


|
 |
Ars Vivendi
Jan de Leeuw
Aars. Ik hou wel van aars. Het begint zo rond
en open, vol verwachting, de aanloop tot een kreet, en dan dat versmallende uiteinde, die
r die rolt, trilt, spasmodisch schokt als een endeldarm, om dan te eindigen in een
zweepslag, een spuugdraad van wit zaad, verschoten, op, slap en uitgelopen.
Reet heeft soms mijn voorkeur. Een harde spleet, een gleuf, een wakke
plek tussen twee harde billen van letters, links en rechts oprijzende welvingen. Die
vieze, voze klank van de ee, die benepen plat gillende ee, afgehakt door die t, klaar om
weer dicht te glippen, de lippen over de intrusie te schuiven.
O, maar hol, met die pulserende O.
Het was onvermijdelijk dat ik ging afzakken naar die voor mij met
mysterie beladen plek. Het gezicht ging me vervelen, het zei me niks meer, het leek zo
banaal. De tijd van de Holbeins is voorbij. Wratten worden weggebrand, haartjes
geëlektrocuteerd, rimpels uitgerokken, lippen zwellen, neuzen krimpen. Zelfs de ogen,
waar het venijn meestal het langst in blijft hangen, verkleuren, vergrootten, verwitten.
Is persoonlijkheid een zonde?
Het zijn verzuchtingen van een kunstenaar, en eenmaal op mijn paard sla
ik op hol, maar verdomme toch, mocht het nog iets origineels opleveren. Nee, ze willen er
allemaal identiek uitzien, en stilaan word ik omringd door een kloontjesvolk. Waar ben je
dan nog, tussen die stereotiepe blinden? Waar moet éénoog het nog gaan zoeken? Waar
bengelt hun ik?
Aan hun lijf? Handen en voeten? Ik raak er niet opgewonden van. Genoeg
voorbeelden, daar niet van. Schetsboeken vol, van de grootste kunstenaars, ze hebben zich
voorzien van Zen-boeddhistisch applaus door de eeuwen heen. Maar ik zie enkel een hoop
kootjes en spieren, en hier en daar een verveeld gehamerde spijker.
Maar de reet, die is nog onontgonnen, daar hebben slechts weinigen zich
over gebogen. Het gat, de laatste fysieke wijkplaats van het menselijk karakter. Ik geef
toe, het idee deed me ook vreemd aan toen het me te binnen schoot. Maar toen het kwam,
kwam het dan ook als een openbaring.
Ik was in die tijd geobsedeerd door de subversie van de roem. Hoe ik
daartoe gekomen was, zou me te ver leiden. Het zijn van die dingen die stilaan groeien als
een zweer op je ziel, en als ze openbarst, kan je als kunstenaar maar beter volgen, het
proces gadeslaan. Ik geloofde toen, en nu nog ongeveer, dat een mens, als hij plots wordt
blootgesteld aan roem, begint te lijden aan egozwelling. En die zwelling kan je fysiek
waarnemen. Je kan het aflezen van iemands gelaat, als je weet waar te kijken.
Wat mij toen interesseerde, was het andere gezicht van De
Beroemdheden. Hoe zouden ze er hebben uitgezien als de roem niet had toegeslagen?
Ik vroeg een paar van De Beroemdheden om te poseren en, als het
mogelijk was, eerst een paar jeugdfoto's van zichzelf op te sturen. Beloof hun
media-aandacht en je kan ze stront doen eten. Al snel stonden er een paar gewillig voor de
camera, in dezelfde houding, in nagenoeg dezelfde kleren van de opgestuurde foto, de buik
spannend in de gele pullovers, het resterende haar over de oren gekamd, met de strandbal
onder de arm, of op handen en voeten, met een gelijkende hond die het snot uit hun neus
likte.
