Uitgeven in het digitale tijdperk Toen ik in 1995 De Brakke Hond naar het internet bracht, was de internetexplosie in onze contreien nog maar net uit de startblokken en had je in de gedrukte pers (toen de enige sector die wat aan het net verdiende) nogal wat euforische toekomstvisies over de nieuwe 'digitale burger' en 'vrijheid van informatie'. Op het gebied van de literatuur vertaalde zich dat in de verwachting dat 'iedereen zijn eigen uitgever' zou worden, 'het individuele auteurschap' zou verdwijnen ten voordele van hypertekstuele samenwerkingsprojecten, het 'ouderwetse onderscheid tussen schrijver en lezer' zou verdwijnen, en zelfs dat de literatuur zelf volledig getransformeerd zou worden tot een 'open web van multimediale fragmenten'. Een complete revolutie zou zich met andere woorden gaan voltrekken. Omdat ik een hekel heb aan dergelijke 'digitale revolutie'-slogans, heb ik altijd beweerd dat internet helemaal geen revolutie teweeg zou brengen in het literaire landschap. Niet dat ik wel wist wat het zou worden, want als ik een kristallen bol had, dan had ik allicht wel wat beters te doen dan me om het wel en wee van de literatuur (al dan niet elektronisch) te bekommeren. Ik sloot me dus aan bij de toen niet zo populaire these dat de digitale wereld 'slechts' een afspiegeling is van de werkelijke wereld, en niet een andere of een betere wereld. Daarmee werd dan niet bedoeld dat internet geen nieuwe mogelijkheden doet ontstaan. Die zijn er wel degelijk, ook voor literaire tijdschriften. Voor literaire tijdschriften betekende dat volgens mij dat de fundamentals gelijk blijven. Het feit dat je wereldwijd te lezen bent, betekent niet dat de hele wereld plots Nederlands heeft geleerd. Het betekent ook niet dat het marginale deel van de wereld dat toevallig Nederlands kent, je tijdschrift zal komen lezen omdat het daartoe de kans krijgt. Het overgrote deel van de internettende Nederlandskundigen heeft - net zoals de real life-Nederlandskundigen overigens - immers wel wat beters te doen, porno bekijken bijvoorbeeld. Het betekent ook niet dat je boekje met minder moeite tot stand komt. Een goed blad maken, zo ontdekten heel wat starters algauw, heeft niks te maken met het medium waarop dat blad wordt verspreid. Niks van dat alles, ook op internet heb je als literair tijdschrift maar één missie: een goed blad maken, of je dat nu produceert van papier, van berkenschors of van bits, als de inhoud het niet doet, kan je het vergeten.
Het aanbod Dat vooralsnog niet alles hetzelfde is in
beide werelden, merk je als je het aanbod gaat bekijken. Wat het brede veld van de
Nederlandse literatuur aangaat, zijn er twee belangrijke overzichten die zowat alles wat
er op internet aan literatuur te vinden is, samenbrengen: De Nederlandse Letteren en de Linkspagina van Meander.
Die indexen verzamelen internetadressen van sites die zich bezighouden met informatie over
individuele schrijvers en dichters, leesclubs en verenigingen, bibliotheken, boekhandels
en uitgeverijen, boekbesprekingen en uittreksels, literatuur in streektalen en dialecten,
verzamelingen van teksten en een kwart literaire tijdschriften. Een site opzetten 'om er eentje te hebben' wordt niet veel meer gedaan. Een site wordt opgezet omdat er nieuwe antwoorden worden gevonden op de vraag 'of we dat wel moeten doen?' Tegenwoordig komt je blad bij een lezer terecht die van zowat al zijn papieren leesvoer over internet-pendanten kan beschikken (zijn dagblad, zijn weekblad, maar (nog) niet zijn literaire blad). Je ziet dan ook wel dat recentere sites van literaire bladen meestal een ernstige poging doen om op zijn minst een duidelijk idee te geven van wat ze zoal te bieden hebben. Zo krijg je van Deus ex MachinA of Sampel een redelijk goed beeld zonder dat je daarvoor ooit een papieren boekje moet gaan opspeuren in een gespecialiseerde boekenwinkel ('Nee, dat hebben we sinds een paar maand niet meer, sorry') of een bibliotheek ('Het zou hier nochtans ergens moeten zijn'). Als schrijver kan je makkelijk uitmaken of je in zo'n blad zou willen verschijnen of niet. Ook als redactie heb je het allicht makkelijker om iemand over de streep te trekken als de inhoudstafels van de laatste jaargangen op het net staan. Het is een eenvoudige manier om te laten zien wat je recent zoal gedaan hebt. Laten zien waar je mee bezig bent, ik denk dat je het belang daarvan moeilijk kan overschatten. Internet speelt immers meer en meer de rol van publiek forum. In de begindagen was je een durver als je het net op ging, tegenwoordig geldt afwezigheid op internet in hele bedrijfssectoren bijna als verdacht. Waarschijnlijk zal de literaire bladen nog wat langer uitstel vergund zijn, maar uiteindelijk zal ook op maatschappelijk weinig relevante sectoren zoals de literatuur de druk toenemen.
