Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel

3de prijs verhalenwedstrijd
Maai Daniëls

Natte sokken

 

Er valt iets beneden bij de René. Ik spoel verder groenten schoon.
    Dit is een week waarin alles rijpt, laaiend rot en op barsten staat. Niemand merkt iets.

René is een dorpsfiguur. Pas later komen de verhalen over hem los, als ik op mijn beurt naar zijn stamkroeg trek en er een Duvel bestel. Ik drink, zwijg, luister en barst woedend uit. Nadien spreekt de postbode me aan, dan volgen de werkmannen van de gemeente, de buren en de delvers van het kerkhof. Dit is een dorp. Op straat komen brokken en stukken over de René samen. Nadien.

Echt veel aandacht gaf ik hem niet. Mijn warmte was op rantsoen. Zijn alcoholverdriet leerde ik afkloppen, met mijn vlakke hand op zijn houten tafel. Hoogstens reageerde ik wat lauw. Ik stelde me geen vragen en voelde niets.

René is er tweeënzestig en toont er in de zeventig. De achterkamer waarin hij woont is smerig. In de zonnige voorkamer staan meubelen van een maat die ze nergens kwijt kon. René komt er nooit. Zijn woonkamer is zijn slaapkamer. De slaapkamer is ook zijn keuken. Zijn keuken is zijn badkamer, zijn salon is zijn fauteuil voor de televisie.
    Het stinkt er naar zware Johnson-roltabak, vermengd met de geur van spek of kip. De kachel staat dag en nacht op de hoogste stand, ook al is het de warmste novembermaand van de eeuw.

's Avonds, als Jill, mijn dochtertje van drie, in bed ligt, ga ik nog even naar beneden om ons konijn eten te geven. Er brandt geen licht achter het deurglas van de René. Een kaars flakkert zwak en zijn televisie staat niet aan. Maar de stilte dringt niet tot me door. Ik klop aan en bekijk hem amper terwijl ik binnenstap. De Knabbel zit in de tuin en ik zeg aan de René dat ik direct terug ben. Langs zijn veranda kom ik wat later terug binnen en bekijk hem zoals daarvoor in een flits. Ik schrik. Een deel van zijn gezicht is purperblauw opgezwollen. Ik klasseer het beeld automatisch: gevochten of gevallen, meer denk ik niet.

De volgende ochtend sta ik er weer met savooibladeren en wat oud brood. Ik rammel aan zijn deur en voluit, rechtop, netjes gekleed in het zwart, doet hij open.
    Hij ziet er verschrikkelijk uit, ondanks zijn feestelijk gilet.
    'Ben je gevallen?' vraag ik nu toch lukraak.
    'Neeje, gevochten,' antwoordt hij en hij stommelt achter me aan om uit zijn aardappelmand schillen voor de Knabbel te nemen.
    'De Knabbel heeft genoeg, laat maar René,' zeg ik hem.
    ''t Probleem met dat beest is dat het rotverwend is,' bromt hij. Dat ik dat konijn dan ook nog drinken geef! Hij lacht me uit. 'Konijnen drinken niet, basta!' beslist hij.
    'Mijn jongste broer was hier gisteren,' babbelt hij verder, 'hij kwam van de loodgieter en hij was zat.'
    Ineens herinner ik me het geroep en getier. 'Patat, recht op mijn bakkes,' vertelt hij verder. Ik kijk hem nauwkeurig aan. De vlek links ziet er nu voor de helft paars en zwart uit. Ze hangt als een kwab vol in zijn gezicht. 'Moet je geen kompressen leggen?' vraag ik hem.
    'Godverdomme,' zucht hij.
    'Of moet ik boven mijn tube Iodex halen?' probeer ik. 'Neeje, laat maar.' Hij gaat op zijn sofabed zitten, zijn handen in zijn schoot samengevouwen en buigt zijn hoofd. 'Onze jongste is ne bangerik,' komt er moeizaam uit. Hij kijkt naar de foto aan de muur. Er hangen er maar twee. Het is een portret van zijn moeder als jonge vrouw, in een zwaar kader gevat. 'Ik moest als enige van al de kinderen naar een tehuis toen ze gestorven is. De rest ging naar de familie, maar ik was ne moeilijke. Was ze maar blijven leven.' Hij zucht.