Het werd niets. Dat ongrijpbare iets, de evolutie die had kunnen zijn,
kon ik met alle mogelijkheden die de trukendoos van de fotografie rijk is, niet
vastleggen. Ik bewaarde die delen van gezicht en lichaam die mij nog onveranderd leken,
vergrootte ze, sneed ze weg uit de rest van de figuur, herschikte ze, kleurde ze in,
probeerde me in te leven in die kinderzielen, het gezwel tot aannemelijke proporties terug
te dringen, maar de weinige keren dat ik geen groteske figuren kreeg, begon ik me af te
vragen of wat ik voor mij zag liggen, niet eerder geworden was wat ik ervan verwachtte,
eerder dan een mogelijkheid, een potentiële waarheid, een alternatief bestaan.
De Beroemdheden en de media waren tevreden. Als gerespecteerd
deconstructivist kon ik mij zo'n spielerei permitteren. Ze werden enthousiast toen ik
besloot het met ouderwets portretschilderen te proberen.
Als ik hun alternatief uiterlijk niet kon vastleggen, dan zou ik het
omschrijven, de contouren aangeven. Ik zou de veranderingen die hadden plaatsgevonden,
uitdiepen, extrapoleren, in de verf zetten. Letterlijk. Wat je dan in het portret miste,
dat zou het ongrijpbare zijn. A long shot, ik geef het toe, maar ik was toen al
zolang bezig met het uiterlijk van die andere ik, het moet iets psychologisch bij mezelf
geweest zijn, waarschijnlijk, maar ik wacht op de critici om me dat te vertellen.
En op de dag van de openbaring had ik Dieter in mijn atelier. Hij is al
lang in het purgatorium van de Vlaamse kermissen gedeemsterd, maar toen was hij hip, de
smaak van de dag. Ik wist dat hij een vluchtig fenomeen ging zijn. En voor het geld hoefde
ik het niet te doen, tv-sterren kunnen mijn prijzen niet betalen. Maar ik wou hem per se
hebben. Het was zo snel gegaan bij hem. Je kon de verandering zo van zijn gezicht aflezen.
De verf was nog niet helemaal droog. En hij had een mooi smoeltje. Altijd meegenomen als
je een tijd op iemand moet zitten aanstaren.
Ik had me niet in hem vergist. Jezus Christus had niet zo zelfverzekerd
mijn atelier binnen kunnen lopen. Hij maakte me duidelijk dat hij weinig tot geen tijd
had, en dat het portret dus in één zitting af moest en liep het atelier rond. Aangezien
ik mijn doeken meestal aan de zitter verkocht (het was goed geld, en ik zag ze toen enkel
als voorstudies), hing er bitter weinig om hem te plezieren. De schetsen voor mijn
volgende project hield ik verstandig genoeg verborgen en er stonden alleen een paar
portretten waar ik nog werk aan had, of waar ik niet wijs uit raakte, tegen de muur
geleund. Maar hij herkende de gezichten en zag dat het goed volk was.
Helaas was hij dat niet. Hij raakte wat meer op zijn ongemak, God de
Vader verdampte en zijn gezicht verloor wat ik zo graag had willen vastleggen en kreeg dat
smekende toontje dat hem waarschijnlijk ook de rol had opgeleverd. Hoe meer ik naar hem
keek, hoe meer ik besefte dat hij geen gezicht had. Het kon alles zijn, afhankelijk van
mijn eisen. Later zou me dat gaan interesseren, maar nu was hij waardeloos. Hier was het
weer, de observator die de werkelijkheid manipuleerde. Zijn smoel kon met elke wenkbrauw
die ik optrok, met elk nors woord in een andere richting worden geduwd. Zijn gezicht was
niet alleen dat van een hoer, het was een hoer, plooibaar naar wens.
Het was beter met versteende beroemdheden te werken. Ik gooide de
borstels neer. Altijd te vinden voor een dramatisch moment. Het ging niet, zei ik, en het
had geen zin om verder te gaan. Daar was hij even stil van. Was dat goed of slecht? Was
dat omdat hij uniek was, of omdat er iets scheelde aan hem? Hij kwam even kijken naar de
ruwe schets, kon daar niet veel uit opmaken. De ernst van de situatie werd hem duidelijk.
