| Het staande kwartier
Daphne Buter
Op de dag dat zijn moeder werd begraven, viel sneeuw fijn als meel uit de
grijze lucht. Het maakte de weilanden leeg en de landweg wit. Het legde een frisse waas
over de uitgespreide armen van de eiken langs de dreef en bestrooide de akkers, die
maandenlang bruin en kaal waren geweest.
Rein was naar buiten gegaan om een luchtje te scheppen en voelde zich
opmerkelijk licht. Omdat hij dat ongepast vond op de begrafenis van de vrouw uit wie hij
vijfendertig jaar geleden was geboren, hield hij zijn gezicht ondanks de bijtende
noordenwind in de plooi. Terwijl hij terugliep naar de boerderij omdat hij plotseling
nodig moest, oefende hij zich alvast in het voorwenden van droefheid, voor als straks de
gasten zouden arriveren.
Hij had die nacht niet veel geslapen, soms was hij even ingedommeld
tijdens het waken bij de kist, maar niet voor lang. In de verlatenheid die in de hoeve
ademde na het overlijden van zijn moeder, was hij telkens wakker geschrokken. Hij had
geluisterd naar het zwiepen van de wind in de bomen, naar het kraken van de dakspanten,
terwijl in het schijnsel van kaarslicht zijn schaduw als een fantoom over de muren danste.
Boven de rand van de kist had hij steeds haar melkwitte handen gezien, die elkaar voorgoed
vasthielden, en een van de pofmouwtjes van haar doodshemd. Een paar keer was hij opgestaan
en had aandachtig naar haar gestolde gezicht gekeken, dat in een flakkerende tango van
kaarsvlammetjes eigenaardige grimassen leek te maken, terwijl hij zich afvroeg of ze
misschien nog ademde.
Hij had overwogen om naar bed te gaan, maar om mem achter te laten in
de doodse stilte van de deel leek hem ondankbaar. Uiteindelijk had hij zijn winterjas
aangetrokken. Hij wist dat hij toch zou blijven waken bij de kist met het versteende
lichaam, ondanks de hinderlijke kou, ondanks zijn fantasie die met hem op de loop ging. In
het holst van de nacht had de angst om zich heen gegrepen als vuur in een hooischuur.
Op het pad dat naar het schijthuis leidde bleef hij stilstaan en tuurde
omhoog naar de kale bomen. De herinnering dat hij als kind vroeger ieder voorjaar in die
bomen was geklommen om vogelnesten te vernielen, en dat zijn moeder hem dan steevast met
een stok had geslagen, ontlokte een wrange glimlach aan zijn lippen.
Vanmorgen had hij iets gedaan waar hij nu met schaamte aan terugdacht.
In de vroegte was hij opgestaan uit de stoel die naast de doodskist stond. Terwijl hij
zijn pijnlijke spieren uitrekte, had hij ironisch gefluisterd: Mijn lichaam is net
zo stijf en koud als dat van de doden.
De hele nacht had er een onwerkelijke stilte in de hoeve geheerst, een stilte die nog
versterkt werd door de geluidsdempende sneeuwlagen om het huis. Elk kwartier hoorde hij de
klok éénmaal slaan in de mooie kamer, en op de halve uren tweemaal en op de hele uren
luisterde hij naar het melodietje. Het vertrouwde geluid had er misschien wel voor gezorgd
dat hij zijn verstand niet had verloren, want de dood, en de naargeestig sfeer daar
omheen, was nog nooit zo dichtbij hem geweest. Toen de ochtend eindelijk aanbrak, kon hij
zich nauwelijks bewegen. Hij blies warme adem in zijn verkleumde handen en na enige tijd
begon hij rondjes om de kist heen te lopen om een beetje warm te worden. De kaarsen waren
bijna opgebrand en op het tafeltje lagen kegels gestold kaarsvet. Hij likte aan zijn
vingertoppen en doofde een voor een de kaarsen. Door de kleine ramen van de deel, die
vroeger koeien en paarden had gehuisvest, viel blauwachtig ochtendlicht naar binnen. Zijn
moeder, die enigszins op haar zij in de kist lag, was opgebaard in een negligé met een
jeugdig bovenstukje. Kort nadat ze vernomen had dat ze in haar nadagen leefde, was ze met
Rein naar de stad gegaan en had het nachttoilet gekocht. Het dure hemd met pofmouwen had
ze als doodshemd gewild. Hij had zich erover verwonderd dat ze haar hele leven nooit
prijzig nachtgoed had gedragen, maar dat ze het zich voor haar lijk wel wilde permitteren.
Haar blote voeten, die onder de jurk uitstaken hadden in één nacht een gelige kleur
gekregen. Rein had zich over de kist gebogen en haar marmerachtige gelaat bestudeerd.
