Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel

Uitgeven in het digitale tijdperk
Van betaboek tot versie 2001: de lessen van de software-industrie

Louis Stiller

Vreemd hoe weinig het boekenvak in de afgelopen eeuwen veranderde. Terwijl buiten de literatuur revoluties en oorlogen uitbraken, de ene technologische doorbraak na de andere ons wereldbeeld volledig op de kop zette, bleef een boek een boek, een schrijver een schrijver en een uitgever een uitgever. Dat is mooi, want we moeten het goede behouden. Maar tegelijkertijd is het ook zonde, want schrijven en lezen horen goed beslagen het nieuwe millennium in te gaan en niet te verdwijnen in het zwarte gat dat nostalgie heet.
    Natuurlijk is er veel veranderd in de literatuur: er wordt niet meer met hout en lood gezet en de handpers is vervangen door snelle offsetmachines. Maar het resultaat is nog steeds vrijwel hetzelfde: een bundel met een kaft die via een uitgever en een boekhandelaar bij zijn lezers komt. Het boek zelf veranderde in de eerste zestig jaar van zijn bestaan ingrijpender dan in de vijf eeuwen daarna. Nadat de Venetiaanse drukker Aldus Manutius in het begin van de zestiende eeuw bedacht had dat een gedrukt boek vooral draagbaar moest zijn, en tien jaar daarna - in navolging van de joodse schriftcultuur - het paginacijfer in zwang was gekomen, was de vorm zo'n beetje rond. Verwonderlijk is dat niet, want de zoektocht naar het juiste formaat vindt altijd in de beginperiode van een nieuw medium plaats.
    Voor de rest waren het vooral inhoudelijke veranderingen die opvielen, maar ook die ontwikkeling lijkt al enige tijd geleden tot stilstand te zijn gekomen. Nieuwe genres als de roman en het feuilleton kwamen in de 17de en 18de eeuw op, beleefden hun bloeitijd in de 19de eeuw en kwamen in onze eeuw tot stilstand. Na de laatste stuiptrekkingen in de jaren '50 en '60, met de Nouveau Roman en de experimenten van Louis Paul Boon en William Burroughs nam de literatuur de vorm aan die hij nu nog steeds heeft. Een roman als De buitenvrouw van Joost Zwagerman of Glamorama van Bret Easton Ellis lijkt qua vorm meer op De neus van Gogol of Een nagelaten bekentenis van Marcellus Emants dan op USA van John Dos Passos of De reus van Rotterdam van Vaandrager.
    De uiterlijke en innerlijke vorm van de literatuur staan al decennialang onwrikbaar vast. En dat lijkt me geen goede zaak. Want stilstand is achteruitgang, zoals mijn grootvader mij altijd voorhield. Dat is niet alleen te zien aan de oogst van vorig jaar - met literaire gezellenwerken als I.M., Het huis van de vaders en Anna, Hannah en Johanna - maar ook als we naar het boekenvak in z'n totaliteit kijken. Een schrijver is nog steeds een monnik - iemand die voor een handjevol voorschotgeld maandenlang in eenzaamheid zijn werk volbrengt - en een uitgever is nog steeds een marskramer die met zijn tas vol boeken aanklopt bij handelaren. En de lezer? Die zet de televisie uit, legt zijn benen op een voetbank en slaat de eerste pagina op. 'Er was eens.' Ja, eens.
    Wat zouden we kunnen doen om het boekenvak en de literatuur in beweging te krijgen? Mijn gedachte: kijk naar een naburig veld dat qua inhoud en structuur veel lijkt op de boekenbranche en kijk naar nieuwe inzichten en instrumenten. Ik doel hiermee op de softwarewereld, die eveneens bestaat uit schrijvers, uitgevers en lezers (in deze tak 'gebruikers' genoemd) en die in nog geen twee decennia met zevenmijlslaarzen de boekenwereld in economisch belang en aanzien voorbijstreefde. De belangrijkste industrieel ter wereld heet niet meer William Randolph Hearst maar William Gates. En in plaats van de militaire industrie is de gamesindustrie inmiddels de motor van de innovativiteit geworden, was de conclusie van een gezaghebbend artikel in Atlantic Monthly vorig jaar.
    Laten we derhalve de belangrijkste inzichten en instrumenten uit de softwarewereld op een rijtje zetten en snel en kordaat de literaire wereld weer een toekomst gunnen. 