Zou hij niet vereeuwigd worden door iemand die nu al de chroniqueur van de jaren negentig
werd genoemd? Aan spot onderhevig, terwijl hij even tevoren nog zo zeker was van zijn
reputatie, zijn toekomst. Hij liep naar me toe. Je kon zien hoe hij in de business was
gerold.
'Waarom kunt ge mijn portret niet afmaken? Mankeert er iets aan mij
misschien?' Hij schuurde nog net niet met zijn rug tegen mijn benen, gooide nog niet de
boa rond mijn nek. Hij was aan het berekenen hoe ver hij zou moeten gaan om zijn reputatie
te redden. Ik gaf hem te verstaan dat hij heel ver zou moeten gaan. Ik had een volledige
middag verkwist. Daarvoor wil ik iets terug.
Ik had het kunnen weten. Het is altijd hetzelfde met die lustknaapjes.
Gewend om door ouwe venten opgegeild te worden, denken ze dat hun aanwezigheid in bed al
voldoende is, schudden eens met hun kont en vallen dan mentaal in slaap. Je kon hem
draaien en keren, hij liet zich gewillig doen, een warme Barbie, maar dat was het
dan ook. Ik kreeg veel zin om hem pijn te doen, maar misschien stuurde hij daar wel op
aan, bewust of anders, wie weet hoe die gasten in elkaar zitten. Ik ging hem zonder veel
glijmiddel pakken, eens goed laten schreeuwen. Ik draaide hem op zijn buik, een hem
vertrouwde houding blijkbaar, trok zijn billen van elkaar, en werd getroffen door de muze.
Een artiest denkt steeds aan zijn werk. Dat is nu eenmaal de vloek die
wij moeten dragen. En toen ik dat benepen aarsje zag, dat dichtgeknepen mondje dat me daar
van tussen zijn billen aanstaarde, toen wist ik het, daar lag zijn persoonlijkheid in alle
verborgenheid, niet kunstmatig bijgestuurd, onbevingerd, en er zat een geurtje aan.
Als ik hem wou schilderen, dan zou ik zijn aars schilderen. Mijn brein
nam al grotere vluchten. Zou iedereen daar zijn persoonlijkheid verborgen hebben, was ik
al die maanden op het verkeerde spoor? Had ik die alternatieve uiterlijken wel nodig, als
hier de ongevormde persoon op mij lag te wachten?
Ging hij zich zo laten schilderen, het gat in de lucht, de billen
gespreid? Mensen zijn zo raar. Met hun ziel op hun nek lopen ze te koop, met syfilitische
zweren op de wangen en builen in de nek. Foto na foto wordt gekeurd: daar staan ze te moe,
te oud, te veel in de schaduw, te veel in de zon, hun haar ligt niet goed, enzovoorts,
maar dat onontgonnen gebied, dat teder en zacht terrein, dat willen ze niet op foto. Dat
vinden ze te intiem. Ze zouden zich schamen. Terwijl ze hun gat ongegeneerd in ieders
gezicht duwen, hun billen nog wat verder openrijten en met uitgestulpte reet een uur
eerder ontmoete tong berijden. Ongewassen vingers met andermans stront nog onder de
afgebeten nagels laten ze gewillig in zich duwen. Stinkende lullen, al dan niet
geplastificeerd mogen hun sluitspier tot bloedens toe rekken en scheuren. Maar zich eens
vooroverbuigen voor een foto...
De kunstenaar moest het hier wel overnemen van de gewetensvolle
onderdaan die ik anders ben.
