


|
 |
Een gast van heel lang geleden
Henri Calet
Ik kan nog zo vaak tegen mezelf zeggen dat mijn verleden me niet meer
interesseert, elke keer als we oog in oog met elkaar staan, ben ik weer diep geraakt. 't
Zal wel nooit helemaal overgaan. Wie eens gedronken heeft, houdt altijd dorst. Ik heb in
mijn kelder nog wat flessen wijn liggen. Om erachter te komen of ze nog goed zijn, zal ik
ze eerst open moeten trekken.
Ik ben onlangs op een paar plaatsen geweest waar ik vroeger gewoond
heb. Vreemd genoeg waren de decors nauwelijks veranderd. Het was alsof er op mij gewacht
werd om een bijna vergeten toneelstuk nieuw leven in te blazen. Je hebt van die stukken -
niet van de allerbeste - die tot in het oneindige opgevoerd worden zonder dat iemand goed
weet waarom. Mijn verwarring wordt alleen maar groter als ik zie dat de hoofdrolspeler van
toen, een veelbelovende jeune premier, een eerbiedwaardige vaderfiguur geworden is.
Je zou kunnen zeggen dat ik op zoek ben naar stukjes van mijn jeugd,
zoals iemand die even snel een ommetje in een park maakt voor de deuren op slot gaan. Een
laatste rondje in de luwte en in de schaduw, totdat de wacht 'Sluitingstijd!' roept.
Telkens ben ik weer even ontroerd. Maar ook een beetje teleurgesteld.
*
Een maand geleden moest ik in Brussel overnachten. Daar was ik, hoewel
't niet eens zover weg is, meer dan twintig jaar niet geweest. Ik had al lang zin om er
'ns terug te gaan, want ik heb vijf jaar van mijn jeugd in Brussel doorgebracht: van m'n
tiende tot m'n vijftiende. En dat zijn beslissende jaren in een mensenleven. Lichaam en
geest beginnen een min of meer volwassen vorm aan te nemen; het is de periode waarin de
hersenen aan 't gedijen slaan, als ik zo vrij mag zijn. Je krijgt je eerste visies op het
leven - dat dan nog erg overzichtelijk lijkt. Natuurlijk ontken ik niet dat elk jaar zo
z'n belang heeft: voor geen prijs geven we er eentje weg...
Ik was in Brussel tijdens de Duitse bezetting. En dan bedoel ik de
eerste. Want ik heb er twee, die beide ongeveer even lang duurden, meegemaakt. Ik besef nu
dat ik tien jaar lang omgang heb gehad met onze oosterburen - zoals we ze noemden zonder
ooit bij ze op bezoek te gaan. Alles welbeschouwd een gedwongen, moeizame omgang. Wat mij
betreft, laat ik het hierbij.
Ik ben er ook nog een paar keer geweest toen ik wat ouder was. In mijn
bestaan - in elk geval het begin ervan - neemt België een belangrijke plaats in. Op den
duur sprak ik Frans met een Brussels accent, wat niet al te mooi is. Op heel jonge
leeftijd ben ik in het Saint-Pierre-ziekenhuis geopereerd, waaraan ik een litteken op mijn
rechterarm heb overgehouden. Uit die almaar verder weg trekkende tijd blijven twee
herinneringen hardnekkig in mijn geheugen hangen: witgemutste melkvrouwen en hun karren,
getrokken door immense, geruisloos marcherende honden, en, bovenal, de paardentram...
Hoe komt het toch dat de paardentram zo tot mijn verbeelding sprak? En
waarom blijft ie door mijn hoofd malen? Die felrode kleur, die naam, prachtig vond ik het;
en dat vind ik nog steeds. Zoiets hadden we in Parijs niet. Ik probeer me voor te stellen
hoe hij er ook alweer uitzag. 't Was een soort van omnibus, maar dan kleiner (ik geloof
dat ik de neiging heb alles wat met mijn jeugd te maken heeft te verkleinen!), met twee
pony's ervoor, en hij reed door de smalle rue Neuve, tussen de stations Brussel-Noord en
Brussel-Zuid. Ik geloof dat de zijkanten open waren, maar zeker weet ik dat niet. Net zo
min als ik me herinner of ik ooit in dat schitterende stuk speelgoed heb mogen zitten.
Heel langzaam baande hij zich een weg door de menigte, waarin hij soms helemaal verdween,
zo klein was ie. God, wat was dat mooi...
*
Bij flarden komen mijn herinneringen terug. We woonden in de Eerste
Wereldoorlog in de rue des Charbonniers, een treurige straat met een treurige naam,
vlakbij de Senne. De Senne! Smerig, stinkend, geschreven met twee n's en zonder i, zonder
eilanden, zonder kades. Naar 't schijnt is die modderpoel (want veel meer was 't niet) nu
gedempt. De stank in ons huis kwam niet alleen uit de rivier, maar ook uit de kelder waar
een of andere sjacheraar clandestien namaakzeep zat te maken, met ik weet niet wat voor
ranzig dierenvet. Nieuwe rijken werden daar trouwens 'zeepbaronnen' genoemd. Ik weet nog
dat de provinciecommissaris von Bissing heette, en dat wij er vonbissinge van
maakten.
