3de prijs verhalenwedstrijd Natte sokken
Er valt iets beneden bij de René. Ik spoel
verder groenten schoon. René is een dorpsfiguur. Pas later komen de verhalen over hem los, als ik op mijn beurt naar zijn stamkroeg trek en er een Duvel bestel. Ik drink, zwijg, luister en barst woedend uit. Nadien spreekt de postbode me aan, dan volgen de werkmannen van de gemeente, de buren en de delvers van het kerkhof. Dit is een dorp. Op straat komen brokken en stukken over de René samen. Nadien. Echt veel aandacht gaf ik hem niet. Mijn warmte was op rantsoen. Zijn alcoholverdriet leerde ik afkloppen, met mijn vlakke hand op zijn houten tafel. Hoogstens reageerde ik wat lauw. Ik stelde me geen vragen en voelde niets. René is er tweeënzestig en toont er in de
zeventig. De achterkamer waarin hij woont is smerig. In de zonnige voorkamer staan
meubelen van een maat die ze nergens kwijt kon. René komt er nooit. Zijn woonkamer is
zijn slaapkamer. De slaapkamer is ook zijn keuken. Zijn keuken is zijn badkamer, zijn
salon is zijn fauteuil voor de televisie. 's Avonds, als Jill, mijn dochtertje van drie, in bed ligt, ga ik nog even naar beneden om ons konijn eten te geven. Er brandt geen licht achter het deurglas van de René. Een kaars flakkert zwak en zijn televisie staat niet aan. Maar de stilte dringt niet tot me door. Ik klop aan en bekijk hem amper terwijl ik binnenstap. De Knabbel zit in de tuin en ik zeg aan de René dat ik direct terug ben. Langs zijn veranda kom ik wat later terug binnen en bekijk hem zoals daarvoor in een flits. Ik schrik. Een deel van zijn gezicht is purperblauw opgezwollen. Ik klasseer het beeld automatisch: gevochten of gevallen, meer denk ik niet. De volgende ochtend sta ik er weer met
savooibladeren en wat oud brood. Ik rammel aan zijn deur en voluit, rechtop, netjes
gekleed in het zwart, doet hij open. Nu brengen de twee broers hem wekelijks een deel van zijn pensioen. Met dat geld haalt hij elke maandag alle boodschappen voor de week in huis. Het overschot drinkt hij rap en goed op in zijn stamcafé. Het is een statige massieve man. Een
gepensioneerde metselaarsknecht voor het vuile werk. Zijn lijf is opgeleefd.
De volgende dag komen Jill en ik de trap af.
De René staat op de drempel in de zon. Zijn scheef silhouet steekt scherp af tegen het
licht. Hij leunt zwaar in het kader van de voordeur. Zijn ene hand zit laag vastgewrikt
tegen de deurstijl. Met de andere hand hoog, juist onder de belknop, klemt hij zich vast.
Jill schiet onder zijn linkerarm door en ik volg gebukt. Dat is de snelste manier om
buiten te raken. Het duurt altijd een hele poos eer hij plaats ruimt. Eigenlijk loopt hij
met krukken, maar die staan ongebruikt naast de voordeur van zijn appartement. Al deze maanden spelen we onze rollen perfect. Als ik hem in de gang tegenkom, houdt hij zijn rug zo recht als hij kan. Brutaal duwt hij zijn hand onder mijn neus. Automatisch maak ik me kleiner. 'Ge hé schrik, hé. Zeg het dan,' bromt hij kwaad. Ik lach. 'René, ik heb gene schrik,' antwoord ik. 'Ge moet niet lachen,' zegt hij verontwaardigd. Ik richt me wat op en zwijg. 'Ge moet niet lachen,' herhaalt hij nors. 'Daarbij, ge zijt veel te dun. Basta,' besluit hij. 'Godverdomme,' zeg ik hem. Ik spreek zo plat als ik kan en vloek lukraak. Anders lukt het me niet om in dit huis samen te leven, vrees ik. Hij probeert het omgekeerde. 'Mooi, mooi,' zegt hij soms en hij proeft verwonderd het woord. Zwijgend blijft hij dan staan. We kopen de roltabak en als we terug thuis
zijn, mag Jill hem de tabak en de vloeitjes brengen. Jill en onze Kattin wonen in heel het
huis. Ze lopen beneden in en uit. Languit hangen ze voor de televisie in zijn gore
fauteuil. Spek, kippenbillen voor de kat en lolly's, koeken, marsepein voor Jill... Hij
haalt ze binnen als prinsessen. Met zoetigheid spint hij een web voor Jill. Voor
Kattinneke koop ik geen eten meer. De kattenkorrels halen het niet van de verse
vleesresten van de René. Jill geniet stralend. Ze babbelen, lachen en roepen. Samen met
die grote vent, die vloekt en buldert en waar je op voorhand nooit zeker van weet hoe hij
zal reageren, zitten ze daar goed. Jill blijft zichzelf. Zijn gedonder maakt geen indruk
op haar. Helemaal in haar eentje breekt ze het weer af. Zomaar. Als ik Jill kom oppikken, begint ze een lange
uitleg. 'Ik kom straks wel,' zegt ze en ze kijkt naar de poes die ook blijft liggen. De bel gaat. Suzka, het buurmeisje, komt
spelen. Jill draait zich om in de gang en crosst langs de benedenkamer door de veranda de
tuin in. Suzka aarzelt. Ze knijpt met haar kleine knuisten hard in mijn hand. Ondanks alle
koeken en lolly's heeft ze schrik van de buurman. Ze laat mijn hand pas los en krijgt wat
praat als ze in de tuin is. Alle tuinen hebben hier poorten in de heggen. De kinderen
lopen overal in en uit. Behalve in onze tuin. De angst voor de vreemde reacties van de
René zit er diep in. Als we later langs de René terug naar binnen
komen, slaapt hij op zijn rug in zijn fauteuil. Hij ligt languit met zijn armen wijdopen
als in een roes. Onkwetsbaar snurkt hij zwaar door. Kattinneke op zijn borstkas slaapt
mee. De buurvrouw die Suzka komt halen, zegt dat ze de René netter vindt nu wij er wonen. Hij scheert zich en dirkt zich op in zijn zwart pak. Soms veegt hij ineens de gang uit en leunt voor de straatdeur op zijn borstel. 'Hij ziet er goed uit, ik denk dat hij dat voor jullie doet,' gokt de buurvrouw. Ik zwijg over zijn opgezwollen gezicht. Om halfelf 's avonds staat hij onderaan de
trap te roepen. Het licht in de hal is stuk. Niemand snapt nog hoe de elektriciteit in dit
huis met opkamers en bijgebouwen in elkaar zit. Ik hurk bovenaan de trap in de duisternis.
