Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel

Willem Janssen Steenberg

Verwoesting

Halftien in de ochtend. De flats achter me beschutten de polder voor het lawaai en de vuiligheid van de stad. Het zwarte ijs strekt zich voor me uit als vochtig-nieuw asfalt. Voorbij het steigertje buigt het tussen de rietpluimen flauw naar links. Daarachter, nauwelijks zichtbaar zo ijl, de hoogspanningsmasten. Donker steekt de molen af tegen de grijze lucht. Over de weilanden ligt een witte waas. Onder me wuiven planten. Er staat geen zuchtje wind.

'Om te vieren het leven van Jetty Hartkens,' luidt het opschrift. Nee, tante Jetty, ik kom je leven niet vieren. Je bent hartstikke dood, dat kom ik vieren. Maar als ik dit boekje zie en de lila permanentjes van het koor, dan weet ik het wel: dit kan nooit goed gaan.
    Ik snuif de geur op van eau de cologne en pepermunt: tante Gerda. Naast haar zit de oude oom Arie. Telkens als ze iemand zien binnenkomen, buigen hun hoofden zich naar elkaar.
    Op het priesterkoor gaat een deur open. De pastor schrijdt naar de plaats waar straks de kist zal staan: vooraan in de middengang, recht voor het altaar. Hij kijkt bedroefd, net als de drie meisjesmisdienaars. Die gaan vieren het leven van Jetty Hartkens, dat is duidelijk.
        'Wij treden biddend in Uw licht
        Op U is onze hoop gericht.
        Die alles wat op aarde leeft
        Te allen tijd Uw liefde geeft.'

Op rubber wieltjes rijdt de baar naar voren. Onbekenden wrijven zich in de ogen. De twee oude tenoren doen hun best, maar ze kunnen niet op tegen de snijdende sopranen.
        'God, goede geest van heiligheid,
        die ieder mens in liefde leidt,
        breng allen samen en bewerk
        de eenheid van de christenkerk.'

Hoe krijgen ze het verzonnen, tante Jetty, hoe krijgen ze het in godsnaam verzonnen! Volgens mij lig je nu te schuddebuiken van het lachen. Straks ga je nog meeneuriën of op de maat van de muziek tegen je kist tikken.

De nacht heeft het ijs gepolijst. Het beetje sneeuw is door de wind in de rietkraag geschoven. Er zijn helemaal geen scheuren, de vaart ligt erbij als een pas gedweilde ijsbaan. In een perfecte pas de deux schuift mijn schaduw met me mee. Bijna onmerkbaar verkleurt de loden hemel naar gebroken wit.
    In de verte klinkt een schot. Meteen zie ik het weiland tot leven komen. De horizon meandert omhoog en buigt in mijn richting. Ik rem af en volg gefascineerd de donkere wolk die geleidelijk hoogte wint. Naarmate ze dichterbij komt, valt ze uiteen in bewegende stippen. Even later vliegen de ganzen in enorme formaties over me heen. Hun gegak maakt de uitgestrekte polder nog leger dan hij al is. Minutenlang golven ze boven het grasland. Dan strijken ze vlak bij de molen neer, als een kolossale ballon die futloos leegloopt.

De pastor slaat een multomap open. Hij bladert wat heen en weer. De plastic insteekhoesjes tikken tegen de microfoon; hij lijkt niet te merken dat die al openstaat.
        'Met een hart vol droefheid en vol vragen
        zijn we hier deze morgen bijeen,
        overrompeld
        door het sterven van Jetty Hartkens.
        Wat valt er te zeggen op deze morgen.
        Nu tante Jetty niet langer een belofte is.
        Maar een herinnering,
        een naam,
        een pijnlijk heimwee.'

Ik weet het, een mens moet niet al te kritisch zijn, maar dit komt toch regelrecht uit een poesiealbum. Waarom twinkelen je ogen zo? Lig je me daar stiekem een beetje uit te lachen?
    We mogen weer gaan zitten. De pastor kijkt omhoog en gebaart. Midden in een muzikale volzin breekt de organist af. Niet helemaal gelijk zetten de permanentjes in.
        'Alles zal zwichten en verwaaien
        wat op het licht niet is geijkt.
        Taal zal alleen verwoesting zaaien
        en van ons doen geen daad beklijft.
        Veelstemmig licht, om aan te horen
        zolang ons hart nog slagen geeft.'