Nu brengen de twee broers hem wekelijks een deel van zijn pensioen. Met dat geld haalt hij elke maandag alle boodschappen voor de week in huis. Het overschot drinkt hij rap en goed op in zijn stamcafé.

Het is een statige massieve man. Een gepensioneerde metselaarsknecht voor het vuile werk. Zijn lijf is opgeleefd.
    'Moet ik nu die zalf halen?' vraag ik hem opnieuw. 'Neeje, neeje, joeng,' gromt hij en hij blijft als een blok zitten. 'Dan ben ik ermee weg,' zeg ik kortweg en ik sluit de deur achter me.
    Eenmaal boven zet ik alles onmiddellijk uit mijn hoofd. Ik steek een sigaret op en ga op het balkon staan roken. Ik tuur naar de kale bomen op het kerkhof. Ik denk niets.

 

De volgende dag komen Jill en ik de trap af. De René staat op de drempel in de zon. Zijn scheef silhouet steekt scherp af tegen het licht. Hij leunt zwaar in het kader van de voordeur. Zijn ene hand zit laag vastgewrikt tegen de deurstijl. Met de andere hand hoog, juist onder de belknop, klemt hij zich vast. Jill schiet onder zijn linkerarm door en ik volg gebukt. Dat is de snelste manier om buiten te raken. Het duurt altijd een hele poos eer hij plaats ruimt. Eigenlijk loopt hij met krukken, maar die staan ongebruikt naast de voordeur van zijn appartement.
    'Brengde toebak mee?' vraagt hij. 'En blauw bladjes,' beveelt hij.
    'En?' Hij wijst nors naar de twee oude verfemmertjes steenafval die ik naar beneden sleepte. Ze staan op straat. 'Ewel? Hedde dat boekske niet gelezen, juffra? 't Groot Vuil pakt geen stenen mee.' Ik bekijk de rommel.
    'Hé, mannen,' roept hij naar de kerels van de gemeente die aan de overkant struiken verzorgen. 'Pakt voor da maske hier die stenen eens mee!' Op hun gemak komen de mannen naar ons toe en steken de emmers met stenen in hun kruiwagen vol groenafval. Ontspannen in zijn zwarte vest kijkt de René ons na. Dat heeft hij weer eens goed geregeld!
    Terwijl ik met Jill verder wandel, denk ik over de drie maanden dat we al samenwonen in dit huis. Het gebouw is verkommerd en de lange tuin die tot aan het kerkhof loopt, ligt er verwilderd bij. Alles is overwoekerd door wilde bramen die tot in de tuinen van de buren in de grond verankerd zitten. Overal ligt er glas van weggesmeten flessen. In het huis kan enkel de voordeur nog op slot. De andere sleutels zijn zoek. 's Nachts gebruikt de René het kerkhof als binnenweg naar huis. Hij baant zich woest een weg langs de graven en de struiken. Om vijf uur 's morgens ontwaak ik, ik hoor hem dan thuiskomen en draai me om.

Al deze maanden spelen we onze rollen perfect. Als ik hem in de gang tegenkom, houdt hij zijn rug zo recht als hij kan. Brutaal duwt hij zijn hand onder mijn neus. Automatisch maak ik me kleiner. 'Ge hé schrik, hé. Zeg het dan,' bromt hij kwaad. Ik lach. 'René, ik heb gene schrik,' antwoord ik. 'Ge moet niet lachen,' zegt hij verontwaardigd. Ik richt me wat op en zwijg. 'Ge moet niet lachen,' herhaalt hij nors. 'Daarbij, ge zijt veel te dun. Basta,' besluit hij. 'Godverdomme,' zeg ik hem. Ik spreek zo plat als ik kan en vloek lukraak. Anders lukt het me niet om in dit huis samen te leven, vrees ik. Hij probeert het omgekeerde. 'Mooi, mooi,' zegt hij soms en hij proeft verwonderd het woord. Zwijgend blijft hij dan staan.