'Hier, voor Jill,' zegt hij en hij heft zijn hand omhoog. 'Marsepein,' voegt hij eraantoe.
Hij staat daar te wachten in het donker. 'Ze slaapt René, 't is al bijna elf uur,'
fluister ik terug. 'Geef het haar morgen zelf maar.' Ik steek een volgende sigaret op. 'Na deze
sigaret ben ik weg,' beslis ik kordaat. Als ik hem een praatje gun, heeft het meestal de
lengte van een sigaret. Ik zit over mijn tijdlimiet en voel me ongemakkelijk. 'En toch
zedde veel te dun, basta,' probeert hij. Ik zwijg. 'Vroeger had ik een lief,' zegt hij,
'maar ons vader gaf me ne motsjeklet als ik haar liet staan.' Sinds deze drie maanden voel ik me schuldig om het allemaal in de vuilnisbak te kieperen. Zondagavond ga ik op de tast naar de trap in
het donker. Ik draag Jill naar boven. Ze is in topvorm. Kattinneke komt binnengestormd als
ik ons opkamertje binnenkom. Even snel loopt ze dwaas miauwend het balkon op. Ik grabbel
Jill vast en hou haar stevig beet. Gehaast zet ik de radio aan, het huis is vreemd stil.
Ik zet Jill op de tafel, doe haar jas en kleertjes uit en worstel om haar in haar pyjama
te krijgen. Ze wil niet. 'Goed,' zeg ik en ik zet haar op de vloer, 'dan maak ik nog wat
melk warm en dan je bed in.' Als ik op het balkon een sigaret opsteek, schiet de poes pijlsnel grauwend naar de deur. Ze lokt, maar ik laat de deur naar de gang toe. Ik snap er niets van. Er hangt een angstige stilte. Verderop in het dorp slaat de kerktoren, daarna is het weer stil. Niets, geen enkel geluid. De laatste keer dat ik de René zag, was
gisterenavond. Hij stond donker en kwaad aan de tafel. Aan zijn gezicht en de zwarte vlek
was ik gewend. 'Weet ge, er is buiten licht. Als ge dat konijn eten geeft, steek dan het
licht aan,' zegt hij, 'wacht, ik ga efkes mee.' Hij stapt voor me uit naar buiten, op zijn
sokken de regen in. Hij grijpt naar de muur en houdt zich moeizaam rechtop. 'Hier.' Hij
laat me de lichtschakelaar zien. Hij staat naast een plas water en knipt het licht aan.
'Ga naar binnen, René,' beveel ik. Hij blijft staan en antwoordt angstig: 'En toch ben ik
gene slechte mens, hé?' Het klinkt broos. Ik ril en antwoord: 'Ga naar binnen en doe
droge sokken aan.' Hij draait zich om en stapt onzeker, zwaar voorovergebogen naar binnen. Als ik 's maandags thuiskom van mijn werk, staan de twee broers in de voordeur. 'Onze René is dood,' zegt de oudste. Ik blijf staan en kijk hen aan. 'Hij was al heel de week slecht nadat...' zeg ik kwaad. 'Gij gaat zwijgen, hij heeft altijd al te veel gedronken,' zegt de oudste stuurs. De jongste, de bangerik, zwijgt. De woorden van de pastoor klonken
nietszeggend en de kerkdienst was kort. Ik loop mee achter zijn kist achter de ruggen van
de broers. Eén week geleden viel er iets bij de René. Ik spoelde verder de groenten
schoon. Het was een week waarin alles rijpte, laaiend rotte en op barsten stond. Niemand
merkte iets. Hij greep zich vast aan het tafelblad en kwam moeizaam overeind. Hij wankelde
log en zwijgend verder. Van die blinde vlek zocht hij op de tast naar houvast. Tegen de
muur leunend hield hij zichzelf rechtop. Zijn hoofd sloeg onvast en stug naar beneden. Hij
schudde het nors en trok het weer omhoog. Wat achteruit hellend, onwillig als een gewonde
stier, stapte hij koppig richting fauteuil. 'Onze jongste is ne bangerik,' mompelde hij. Hoe het spek ongeopend naast de gesloten
broodzak lag. Hoe de kat in en uit liep en schor klagend bleef janken. Drammend. Thuis staan de Sint-Jozefsplanten onderaan de trap voor me klaar. De broers hebben ze daar gezet. Ik pak er één en neem hem mee naar boven. Met grote ogen, vol tranen zet ik de radio aan. 'Ik moet hier onmiddellijk weg,' denk ik. Ik buk me en streel Kattinneke. 'Je wist het, hé,' zeg ik zachtjes, 'jij wel, hé.'
|
|||||||||