 

Les 1: het betaboek

Kritiek is in de literaire wereld vrijwel altijd kritiek achteraf. Het boek is gedrukt, duizenden exemplaren zijn verspreid, en dan komen de tongen los. Over smaak valt gelukkig niet te twisten, maar vaak vinden recensenten en de eerste golf lezers ook taalfouten, stijl- en structuurblunders of inhoudelijke misslagen. Volkskrant-recensent Arjan Peters wees Marcel Möring er bijvoorbeeld op dat in zijn boek In Babylon een sneeuwstorm beschreven werd, terwijl de temperatuur minstens minus 20 was. Die fout had makkelijk voorkomen kunnen worden als ook in het boekbedrijf de 'betaversie' was ingevoerd. Een betaversie is een bijna gereed softwarepakket dat naar tientallen gebruikers (zogenaamde betatesters) wordt gestuurd, die na enige tijd hun op- en aanmerkingen naar de softwaremaker mailen. Voordeel van een dergelijk systeem is dat bij de uiteindelijke publicatie van het pakket de belangrijkste en meest evidente fouten zijn verdwenen. Bij uitgeverijen zijn er weliswaar redacteuren en enkele meelezers betrokken bij de vervolmaking van het boek, maar meer dan een handjevol zijn dat er vaak niet. Stuur je echter een betaversie van de nieuwe Möring naar vijftien of vijftig vlijtige beroepslezers dan worden de ernstigste en minder erge problemen ontdekt en doorgegeven.
    Zo'n betaboek vergt in het digitale tijdperk geen grote organisatie. Open een inschrijflijst op het Internet en verspreidt de roman of de gedichtenbundel in digitaal formaat, waarna de inzenders hem zelf kunnen afdrukken - of op scherm lezen als ze dat willen. Commentaar, aanvullingen en verbeteringen kunnen eveneens via een gesloten maillijst of een website verstuurd worden. Het enige wat nodig is, is een auteur die liever opbouwende kritiek voor publicatie krijgt, dan de volle laag achteraf.
    Een bijkomend voordeel van een dergelijk systeem van betaboeken is dat recensies en besprekingen niet meer over het soort trivialiteiten als 'er valt geen sneeuw bij -20° ' hoeven te gaan. Bovendien heeft de uitgeverij er een aantal belangrijke vertegenwoordigers bij. Namelijk: de betaboeklezers. In de softwarewereld wordt gevochten om betatester te mogen zijn van Microsoft, Adobe of Electronic Arts. Betatester betekent namelijk dat je - veel eerder dan wie ook - al de nieuwe software in huis hebt. En die koppositie zorgt ervoor dat je het nieuwe product wanneer je maar kunt onder de aandacht zult brengen - al was het alleen maar om je eigen lidmaatschap van de happy few voor het voetlicht te brengen.

 