We kopen de roltabak en als we terug thuis zijn, mag Jill hem de tabak en de vloeitjes brengen. Jill en onze Kattin wonen in heel het huis. Ze lopen beneden in en uit. Languit hangen ze voor de televisie in zijn gore fauteuil. Spek, kippenbillen voor de kat en lolly's, koeken, marsepein voor Jill... Hij haalt ze binnen als prinsessen. Met zoetigheid spint hij een web voor Jill. Voor Kattinneke koop ik geen eten meer. De kattenkorrels halen het niet van de verse vleesresten van de René. Jill geniet stralend. Ze babbelen, lachen en roepen. Samen met die grote vent, die vloekt en buldert en waar je op voorhand nooit zeker van weet hoe hij zal reageren, zitten ze daar goed. Jill blijft zichzelf. Zijn gedonder maakt geen indruk op haar. Helemaal in haar eentje breekt ze het weer af. Zomaar.
    Ik wil niet mee in zijn hol. Het is hun domein.

Als ik Jill kom oppikken, begint ze een lange uitleg. 'Ik kom straks wel,' zegt ze en ze kijkt naar de poes die ook blijft liggen.
    'Ga weg, of ik schop je weg,' dreigt de ouwe. Hij is nu echt kwaad en pakt naar één kruk en geeft er haar twee tikken mee op haar broek. Jill wijkt geen duimbreed. Hij stommelt wat rond en mankt plots zwaar. Ze meten elkaar. Dan geeft Jill me een handje en trekt me mee naar de deur. Het is een ongelijke strijd. Hij blijft achter. Alleen met deze middag.

De bel gaat. Suzka, het buurmeisje, komt spelen. Jill draait zich om in de gang en crosst langs de benedenkamer door de veranda de tuin in. Suzka aarzelt. Ze knijpt met haar kleine knuisten hard in mijn hand. Ondanks alle koeken en lolly's heeft ze schrik van de buurman. Ze laat mijn hand pas los en krijgt wat praat als ze in de tuin is. Alle tuinen hebben hier poorten in de heggen. De kinderen lopen overal in en uit. Behalve in onze tuin. De angst voor de vreemde reacties van de René zit er diep in.
    Ik heb een stuk van zes meter diep, meter per meter vrij van bramen gemaakt. Alle glasscherven liggen op een hoop. De rest van de tuin blijft niemandsland.

Als we later langs de René terug naar binnen komen, slaapt hij op zijn rug in zijn fauteuil. Hij ligt languit met zijn armen wijdopen als in een roes. Onkwetsbaar snurkt hij zwaar door. Kattinneke op zijn borstkas slaapt mee.
    Zijn knipmes ligt open op de tafel.

De buurvrouw die Suzka komt halen, zegt dat ze de René netter vindt nu wij er wonen. Hij scheert zich en dirkt zich op in zijn zwart pak. Soms veegt hij ineens de gang uit en leunt voor de straatdeur op zijn borstel. 'Hij ziet er goed uit, ik denk dat hij dat voor jullie doet,' gokt de buurvrouw. Ik zwijg over zijn opgezwollen gezicht.

Om halfelf 's avonds staat hij onderaan de trap te roepen. Het licht in de hal is stuk. Niemand snapt nog hoe de elektriciteit in dit huis met opkamers en bijgebouwen in elkaar zit. Ik hurk bovenaan de trap in de duisternis. 'Hier, voor Jill,' zegt hij en hij heft zijn hand omhoog. 'Marsepein,' voegt hij eraantoe. Hij staat daar te wachten in het donker. 'Ze slaapt René, 't is al bijna elf uur,' fluister ik terug. 'Geef het haar morgen zelf maar.'
    'Komde er nie ene pakken?' nodigt hij me uit. 'Ik woon hier al drie maanden, waarom niet?' denk ik bij mezelf.
    'Ik pak mijn sigaretten, wacht efkes, ik kom,' zeg ik hem. Ik ga naar beneden en volg hem. De oude matten, de sofa, de nooit gepoetste vloer en het muffe behang overvallen me. Ik plof neer in Jills fauteuil en drink mee een rosé uit de Aldi. We klinken op de drie maanden samenwonen zonder ambras te maken. Hij heeft zijn vier Sint-Jozefsplanten uit de veranda binnengezet tegen de winterkou.
    Of ik nu echt gene schrik van hem heb? vraagt hij me. Hij stelt het niet meer vast als een feit. Ik lach dit keer niet en zet geen grote bek op. Hij kijkt me aan en zwijgt. Misschien is hij wel bang voor het antwoord dat komt. Ik schud mijn hoofd van nee. 'En toch zedde veel te dun,' besluit hij.