Ik heb een paar maanden op kostschool in Anderlecht gezeten. Ik geloof
niet dat er op de wereld naargeestiger streken bestaan dan die waar we elke donderdag, in
een lange rij, en met de verplichte katoenen paraplu onder de arm, doorheen trokken. De
wijken rondom ons waren onafgebouwd en we stierven van de honger. Ik ben er terug geweest.
Het gebied is nagenoeg ongewijzigd: het komt me even droefgeestig over als toen.
*
We logeerden in hotel Terminus-Albert I. Oh ja, ik had nog niet verteld
dat ik een tocht met een touringcar gemaakt heb. Tegenwoordig reis ik graag per bus, het
mankeert je niet aan afleiding, je maakt gemakkelijk vrienden. Maar waarom we uitgerekend
in dat hotel, dat ik zo goed gekend heb, moesten neerstrijken, is me een raadsel. Alsof er
geen andere te vinden waren.
Ik belandde dus in het Terminus, zoals mijn moeder en ik dat
etablissement achtendertig jaar geleden, in 1915-1916, noemden. Het hotel, dat toen
Terminus-Nord heette, was kleiner en lager dan nu. De uitbreiding en de nieuwe naam
dateren van later. In 1915 verbleef Albert I niet in 'zijn' hoofdstad.
Elke zondag ging ik bij mijn moeder, die in het Terminus woonde (al is
dat niet helemaal de juiste term), op bezoek. Een beetje schichtig liep ik, door een
indrukwekkende draaideur, naar binnen. Als ik later door zo'n deur kwam, moest ik altijd
even aan het Terminus denken. Een wonderbaarlijke, welriekende wereld openbaarde zich. 't
Rook er naar luxe. En dat was wel even wat anders dan de rue des Charbonniers en het
kostschooltje in Anderlecht waar het ook niet al te prettig geurde. Ik zou heel wat jaren
van mijn leven verspillen om dat luxeluchtje terug te vinden.
Achter de balie met gouden randen stond een dikke portier. Op de kraag
van zijn fraaie bruine redingote staken twee sleutels die elkaar kruisten. Behalve zijn
kledij maakte ook zijn postuur en zijn Luxemburgse accent grote indruk op me, hoewel ik
geloof dat ik in werkelijkheid een beetje bang voor 'm was. Ook de liftjongen droeg een
prachtig uniform, met epauletjes op z'n schouders. En hij was aardig, want als ie even
geen klanten had, nam hij me stiekem mee in die schitterende, uit donker hout opgetrokken
lift van 'm. Dan schoten we de hoogte in, naar ik weet niet waar. Ah, 't was haast nog
mooier dan de paardentram. Clotilde, een kamenierster, was ook al zo vriendelijk. Heel
mooi vond ik haar. Ik heb nog altijd een zwak voor dienstmeisjes met schortjes en witte
mutsen.
't Kwam ook vaak voor dat ik lopend naar boven moest, maar dat gaf
niks. Die majestueuze witmarmeren treden maakten het allemaal nog spannender, al moest ik
wel uitkijken ze niet vuil te maken met mijn schoenen. Ik heb daar geleerd wat pracht en
praal is. Mijn mooiste dromen speelden zich af binnen de muren van dat paleis. Pardon:
paradijs. Al mijn droomprinsessen logeerden in het Brusselse Terminus-Nord.
Ik ben daar voor 't eerst in aanraking geweest met mensen van een ander
soort dan het onze: de gasten. Die kleedden zich anders, bewogen zich anders en ze hadden
zelf een specifiek geurtje om zich heen hangen. Iedereen behandelde ze met de grootste
egards. Ik heb Clotilde, de portier en mijn moeder heel erge dingen over ze horen zeggen,
maar daar geloofde ik natuurlijk niks van.
't Kan zijn dat mijn bezoekjes aan het Terminus ertoe hebben
bijgedragen dat ik mijn medemens immer aanschouw met de ogen van een conciërge of een
huisknecht, als door een sleutelgat.
Mijn moeder werkte in het Terminus als kamenierster, net als Clotilde.
Ze 'deed' er twee verdiepingen. Met de fooien die ze van de gasten kreeg, betaalde ze mijn
kostschool in Anderlecht.
En nu was ik daar zelf als gast. Na al die jaren herkende niemand me -
aan de buitenkant ben ik nogal veranderd! - en ik herkende niemand. De portier was jong en
hij was anders gebouwd dan de Luxemburger. Er was meer veranderd. Maar het luxegeurtje uit
de jaren 1915 en 1916 herkende ik meteen. De portier gaf me kamer 710, op een van de
hoogste etages - die van mijn moeder. Toen ik met de lift van mijn oude vriend omhoog ging
dacht ik aan haar, en aan al die keren dat ze me vertelde vaak zo verschrikkelijk moe te
zijn dat ze aan het einde van een werkdag op handen en voeten de trap naar haar
zolderkamer opklom.