Les 2: het boek als maatwerk

Een van de grote verschillen tussen boekuitgeverijen en softwaremakers is dat de laatste industriegroep eigenlijk twee soorten software maakt: pakketten en maatwerk. De eerste soort - in vakjargon shrinkwrap genoemd - staat in de winkels of bij dealers en kan direct geïnstalleerd worden op de harde schijf van een koper. De tweede groep bestaat uit software die speciaal gemaakt is voor de opdrachtgever. 's Werelds grootste softwarebedrijven, zoals Baan, Volmac en BSO/Origin, houden zich uitsluitend met dat laatste bezig.
    Is het mogelijk in de literatuur maatwerk aan te bieden? Als we naar de literatuurgeschiedenis kijken dan zien we dat zoiets in de Middeleeuwen en de Renaissance redelijk gewoon was - veel werken werden in opdracht geschreven. De schrijver kreeg een bedrag en in ruil daarvoor maakte hij een werk waarvan vaak de globale inhoud of het thema door de opdrachtgever werd vastgesteld. Van Vondel tot Cervantes, van Hooft tot Shakespeare: allemaal werkten ze van tijd tot tijd volgens dat systeem. Sinds de romantiek is dat echter voorbij, omdat auteurs goden werden in het diepst van hun gedachten. En God neemt geen opdrachten aan. Enkel schrijvers in hoge financiële nood, zoals Henri Miller die zijn pornografische roman Opus Pistorum in opdracht van een Amerikaanse miljonair schreef, net als Anaïs Nin haar erotische verhalen. Alleen de overheid mag voor mecenas spelen met lucratieve opdrachten zoals het CPNB-Boekenweekgeschenk. Maar dat is een uitzondering - en een gevaarlijke, want de overheid als mecenas is eerder een stootblok dan een locomotief.
    Als we de romantische gedachten over schrijverschap terzijde schuiven, kunnen we ook een systeem bedenken waarin een particuliere opdrachtgever van tijd tot tijd een literair werk bestelt bij een auteur. Die laatste schrijft vervolgens een uniek exemplaar dat bijvoorbeeld wordt afgedrukt en gebonden via een systeem als de Xerox Docuprinter. Dat ene exemplaar wordt eigendom van de mecenas, het auteursrecht blijft van de schrijver. Hoe ver de zeggenschap van de opdrachtgever gaat, is een zaak tussen schrijver en opdrachtgever. Desnoods vraagt de opdrachtgever Herman Brusselmans om een novelle te schrijven 'over een textielbaron die Jaap heet en verslaafd raakt aan de opium'. Als Brusselmans daar een fors bedrag voor krijgt, zal het hem waarschijnlijk worst wezen wat de precieze inhoud is. Bovendien moet hij al genoeg energie besteden aan zijn eigen verhaalideeën, dus een verhaalidee die al enigszins ingeperkt is, is op z'n tijd wel praktisch.
    Opus Opium van Brusselmans, in een oplage van een, is voor een mecenas een waardevol bezit - vaak nog waardevoller dan het zoveelste olieverfschilderij op de logeerkamer. Brusselmans kan op zijn beurt na zo'n opdracht geruime tijd aan zijn eigen boek werken, en hoeft geen aanspraak te maken op overheidssubsidie. Iedereen tevreden: schrijver, mecenas en overheid. Nog mooier wellicht: Brusselmans kan structuren uitproberen en thema's uitwerken in zijn opdrachtnovelle die hij - bij gebleken succes - later weer in z'n vrije werk kan gebruiken. Met als gevolg dat het eenmalige opdrachtwerk nóg belangrijker blijkt, en daarmee nog waardevoller. Ook hier snijdt het mes aan twee kanten.

 