'Je ziet er prachtig uit, in dit licht. Je haar ligt perfect. De stand
van je mond. Het is prachtig. Je bent een kleine god. Beweeg je vooral niet. Ik wil je zo
op foto,' loog ik hem vriendelijk voor. 'Beweeg vooral niet,' herhaalde ik, want ik zag
hem twijfelend overeind komen. 'Het is die houding van je handen op je billen die je
jukbeenderen schitterend laat uitkomen. Hou ze daar. Dat is de ideale houding. Je bent een
genie.'
IJdelheid won het makkelijk van gêne, en krampachtig lachend met
roodaanlopende kop, zag hij niet hoe ik focuste op zijn achterste. De goden waren echt met
mij, want op dat moment waaiden de gordijnen even open en een golf licht viel op zijn gat.
Het was het werk van een ogenblik. Ik had hem. En Dieter kon gaan.
Iedereen was er weg van. Het was het grootste succes uit mijn
toenmalige carrière. Het was toen natuurlijk ook nog ongehoord om een vernissage te geven
met slechts één foto. Dat op zich was voldoende om mensen tegen de schenen te schoppen.
Ik had besloten om de foto niet te kopiëren. Wie de foto wou zien, moest aanschuiven, een
plaatsje veroveren tussen de samengetroepte menigte, zoals dat het geval is met de Mona
Lisa in het Louvre. Misschien was het die ervaring die sommigen onbewust de
vergelijking deden maken met dat oersaaie meesterwerk van Da Vinci. Ze hadden het over de
mysterieuze glimlach, die niet te plaatsen uitdrukking van diepe verachting en naïeve
gelatenheid, een afstoten en aantrekken, een mond als een zevende zegel dat de
verschrikkingen nog even binnenhield. Dieter zelf liep er een beetje schaapachtig bij. Zo
had hij zich het succes niet echt voorgesteld. Natuurlijk had hij onmiddellijk gezien dat
die mond niet de zijne was. Tot het stilaan tot hem doordrong, dat het misschien toch wel
de zijne was. Dat was mijn beloning, die avond, die angst achter zijn ogen, dat ook
anderen het plots zouden zien, en dan dat groeiende besef dat niemand het zag, opluchting
en belediging vermengd, terwijl hij zijn mondje dichtkneep, telkens als iemand naar hem
keek.
Hoeveel liefde en zorg had ik niet overgehad om de collage te laten
lukken? En hoe weinig van die liefde en zorg was nodig gebleken? Ik kon zijn reet
praktisch onveranderd op zijn gezicht plakken.
In de roes waren al onbetamelijke prijzen voor de foto geboden. Dieter
had niet voldoende spaarcentjes om zijn schande op te kopen. En voor een deel wou hij dat
ook niet. Ik denk dat hij blij was dat hem de kans niet werd gegund om de foto te
vernietigen. Was hij nu niet de meest beroemde asshole van het land? Op het eind
van de avond glimlachte zijn aars zelfs even toen we beiden naar het laatste rondzwevende
glas champagne graaiden.
De volgende klant was een politicus. Van Defensie of Binnenlandse
Zaken, daar wil ik vanaf zijn. Hij was gegrepen door mijn Dieter-portret. Hij
bood zich aan voor de vereeuwiging.
Het was die dag mijn dag niet. Eerst vond hij dat ik te snel zijn
portret had genomen, en daarna deed hij alsof hij me niet hoorde toen ik hem vroeg zijn
broek uit te doen en zijn reet de lucht in te steken.
Zijn secretaris en zijn chauffeur zaten in de veranda, dronken koffie
met mijn vrouw. Je hoorde hen schateren tot in het atelier. De minister luisterde even
naar die lachende stemmen, liep toen naar de deur en ik dacht: 'Ik ben hem kwijt.
Gelukkig.'
Maar hij draaide de deur op slot en legde zich op de divan. 'Doe het
snel,' zei hij toen.
Er klonk ontroering in zijn stem. Ik moet een gevoelige snaar geraakt
hebben, misschien dacht hij terug aan zijn schooltijd. Ik zette twee grote spots op zijn
billen. En hij schurkte al vol verwachting over de kussens.