De portier bleek zich vergist te hebben: kamer 710 was bezet. Jongeren
hebben hun gedachten niet bij 't werk. De Luxemburger had nooit zo'n fout gemaakt. Omdat
ik toch naar beneden moest, ben ik door de lange, schaars verlichte gangen gelopen, net
als vroeger als ik mijn moeder zocht. Haar roepen durfde ik niet, bang als ik was de
gasten te storen of de aandacht van meneer Léopold, de directeur, te trekken. Die
gedoogde me, maar daar was ook alles mee gezegd. Ah, meneer Léopold zag er ook al zo
geweldig uit. Wat een statige verschijning in zijn jacquet! Zullen we ooit de verschillen
binnen het menselijk ras kunnen verklaren? Het was voor mij niet te vatten dat je aan de
ene kant hotelgasten en Léopold-heren had en aan de andere kant mensen als mijn moeder en
ik. Waar lag dat toch aan?
Misschien kwam ik hem wel weer tegen. Ik geloof dat ik me in een ander
hotel beslist beter op m'n gemak gevoeld had. Ik vraag me af of ik ooit verlost word van
Léopold-heren en kleine verlegen jongetjes. Zullen ze altijd door mijn hoofd blijven
spoken? Ik zag een kamenierster met grijzend haar. Kon het zijn dat zij de mooie Clotilde
was?
Ik heb de kamer waar ik uiteindelijk terechtkwam, nauwkeurig bekeken.
Vroeger moest ik het doen met af en toe een vluchtige blik, want ik mocht er natuurlijk
niet in. Alles wat mijn hart toen sneller deed kloppen, was er nog: het ledikant van echt
of namaak-palissander, veel verguldsel, de plafonnière waar drie motten in waren gaan
zitten om er dood te gaan, de gigantische wastafel met een roze, grijsgeaderde marmeren
plaat, zoals je ze nog wel eens ziet in ouderwetse kapsalons. Telkens als ik in mijn leven
bevangen werd door een plotselinge drang naar modern comfort, dacht ik aan die wastafels.
Ze moeten voor lange mensen bedoeld zijn, want ik heb er met de grootst mogelijke moeite
gebruik van gemaakt.
Ik trok het raam open en keek uit over de botanische tuin. Ik was
verbijsterd. Vier jaar lang kwam ik dagelijks vier keer door die tuin als ik van de rue
des Charbonniers naar de middelbare school (in de rue Traversière, meen ik) liep. Ik moet
op z'n minst honderd keer bij die boomstammen gestaan hebben. Dan droomde ik weg, bij hun
vreemdsoortige namen, of dacht na, over de les, over mijn huiswerk. Verbazingwekkend, al
dat nieuwe dat mijn jonge geest binnendrong. 't Was nog maar net gezaaid, of 't groeide
al.
Op een hoger gelegen deel van de tuin was (en is daar wellicht nog
steeds) een steile helling waar ik eens af heb willen springen toen ik slechte cijfers op
school had. Ik probeer me ervan te weerhouden mezelf met terugwerkende kracht uit te
schelden voor kleine imbeciel. Het zou niet lang duren voor ik dingen meemaakte die een
zelfmoord heel wat meer rechtvaardigden.
Het matras was prima. Als ik mijn hand uitstak, kon ik zo op een knopje
drukken waarna een kamenierster op mijn deur zou kloppen. Als ze dan binnenkwam, zou ik
'Poets mijn schoenen' of iets anders wat me toevallig te binnen schoot, gezegd hebben. En
dat had ze gedaan. Want een gast weiger je niets. Gasten houden je in leven; gasten zorgen
ervoor dat je de rekeningen van de kostschool in Anderlecht of waar je zoon ook mag zitten
(als je er tenminste een hebt) kunt betalen. Tot op de dag dat ik het ouderlijk huis
verliet, poetste mijn moeder elke ochtend mijn schoenen, zonder dat ik 't ooit hoefde te
vragen. Ik herinner me opeens dat ik van mijn zelfmoord in de botanische tuin afzag, omdat
ik bang was haar nog meer verdriet te doen dan ze al had. Als ik aan mijn moeder dacht,
zag ik haar op d'r knieën de laatste treden van de trap in het Terminus opkruipen, als de
kruisgang op Golgotha.
Ik heb de hele nacht het lawaai van komende en gaande treinen gehoord.
Naar het schijnt is de verbinding tussen Brussel-Noord en Brussel-Zuid bijna klaar. Heel
lang geleden ging dat verhaal al. Een verhaal bijna zo oud als de paardentram...
Henri Calet, oktober 1953
Uit: Acteur et Témoin, Mercure de France, 1959
|
|