Daar word je toch wel even stil van, niet? 'Taal zal alleen verwoesting zaaien.' Ik bedoel maar.
    Ik schrok me rot toen ik gisteren nog even bij je was. Wat zag je eruit. Ik weet ook wel dat een mens er meestal niet mooier op wordt als hij dood is, maar toch. De make-up had de blauwe vlekken in je hals en op je handen er niet onder gekregen. En wat was je mager. Je vingers lagen als mikadostokjes op het laken; ik kon de botjes bijna tellen. En je gezicht was helemaal ingevallen, alsof het vel zich moedeloos rond je gebit had laten zakken. En je hoofd was vrijwel kaal en nat. 'Condens, meneer, ze komt net uit de koeling,' fluisterde de begrafenisondernemer. De afzuiginstallatie kon je onaangename geur niet verbloemen, net zomin als de boeketten rond de baar.
    Het licht spiegelde in je brillenglazen. Het was net of je ogen glinsterden, of je me stilletjes lag op te nemen; alsof je wilde weten hoe ik op je nieuwe status zou reageren. Echt iets voor jou: iedereen zorgvuldig observeren, terwijl je al drie dagen dood bent.
    Toen ik je zo zag, drong de verwoesting die de laatste maanden in je lichaam had huisgehouden pas goed tot me door. Toen begreep ik pas echt dat je dood was. Dat het uit was met je droge grapjes, met die maffe gedichtjes van je en met de zelfgebreide eierwarmers die je altijd stikkend van het lachen aan een jarig nichtje gaf.

Ik vertrouw het ijs onder het bruggetje niet. Ik stap de wal op en kluun naar de andere kant.
    Voorbij de brug ligt een boot ingevroren. Uit de roestige schoorsteenpijp komt rook. Op de reling zit een meeuw. We zijn bondgenoten: hij op de boot, ik in de bevroren polder. Ik pak een boterham uit mijn rugzakje, trek er een stuk af en gooi het hoog de lucht in. Voor het op het ijs kan vallen, heeft de meeuw het te pakken. Even later zit hij weer op de reling, zijn kop een beetje scheef. Ook het volgende stuk grijpt hij in volle vlucht. Hij schrokt het naar binnen, slaakt een schorre kreet en vliegt weg in de richting van de flats.
    De deur van de kajuit klapt open en de schipper smijt een emmer gelig water op het ijs. Hij lacht een beetje verontschuldigend, zwaait en doet de deur weer dicht.

'Gaan wij nu allen staan en belijden wij ons geloof.' Stommelend komt iedereen overeind. Oom Arie fluistert iets tegen tante Gerda. Ze kijkt naar de kist en haalt haar schouders op.
        'Ik geloof in Jezus Christus die gekomen is
        om ons te bemoedigen en te genezen
. Ik geloof dat wij zullen leven
        van Gods leven voor altijd.'

Ik geloof er allemaal geen pest van, tante Jetty. Als je goed kijkt, zie je de kwalijke dampen haast uit je kist komen. Je bent gewoon weggerot, de laatste weken. 'Om ons te bemoedigen en te genezen?' De pijnstillers waren niet aan te slepen, je leek wel een morfinejunk. 'Wanneer krijg ik mijn spuitje weer?' vroeg je steeds. Wat mij betreft hadden ze je een echt spuitje gegeven. Maar ja, 'God heeft Zijn eigen bedoelingen,' zeiden ze, 'en Zijn wegen zijn ondoorgrondelijk.'

Maar deze weg heeft hij goed geregeld moet ik zeggen. Het ijs is hard en het glijdt onwaarschijnlijk goed. Aan beide kanten van de vaart strekken zich de weilanden uit. Een gedrongen bruin paardje met een juten dek op zijn rug staat vlak langs de oever te suffen. Misschien droomt hij wel. Een dunne nevel drijft voor de zon die al laag boven het gras hangt.
    Laat in de middag rijd ik het haventje in. Op de wal staan ouderwetse lantaarns; ook in de huizen aan de overkant van de weg brandt al licht. Aan de kade ligt een prachtig zwart geteerde tweemaster met opgetrokken zwaarden. Uit een schuur op de werf klinkt het geklop van een hamer.