Het was een prachtexemplaar. Volle lippen, enigszins uitgerokken, een
ferme aambei als een eremedaille fonkelend in al haar gladde roodheid. De gedachte aan de
hoeveelheid stront die daar al was gepasseerd, deed me even duizelen. Een paar bolletjes
waren in het ministeriële gat blijven hangen. Geen geschoren aars voor hem, maar een
ferme bos schaamhaar. Dààr hingen de wilde haren die hij steeds beweerde niet verloren
te hebben. Dat wou ik volledig op foto. De mogelijkheden die zo'n aanblik bood. Ik vroeg
hem zijn billen te spreiden, en hij begon stilletjes te kreunen. Zijn aars pulseerde, trok
zich terug en een nieuwe rij aambeien knipperde verbaasd in het sterke licht. Dat was geen
foto waard, maar een kortfilm. Alleen de geur zou op tape ontbreken. En wat voor een.
Boven de weeë geur van de diareticus stak een andere geur de kop op. Het leek op droog en
muf papier. Veegde de minister zijn gat af met oude briefjes van duizend?
Ik zoomde in, ik zoomde uit. Dit werd een volledige reportage. Maar de
minister werd ongeduldig. Hij probeerde te zien wat ik allemaal uitspookte, en om hem kalm
te houden stak ik er snel een vinger in.
Had ik niet opgelet, ik was mijn volledige arm kwijtgeraakt. Hij molk
me professioneel, met alle concentratie die in hem was. Zijn brein was afgezakt naar zijn
reet, en ging daar intellectueel tekeer. Ik schoof het fotoapparaat onder de divan, nam
een schroevendraaier van de werkplank en schokte hem zo klaar.
Hij leek me met meer respect te bekijken, toen hij mijn atelier
uitstapte. Hij was er nu persoonlijk van overtuigd dat ik een groot kunstenaar was.
Hij vroeg me zelfs om het portret persoonlijk te brengen. Het was een
officiële uitnodiging, met eten en familie en al. Ik stuurde hem de schroevendraaier.
De volgende weken waren druk. Een stoet reten trok aan mij voorbij. Ik
beken, het werd een obsessie. Ik stelde me niet meer tevreden met beroemde reten. Alles
was spek voor mijn bek. Het waren wilde tijden. Tijden van ontdekking. Het donkere
continent lachte me toe.
Sommige reten gaven zich te gemakkelijk. Uitgeblust, afgevingerd,
kapotgeneukt. Ik raakte oververzadigd, werd een fijnproever. Terwijl ik eerst in
vervoering raakte bij het zien van een markante aambei, haalde ik een tiental reten later
mijn neus op voor de smakelijkste trossen. De uitwassen die me bij de aanvang van mijn
queeste hadden bekoord, de zweren en schilfers, de vetkwabben en schaamwratten, bedankte
ik nu met een vriendelijke tik op de bips. De ranzige geur van verse reet begon me tegen
te staan. Ik dacht gretiger te worden, maar zoals alle kenners ben je wel tevreden met een
degelijk exemplaar voor je collectie maar hou je steeds weer je hart en lul vast voor het
ideale gat dat, en dat weet je gewoon, ergens op jou zit te wachten. Daarvoor doe je het,
en op den duur kan je geen geduld meer opbrengen voor de scheve hangbillen, de
uitgerokken, met grijze stoppels begroeide kont, je steekt er eens een beleefde vinger in,
die je, al zonder hem te hoeven bekijken, wel zeker bruin zal terugtrekken, je hoeft me
geen reten meer te leren kennen, en je schakelt over naar wat men daar voor de hand
liggende seks zal noemen. Zelfs die beleefdheid kon ik de laatste tijd nog maar moeilijk
opbrengen. Maar hoe kreeg ik ze anders de broek uit?