Schrijversjeugd Er lijkt een verband te zijn tussen de schrijvers die op het net zitten en hun leeftijd. Ouder dan 40 kom je er niet veel tegen, Jeroen Brouwers en Gerard Reve uitgezonderd misschien. Net zoals de sites van de meeste literaire tijdschriften in de lucht worden gehouden door liefhebberende filantropen met een dubbele belangstelling voor literatuur èn HTML-toestanden, worden ook thuispagina's van schrijvers meestal verzorgd door geboeide lezers. Zie bijvoorbeeld de sites van Brouwers en wijlen Herman de Coninck. Natuurlijk is de kans dat een schrijver nog jonge geboeide lezers heeft, groter naarmate de leeftijd van de schrijver zelf lager ligt. Zo zal je van een monument als Hugo Claus geen homepage vinden, maar wel de homepage van een studiecentrum dat zich daarmee bezighoudt. De jongere schrijvers zijn beter vertegenwoordigd en de jeugdschrijvers zelfs opvallend goed. Hetzelfde leeftijdsverschijnsel zie je bij de literaire tijdschriften. Een jong tijdschrift met een podiumfunctie kan bijna niet meer zonder internet terwijl de ietwat gezapigere bladen vooralsnog afwezig blijven. Misschien zullen zij er ter elfder ure nog wat gaan doen, maar de kans lijkt groter dat ze er het bijltje gewoon bij neerleggen als hun tijd gekomen is. Bij de schrijvers speelt mediaschuwheid misschien ook wel een rol. Dat er thuispagina's zijn gewijd aan schrijvers als Herman Brusselmans of Boudewijn Büch, is haast net zo vanzelfsprekend als het ontbreken van vele anderen. Schrijvers die zichzelf actief met internet bezighouden, vind je uiteraard niet zo vaak. Marcel Möring is allicht een van de uitzonderingen. De meeste schrijvers voelen zich alleen maar goed bij het schaven aan teksten en dat is maar normaal ook. Eigenlijk zou je verwachten dat de uitgevers zich om de internetvisibiliteit van 'hun' schrijvers zouden bekommeren, maar dat gebeurt weinig of niet. (Uitzonderingen bevestigen natuurlijk altijd de regel, zie bijvoorbeeld de Thomese-site, een klassiek voorbeeld van wat je minimum over elke behoorlijke schrijverssite zou verwachten.) Niet dat uitgevers niet aanwezig zijn op het net, juist wel natuurlijk. Maar een uitgever heeft in de eerste plaats een winkeltje en die doet dus bij voorkeur niks als er geen cent(je) aan verdiend is. Aangezien de doelgroep voor literatuur heel klein is, zijn de promotiebudgetten navenant. Radioreclame voor een populair tv-blad als Humo kan nog net, maar radioreclame voor de laatste roman van Kristien Hemmerechts (substitueer naar believen) zou ongehoord zijn. Dus heeft Humo een internetsite en Kristien Hemmerechts (idem) niet, tenzij natuurlijk een of andere enthousiasteling zich ermee bezig wil houden. Ook dat is weer een van die typische fundamentals die hetzelfde zijn in beide werelden: literatuur wordt goeddeels gedragen door de liefdadigheid van alle betrokken partijen: auteurs, uitgevers, subsidiegevers.