Les 3: Oud en eenzaam 2001

Koop je een softwarepakket, dan koop je een eenmalig recht om zo'n pakket te gebruiken. Het ding is niet van jou: je mag het gebruiken bij de gratie Gods. Slimme truc. Nog slimmer is dat een pakket nooit helemaal af is: je koopt een versie, een tussenstap in een oneindige reeks die moet leiden tot een ideaal pakket. En in de tussentijd is de software-uitgever zo goed om die tussenstap voor een schappelijke prijs aan de wereld te tonen. Elke versie is derhalve een cliffhanger: zij maakt benieuwd naar het volgende pakket: zou 4.3 de narigheid van 4.2 oplossen en eindelijk de ideale versie opleveren?
    In het boekbedrijf kennen we dat versieverschijnsel ook, maar veel minder uitgewerkt en slim: de zogenaamde drukgangen of versies. Het zijn vooral de non-fictie-uitgevers die deze methode inmiddels hebben omarmd, met hun Twaalfde, Nog Uitgebreidere Uitgave, hun Editie '99 en hun Jaarboeken. Zou een dergelijke uitgeefmethode ook voor fictie mogelijk zijn? Het lijkt van niet. De herziene of zelfs totaal herziene uitgave is een inmiddels bijna uitgestorven verschijnsel. De Max Havelaar kende nog een zeer turbulente uitgavegeschiedenis en ook Simon Vestdijk en Willem Frederik Hermans mochten nog graag in hun tweede, derde of volgende versies veranderingen aanbrengen, maar sinds de jaren '70 gebeurt dat zelden of nooit meer. De enige uitzondering die ik ken, is De houdgreep van Joost Zwagerman dat enige jaren geleden in een herziene versie werd uitgegeven. Maar Paul Mennes' werk is er alleen in die ene versie. En de twaalfde druk van Arnon Grunbergs Blauwe Maandagen bevat precies dezelfde tekst als de eerste. En dat is op z'n zachtst gezegd merkwaardig, want in het tijdperk van het digitale zetsel kost het nauwelijks geld noch energie om een tekst aan te passen. Bij Hermans en Multatuli moest het loodzetsel volledig worden vervangen en opnieuw opgebouwd als zij ook maar enkele wijzigingen voorstelden. Blijkbaar is het te makkelijk tegenwoordig voor auteurs om hun teksten in de tweede editie aan te passen. En waar geen belemmering is, is geen artistieke uitdaging.
    Niet dat daar geen reden toe is: veel boeken die nu uitkomen, zouden er van opknappen als de auteur en de redacteur er nog 'ns een keer flink doorheen mochten gaan. Neem het genoemde Blauwe Maandagen. Zoals vrijwel alle recensenten hebben opgemerkt, staat het tweede deel van het boek niet in verhouding tot het eerste. Het is te langdradig, herhaalt zichzelf voortdurend en daardoor zakt een spannend werk als een plumpudding in elkaar. Als Grunberg de moeite had genomen om er na een of anderhalf jaar nog een keer goed naar te kijken was er in de Zevende Totaal Herziene Uitgave een prachtwerk geboren. Dat gebeurde niet. Net zo min als al die andere honderden werken die per jaar verschijnen en waar in het merendeel van de gevallen een beetje tot veel op aan te merken is. Ook door de schrijvers zelf. Maar de cultuur van herschrijven en heruitgeven is verdwenen. Elke verschenen roman, bundel of tragedie is meteen een eindschot. Een proeve van genialiteit. Een goddelijk geïnspireerd meesterwerk waar niets meer aan te veranderen is. En dat terwijl de makers beter weten. En hun uitgevers ook.
    Misschien is er een uitweg uit die impasse. Namelijk door de archaïsche wereld van de Tiende Herziene Druk te vervangen door een moderne variant ervan: de jaarversie. In de software-industrie is die variant van het aloude versiesysteem inmiddels tot een fijnzinnig, innovatief en economisch instrument geslepen. Pakketten als Fifa 97, Office 98, Encarta 99 en Windows 2000 worden elk jaar opgelapt en opnieuw uitgegeven, terwijl het publiek ze trouw jaar in jaar uit blijft aanschaffen. Daar hebben ze vaak ook alle reden toe, want met een nieuwe jaaruitgave verplicht de uitgever zich elk jaar het systeem te verbeteren, mogelijkheden toe te voegen en de inhoud te veranderen. Het voetbalspel Fifa 97 is een schaduw van wat Fifa 99 ons nu biedt. Om maar niet te spreken van Fifa 2001.
    Hoe moet een dergelijk systeem van jaarversies voor literaire auteurs eruitzien? Ik denk dat dat eenvoudiger is dan we geneigd zijn te denken. Zoals recensenten, literatuurwetenschappers en analisten maar niet nalaten te beweren, schrijft een schrijver in feite steeds hetzelfde boek. Neem bijvoorbeeld de Amerikaanse sterauteur Jay McInerney, wiens nieuwste boek Model Behaviour weer in alle belangrijke kranten en bladen werd behandeld. In het nieuwe boek staat de New Yorkse tijdschriftjournalist Connor McKnight centraal, die een profiel moet schrijven over een jonge acteur maar steeds door diens publiciteitsagenten aan het lijntje wordt gehouden. Bovendien spookt zijn vriendin, het beeldschone fotomodel Philomena, allerlei vage dingen uit in San Francisco. En z'n baan is Connor nog bijna kwijt ook. Doet dat een belletje rinkelen? Precies: ook McInerneys eersteling, Bright Lights, Big City had dezelfde structuur, thema en ontwikkeling. Is het erg dat McInerney zich herhaalt? Ik vind van niet: de man is vijftien jaar ouder, heeft het een en ander meegemaakt, een aantal andere boeken geschreven en is weer teruggekeerd bij een bekend thema, met bekende personages, die - net als de schrijver - een paar jaartjes sadder en wiser geworden zijn.
    Schrijft McInerney altijd hetzelfde boek? Dat lijkt me sterk overdreven. Het is weliswaar een feit dat het aantal thema's, vragen en hangups bij auteurs heel beperkt is, maar één boek is een beetje weinig. Laten het er drie zijn, of zes of negen - dan is het nog te overzien. McInerney schreef bijvoorbeeld ook Story of My Life en Ransom, die allebei zeer afwijken van de eerder genoemde boeken.
    Eerlijker was het daarom geweest als McInerney zijn nieuwste boek gewoon Bright Lights, Big City 1998 had genoemd. Dat was duidelijker en waarschijnlijk ook boeiender geweest dan de huidige pseudo-titel. Dankzij het literaire roddelcircuit, de recensies en de lifestyle-magazines weet iedereen toch al dat McInerney voortwandelt op oude wegen. En dat geldt ook voor veel Nederlandse auteurs. Gerard Reve heeft drie of vier prototypische romans geschreven en alle andere zijn variaties. Waarom Hijgend hert daarom niet Oud en eenzaam 98 genoemd?
    Waarom niet het oude verhaal opgepakt en herschreven met de inzichten en ideeën van nu? Op die manier zou het mes aan twee kanten snijden. Lezers krijgen waar voor hun geld: een nieuw boek is inderdaad nieuw als er geen jaarcijfer achter staat - anders is het een update van een ouder werk. En schrijvers kunnen hun oude fouten wegpoetsen en nieuwe inzichten botvieren op hun werken. Bovendien hoeven ze zich bij zo'n update niet meer bezig te houden met omtrekkende manoeuvres zoals het bedenken van nieuwe namen, nieuwe settings en andere verhaallijnen.