Ik steek een volgende sigaret op. 'Na deze sigaret ben ik weg,' beslis ik kordaat. Als ik hem een praatje gun, heeft het meestal de lengte van een sigaret. Ik zit over mijn tijdlimiet en voel me ongemakkelijk. 'En toch zedde veel te dun, basta,' probeert hij. Ik zwijg. 'Vroeger had ik een lief,' zegt hij, 'maar ons vader gaf me ne motsjeklet als ik haar liet staan.'
    Hij wijst naar de kleine foto boven zijn bed. De randen van het papier krullen. Vergeeld staat er een lange, jonge René, helemaal alleen met een zware motor. 'Ik moest dat lief laten staan, want ik was gene mens om een vrouw en kinderen te hebben zei ons vader.'
    Hij klopt met zijn grote hand op zijn been. ''k Ben dan met klikken en klakken over kop gegaan. Sinds dan zit ik met dat been.' Hij pakt naar de marsepein als hij merkt dat ik wil vertrekken. 'Geef het haar morgen zelf, ik ga slapen, René,' zeg ik tot afscheid. Boven zitten mijn keukenkasten vol met marsepeinen appeltjes, peren, chocoladesigaretten en lolly's. Te veel voor één kind.

Sinds deze drie maanden voel ik me schuldig om het allemaal in de vuilnisbak te kieperen.

Zondagavond ga ik op de tast naar de trap in het donker. Ik draag Jill naar boven. Ze is in topvorm. Kattinneke komt binnengestormd als ik ons opkamertje binnenkom. Even snel loopt ze dwaas miauwend het balkon op. Ik grabbel Jill vast en hou haar stevig beet. Gehaast zet ik de radio aan, het huis is vreemd stil. Ik zet Jill op de tafel, doe haar jas en kleertjes uit en worstel om haar in haar pyjama te krijgen. Ze wil niet. 'Goed,' zeg ik en ik zet haar op de vloer, 'dan maak ik nog wat melk warm en dan je bed in.'
    Vanuit de keuken roep ik gokkend 'ja', 'nee', 'ja, ja, Jill'. Ik luister niet echt naar haar gebabbel. De toonhoogte van haar stem doen me ja of nee roepen. De melk is te heet en ik doe er wat koude melk bij. De kat crosst weer naar binnen en hangt om mijn benen. Vreemd, want haar melk staat er nog. Ze miauwt als gek, draait zich om en vertrekt terug naar buiten. Ik hoor haar op het platte dak springen. Jill drinkt haar melk. Ik dreig nu: 'Kom, nu kort en goed naar je bed!' Ze spartelt weer tegen en ik neem haar stevig onder mijn arm beet. Niets mee te beginnen, ze is klaarwakker. Kwiek veert ze op één been op haar bed. Haar lach klinkt helder in het stille huis. 'Kijk, ik kan turnen!' roept ze. Ik leg haar neer en het lukt: 'Ogen toe en zwijgen en slapen.' Ze ligt met haar duim in haar mond onder haar donsdeken, klaar om in te slapen.

Als ik op het balkon een sigaret opsteek, schiet de poes pijlsnel grauwend naar de deur. Ze lokt, maar ik laat de deur naar de gang toe. Ik snap er niets van. Er hangt een angstige stilte. Verderop in het dorp slaat de kerktoren, daarna is het weer stil. Niets, geen enkel geluid.