De gulle gever Over die subsidies moeten we het dan misschien maar eens hebben. Een opmerking die in de begindagen werd gemaakt, was dat je als tijdschrift wel eens abonnees zou kunnen kwijtspelen. En abonnees, dat zijn inkomsten. Dat lijkt een solide redenering, maar ze gaat uit van een rationeel economisch model dat in werkelijkheid - ondanks de dappere pogingen van het tijdschriftendecreet - niet van toepassing is op het landschap van literaire bladen. Een handjevol subsidies vormt in het hele landschap zowat het enige aanknopingspunt met een economische realiteit. De prijzen die je voor een abonnement moet neertellen, zijn in tegenstelling daarmee in alle gevallen symbolisch te noemen. Tenminste, vergeleken bij wat er gevraagd zou moeten worden als de inzet van de - vaak hoog opgeleide - mensen die ermee bezig zijn in rekening gebracht zou moeten worden. Om in het huidige tijdsgewricht het geven van subsidies te binden aan de hoeveelheid papier die bedrukt wordt (subsidies in ruil voor papieren abonnementen), is op zijn zachtst gezegd eigenaardig. Dat werd terecht door tal van mensen opgemerkt, maar meestal om andere redenen. Eigenaardig vind ik dat je enerzijds vaststelt dat de overheid geld pompt in internetconnectiviteit voor bibliotheken en scholen. (Die nobele instituten worden door De Brakke Hond dan ook met plezier voorzien van gratis 'elektronische abonnementen'.) Anderzijds stel je vast dat de distributie van gesubsidieerde literaire bladen via internet nog steeds geen vereiste is voor een subsidiedossier. Integendeel zelfs, het laatste tijdschriftendecreet gaat net de andere richting uit. Een tijdschrift dat alleen elektronisch zou verschijnen, maakt waarschijnlijk zelfs geen enkele kans om voor subsidies in aanmerking te komen. Distributie is zelfs helemaal geen punt: als er maar abonnementen zijn! (Niemand hoeft die dingen echt te lezen, hoor.) Ik zal wel bevooroordeeld zijn, maar als het aan mij lag, was het net omgekeerd. De hele papierwinkel kreeg geen frank: geen site, geen centen en een tijdschrift dat nog op papier wil uitgeven, krijgt minder. Maar ook heb je weer diezelfde fundamental: in real life zijn bibliotheken en scholen heel wat belangrijker dan literatuur en literaire tijdschriften, dus zullen de tijdschriften op internet nog wat jaren mogen wachten op een aan het algemene beleid aangepaste regeling.
De nieuwe spelers In de tussentijd ligt de bal bij de
tijdschriften zelf en aangezien die van hun kant ook niet van al te veel dynamisme
getuigen, wordt het veld voornamelijk bezet door nieuwe spelers. De Opkamer is
waarschijnlijk het meest bekende tijdschrift zonder papieren achtergrond. Dat De
Opkamer geen papieren historie heeft, merk je aan de manier waarop het perfect ingebed
is in internet: volop gebruik van interactieve mogelijkheden die internet biedt, zeer
regelmatige updating. Maar vooral krijg je goede bijdragen en je krijgt ze allemaal, want
aangezien er geen papieren editie is, word je als lezer ook niet opgezadeld met dat
vervelende gevoel dat je wat mist doordat je het (volledige!) papieren boekje niet hebt
gekocht. De Opkamer experimenteerde destijds
met een 'Open Afdeling' waarin iedereen 'zijn ding' kon doen. Dat kwam de kwaliteit
uiteraard niet ten goede, zodat de 'Open Afdeling' weer werd opgedoekt. De afdeling werd
door Renzo Kooi verder gezet als De Salon en daaruit is onlangs een nieuw
redactiegeleid tijdschrift voortgekomen: De Gekooide
Roos. Die dynamiek illustreert treffend hoe er onder de volbloed-elektronische
literaire tijdschriften vaak wordt geworsteld met het filterprobleem. Ook een rasecht
podiumblad als Meander heeft althans in het prille begin ernstig over de
filterproblematiek nagedacht. Meander
is een maandelijks verschijnend tijdschrift met speciale aandacht voor beginnende
schrijvers. Naast de eerder genoemde Linkspagina wordt er ook wekelijks een
aangepaste e-maileditie verstuurd onder de naam De Meanderkrant op Zondag. Een goed
werkende redactie functioneert als een filter voor de kwaliteit van de bijdragen. Volgens
de officiële hype-propaganda van de beginjaren stond internet voor
vrijheid-blijheid-gelijkheid en dat leek in eerste instantie moeilijk verzoenbaar met het
idee van een redactie. * Update 11/11/99: Jozef Deleu, afgevaardigd bestuurder van Ons Erfdeel, liet per brief weten dat inmiddels een niewe site werd geopend op http://www.onserfdeel.be die de hier genoemde problemen wegwerkt.
|
|||||||||