er kwam geen applaus, want op dat ogenblik ging de bel. Arend
schrok van het korte, schrille geluid, dat ook op de omstanders een vreemd effect bleek te
hebben. Als verstijfd door de meedogenloos koude wind bleven ze allemaal plotseling
roerloos staan. Zelfs hun stemmen waren in een mum van tijd bevroren, alleen hun ogen
bewogen nog, snel van links naar rechts en terug. Vanuit zijn positie kon hij een groot
gedeelte van de speelplaats overzien en voor het eerst viel het hem op dat er veel meer
kinderen waren dan de groep die zich rondom hem verzameld had. Overal stonden ze, in alle
kleuren en maten, een voor een vastgenageld aan de grond, in een onnatuurlijke stilte.
Toen klonk er een tweede belsignaal, dat alles opeens weer tot leven
wekte, behalve de stemmen, die verstomd bleven. En Arend, die te bang was om zich te
verroeren, te geschokt om te huilen. Traag verplaatste iedereen zich in de richting van
het afdak, zonder de verstarde jongen nog een blik waardig te gunnen. Toen alle kinderen
in een rij hadden plaatsgenomen, stond hij nog op de bank in het midden van de
speelplaats, waar hij in het oog sprong als een schandpaal op een dorpsplein.
|
|