De laatste keer dat ik de René zag, was gisterenavond. Hij stond donker en kwaad aan de tafel. Aan zijn gezicht en de zwarte vlek was ik gewend. 'Weet ge, er is buiten licht. Als ge dat konijn eten geeft, steek dan het licht aan,' zegt hij, 'wacht, ik ga efkes mee.' Hij stapt voor me uit naar buiten, op zijn sokken de regen in. Hij grijpt naar de muur en houdt zich moeizaam rechtop. 'Hier.' Hij laat me de lichtschakelaar zien. Hij staat naast een plas water en knipt het licht aan. 'Ga naar binnen, René,' beveel ik. Hij blijft staan en antwoordt angstig: 'En toch ben ik gene slechte mens, hé?' Het klinkt broos. Ik ril en antwoord: 'Ga naar binnen en doe droge sokken aan.' Hij draait zich om en stapt onzeker, zwaar voorovergebogen naar binnen.
    Als ik langs hem kom, zit hij breekbaar op de rand van zijn sofa. 'Ik ben gene slechte mens,' huilt hij. 'Nee,' kreunt hij tegen wat komen moet. 'Ach man,' sus ik hem. Maar ik raak hem niet aan. Hij is te groot, te klein, het is te erg. Ik kan het niet. Er is iets vreselijk mis.
    Stil sluit ik de deur.

Als ik 's maandags thuiskom van mijn werk, staan de twee broers in de voordeur. 'Onze René is dood,' zegt de oudste. Ik blijf staan en kijk hen aan. 'Hij was al heel de week slecht nadat...' zeg ik kwaad. 'Gij gaat zwijgen, hij heeft altijd al te veel gedronken,' zegt de oudste stuurs. De jongste, de bangerik, zwijgt.

De woorden van de pastoor klonken nietszeggend en de kerkdienst was kort. Ik loop mee achter zijn kist achter de ruggen van de broers. Eén week geleden viel er iets bij de René. Ik spoelde verder de groenten schoon. Het was een week waarin alles rijpte, laaiend rotte en op barsten stond. Niemand merkte iets. Hij greep zich vast aan het tafelblad en kwam moeizaam overeind. Hij wankelde log en zwijgend verder. Van die blinde vlek zocht hij op de tast naar houvast. Tegen de muur leunend hield hij zichzelf rechtop. Zijn hoofd sloeg onvast en stug naar beneden. Hij schudde het nors en trok het weer omhoog. Wat achteruit hellend, onwillig als een gewonde stier, stapte hij koppig richting fauteuil. 'Onze jongste is ne bangerik,' mompelde hij.
    Een mens valt niet onmiddellijk neer als hij dat niet wil. René wilde niet. Driftig omwille van het leven ging hij een uur later zwijmelend voor zijn fiets staan en klom erop. Heel deze lange week dacht iedereen dat een zoveelste kwade dronk hem parten speelde.
    Achter de broers voel ik me kwaad, ik draai me om en stap bruusk uit de stoet naar het kerkhof. Ik loop richting dorp, er dringen geen geluiden tot me door, ik zit in een luchtbel. De postbode fietst voorbij. Ik loop maar wat rond.

Hoe het spek ongeopend naast de gesloten broodzak lag. Hoe de kat in en uit liep en schor klagend bleef janken. Drammend.
    Zó crepeert een mens. Er breekt iets in me. De tranen stromen over mijn gezicht. Ik huil niet. Nee, ik huil niet. Met natte sokken aan en een in elkaar geramde kop. Purperblauw, zwart, stinkend spek, verhard brood, niets gegeten. De stilte was enorm. Een week, een hele week duurde het gevecht. Ik merkte niets. Zijn knipmes 'voor ge weet nooit' lag open op de tafel. Zoals altijd, lag het daar, naast de ongeopende tabak.

Thuis staan de Sint-Jozefsplanten onderaan de trap voor me klaar. De broers hebben ze daar gezet. Ik pak er één en neem hem mee naar boven. Met grote ogen, vol tranen zet ik de radio aan. 'Ik moet hier onmiddellijk weg,' denk ik. Ik buk me en streel Kattinneke. 'Je wist het, hé,' zeg ik zachtjes, 'jij wel, hé.'

© Maai Daniels