 

Het eind

Enkele jaren geleden werd op het Boekenbal de schrijver Joost Zwagerman geïnterviewd door een televisieverslaggever die hem vroeg wat hij van die avond vond. Na enkele plichtplegingen over tradities en rituelen zei Zwagerman te verwachten dat hij tot de laatste generaties schrijvers zou behoren. 'Als je als zestienjarige in dit tijdsgewricht enige ambitie en talent hebt, dan word je programmeur of multimediaspecialist,' zei hij, of woorden van gelijke strekking. 'Wie zal er in de toekomst nog zo gek zijn om zo'n eenzaam en belachelijk beroep als schrijver te kiezen?'
    Zwagermans toekomstbeeld verbaasde me. Was hij werkelijk zo somber over zijn eigen vak, of was het een tactisch gekozen 'na ons de zondvloed'. De laatste der schrijvers waarschuwde ons nog een laatste keer. Ik kan me nauwelijks voorstellen dat Zwagerman gelijk krijgt. Het schrijven van novelles of prozagedichten is nooit een reële beroepskeuze geweest voor wie dan ook - niet in dit tijdsgewricht noch in de voorgaande eeuwen. En hebben ambitieuze zestienjarigen niet in alle tijden andere, hippere beroepen gekozen (elektriciteitsspecialist, televisiemaker) in plaats van schrijver, waarna heel wonderlijk de literatuurplank aan het eind van het jaar toch weer flink gevuld bleek?
    Aan de andere kant raakt Zwagerman wel een belangrijk punt. Namelijk de vraag in hoeverre nieuwe ontwikkelingen het schrijfvak zullen beïnvloeden. Wat gebeurt er met de literatuur, op het moment dat we van het mechanische of elektrische tijdperk naar een digitale samenleving gaan? Zo drastisch als Zwagerman ben ik niet, maar ik denk zeker dat we veel van de softwarewereld kunnen leren. Uiteindelijk zullen er ook nieuwe, digitale, misschien multimediale vormen van literatuur ontstaan, maar tot die tijd zou het geen slecht idee zijn om 'ns naar de trucs van Bill en de zijnen te kijken. Of dat nu het systeem van betaboeken, maatwerken of jaarversies is, of een andere zinvolle innovatie. De toekomst is tenslotte nog maar net begonnen.

© Louis Stiller