Terwijl de pastor de offergaven klaarmaakt, houdt een man in rokkostuum me een rieten mandje voor; bij wijze van voorbeeld ligt er al een tientje in. Een collega in een iets te strak mantelpakje reikt een bidprentje aan. Op de voorkant staat een foto van een dieprode zon die ondergaat in zijn eigen licht, dreigende wolken boven een al donkere, rimpelige zee als een kader eromheen. Op de keerzijde het portret van een lachende tante Jetty met daaronder: 'Bewaren in verband met het licht. Ik wens jullie alle goeds. Tante Jetty.' Bewaren in verband met het licht. Bewaren in verband met het licht? Ik stop het prentje in mijn binnenzak.

Ik passeer het lichtbaken op de kop van het havenhoofd; voor me strekt zich de zwarte vlakte van het meer uit. Nog altijd is het windstil. Er ligt geen spoor van sneeuw. Te midden van de sterren, vlak boven de horizon, knippert heel in de verte het licht van de tv-toren. Hoog in de lucht roept een koppel ganzen. Algauw ligt het haventje ver achter me.

Had je het ook zo koud op het kerkhof, tante Jetty? De wind sneed door de cipressen, iedereen wapperde zowat uit zijn kleren. Als de pastor het meisje met het wijwatervat niet had gegrepen, was ze zo van de berg zand je graf in gegleden; had je op je oude dag nog mooi koppijn gekregen. Aardser kon haast niet, zou ik zeggen. Maar goed, uiteindelijk ging je toch: in paradisum.

Ik begin moe te worden. De hele dag ben ik geen levende ziel tegengekomen. Best angstig eigenlijk.
    Zou je wel mee willen rijden, tante Jetty? Ja natuurlijk, op die mooie oude Friezen van je met die eikeltjes op de krul, wat dacht je dan? Kom, je mag wel opleggen, het is geen wedstrijd; leg je hand maar in de mijne. Nee, ik zal niet te hard rijden en mijn slag een beetje korter maken.
    Merk je dat het al behoorlijk donker begint te worden? Dit is het uur waarop Dolle Matze over het ijs vliegt. Nee nee, je rilt gewoon een beetje van de kou, ik begrijp het. Het is ook al flink mistiger dan daarnet. Maar als we rechtdoor rijden, komen we vanzelf bij de tv-steunzender uit, denk je niet? Goed dat jij meerijdt, jij weet de weg tenminste. Heb je zo'n pijn? Ik mag je nog geen morfine geven, je moet nog zeker een uur wachten. Waarom kijk je nou zo naar me? Ik kan je toch niet doodspuiten?
        'Zo vriendelijk en veilig als het licht
        Zoals een mantel om mij heen geslagen...'
Zullen we zingen? Ach, zonder de toren komen we er ook wel, zou het niet? Weet je, tegenwoordig laten ze je niet meer met touwen in je graf neer; iemand hoeft maar met zijn voet op een pedaal te drukken en je zakt vanzelf, mooi regelmatig, zonder schokken. En niemand hoeft bang te zijn dat hij het touw laat schieten. Hé, was dat Dolle Matze niet die daar...? Ik kon het niet zo goed zien in die mistflarden. Ach wat, klets, Friese folklore; witte wieven bestaan toch ook niet. Hé, je hand wordt koud. Zullen we even pauzeren, dan kan ik je een beetje warm wrijven. Ik zal het heel voorzichtig doen; ik weet dat alles je pijn doet. En je hebt al zo lang pijn. Gelukkig zal het niet lang meer duren, verwoesting gaat snel. Licht, zeg je? Zie je licht? Dan is het goed. Sla het maar als een mantel om je heen; het is vriendelijk en veilig. Nee nee, ik ga verder, ik zal die tv-mast in mijn eentje ook wel vinden. Gewoon: in verband met het licht.

© Willem Janssen Steenberg