Dat was mijn dilemma. Reten genoeg, maar een die me kon bevredigen, ho
maar. Wat begon als een democratisch genot werd een pijnlijke zoektocht naar een
esthetisch verantwoord hol, en de eindeloze reten waar ik mijn neus voor ophaalde, werd
steeds groter. Mijn bed versleet, en ik begon een tafeltennispols te kweken van het
ongeïnspireerde aftrekken.
Er moest een andere manier zijn om een mannengat te fotograferen zonder
die mannen een voor een in mijn bed te lokken. Want het uiterlijk, de leeftijd, de
lichaamsbouw, zelfs de mond gaven nooit volledig uitsluitsel omtrent hun belangrijkste
lichaamsdeel. Je zag ze lopen met hun anusmondje, de lippen op elkaar gekneld en je
droomde weg, en een paar uur later schrok je van die verkeerde gok, van de verwachting die
de ontgoocheling nog pijnlijker maakte, soms met brokken aangekoekte stront, wat je niet
zou denken als je hun geparfumeerde smoeltje bekeek, hun precies gedrapeerde pulletjes, en
hun gemanicuurde nagels. Toon mij je reet en ik zal zeggen wie je bent, o heren van de
hygiëne! Jullie vinden het blijkbaar te vies om jullie gat aan te raken! Een halve kilo
toiletpapier op een hoopje en op goed geluk met een willekeurige zwaai naar achter
graaien, en dan twee uur jullie handen wassen!
Maar onder al dat vlees drong de waarheid onherroepelijk als een
zopscheet in mijn bewustzijn. Ik was op zoek naar schoonheid. De esthetiek, de vloek van
mijn jongensjaren had me weer ingehaald. Schoonheid is een leugen. Ik, Vanitas, zeg
dit uit de grond van mijn hart. De ultieme blasfemie van de kunstenaar. Want de schoonheid
van de reet ligt in de ongrijpbaarheid, in wat er niet te zien is... De enige echte
overwinning op de dood is het genot, gevonden in de leegte. Dat is het mysterie van de
reet: eenmaal opengesperd wordt hij leeg bevonden, het beloofde genot is verdwenen. Maar
voor de gelovige blijft hij vol vervulling, een kosmisch gebeuren, stampend in de
duisternis. Mocht ik een middenstandersmentaliteit hebben, ik zou zeggen dat, zoals alles
in het leven, je er enkel uithaalt wat je er hebt ingestoken, maar veranderd door de
ervaring, met een slurpend geluid onttrokken, het zaad op de rotsen gezaaid. In zijn gat
bepaalt de mens zijn ware waarde, zijn onafhankelijkheid van het dier. Het onnatuurlijke
en dus menselijke, de onvruchtbare daad, het tijdelijke genot, ontnomen aan de onbewogen
eeuwigheid, het eerste kunstwerk, l'art pour l'art, ligt verborgen in dat gat. Het
is een triomf van de menselijke geest om die functionele uitlaat met zoveel liefde, zoveel
betrokkenheid en magie te omgeven. Tranen schieten in mijn ogen als ik denk aan de
schoonheid van die daad van verkwisting. En toch bleek dat onvoldoende.
Mijn filosofie ten spijt was ik op zoek naar schoonheid.
Ik werd gered, verdoemd door mijn eigen naam. De voorlopige expositie
van reten (Ars Poëtica, een idee van de galerijhouder) veroorzaakte schokken door
het land. Ik werd een modetrend. Het laatste bolwerk van onschuld werd met messen bewerkt.
Medische aarscorrectie werd een rage, en nog vorige week beschreef een damesblad een
cursus sluitspieroefeningen: De Geheime Glimlach Van Je Lichaam.
De observator verandert wat hij ziet.
Vaarwel, mijn gerimpelde zon, mijn met vlees vergroeide, schalks
knipogende gat van belofte. De dagen van onschuld zijn voorbij. De ongerepte aars is
verleden tijd. Ik, de geestelijke vader, de moordenaar, geef je een judaskus. Vaarwel.
|
|