Boven haar ogen zaten donkere vlekken en uit haar neusgaten kwamen twee geleiachtige roze
tranen. Aandachtig staarde hij naar haar maskerachtige gezicht, dat nog slechts een
karikatuur van haar levende gezicht in zich had. Huiverend, maar belangstellend
tegelijkertijd, had hij uiteindelijk zijn afkeer overwonnen en zijn hand op haar wang
gelegd. De huid voelde koud en onecht aan, hard als steen. De gedachte dat haar hele
lichaam als een standbeeld was, had in hem een onvoorziene opwinding teweeg gebracht. Hij
had geaarzeld, terwijl zijn vingers langs haar hals naar beneden waren gegleden langs de
glanzende lintjes tot aan de parelmoeren knopen van de witte nachtjurk. Als een dief die
op het punt stond om iets te stelen, had hij over zijn verstijfde schouder door de ramen
van de achterdeur naar buiten gekeken. De ochtend was nog kleurloos en ontzield. In de
verte stond een onbeweeglijk paard, dat naar hem staarde.
Zijn magere vingers hadden de knoopjes van het doodshemd geopend. Bevroren adem steeg
langs zijn gezicht omhoog. Toen hij haar verstijfde borsten zag deinsde hij achteruit en
kauwde op zijn onderlip. De ogen van het paard hadden hem als messen in de rug gestoken.
Nogmaals spiedde hij over zijn schouder. Op de barre akker zette het paard zich plotseling
af en snelde als een bleke schim over het land. Daarna had hij zijn vingers op de gestolde
tepels gelegd, die hard en bruin als kiezelstenen op haar huid lagen.
Hij zat langdurig boven het gat terwijl de wind met kille vlagen langs zijn blote
achterste gleed. Zijn hoofd lag in zijn handen. Om de spanning kwijt te raken legde hij
zijn handen op zijn geslacht en speelde ermee, maar zodra hij zichzelf aanraakte meende
hij luid en duidelijk de stem van zijn moeder te horen. IJzige windvlagen gleden door
spleten het gebouwtje in en lieten hem huiveren. Haastig stond hij op en trok zijn broek
omhoog. Hij spitste zijn oren en hoorde het tieren van de noordenwind. Nerveus begon hij
te lachen en fluisterde: Ik word nu al gek van de eenzaamheid.
Het had de hele nacht gevroren. Het pad tussen het schijthuis en de
plaats werd gemarkeerd door zijn voetsporen, maar verder was de grond nog bedekt met
onbetreden sneeuw. Gefascineerd bleef hij staan kijken naar het lege wit, dat in zijn
voorstellingsvermogen om hem heen lag uitgespreid als een lijkwade. Het herinnerde hem
eraan dat de tand des tijd ook aan zijn leven knaagde, en dat hem nog hooguit veertig
jaren restte om van het leven te genieten. Hij schrok op uit zijn bespiegeling door het
geblèr van kraaien die boven zijn hoofd cirkelden. Ze vochten om het kadaver van een
bevroren rat, die hij de avond daarvoor uit een val gehaald had en naar buiten had
gesmeten. Hij zette zijn hand boven zijn ogen. De vogels vlogen van elkaar in een
langzame, roeiende vlucht en de rat plofte voor zijn schoenen in de sneeuw. Hij bukte zich
en raapte het lijkje op. Hij streelde de vacht en keek tussen de achterpoten naar de
kleine opening. Een wijfje. De buik was gezwollen en hard, omdat ze drachtig was.
Onverwachts stemde het hem droevig dat hij een zwangere rat gedood had terwijl zijn eigen
moeder straks begraven werd. Hij betastte de buik. Meerdere jongen, zo goed als volgroeid.
Hij nam de rat mee naar binnen en legde haar in het vriesvak van de ijskast.
De aarde ademde grondmist uit die boven de besneeuwde velden hing.
Onder de bomen stond de zwarte begrafenisauto waar zijn moeder op haar doodsbed om
gevraagd had. Sneeuw smolt op de brommende motorkap. Doodgravers hipten als te grote
zwarte vogels over het erf om de gasten die afscheid kwamen nemen, naar de kist te
begeleiden. Rein bleef buiten staan. Ruwe handen van boerinnen wreven over zijn wang.
Het zal stil zijn zonder je moeder. Sterkte jongen
Handen van boeren met grove gezichten werden even op zijn schouder gelegd, met het gewicht
van een mandje appels.
Mensen uit de streek, van de kerk; kennissen van zijn moeder uit de tijd dat zij in
het weeshuis liefdadigheidswerk deed. Het waren gezichten die in de loop der tijd hun
glans waren kwijtgeraakt, met ogen waar nog een beetje jeugd in nagloeide als vonken in
een smeulend vuur, of ogen waar de dood reeds in besloten lag.
Oom Tjepke, zijn moeders jongste broer, die ineens voor hem stond in een flodderig zwart
pak met grijze krijtstreep, viel hem onverwacht om de hals en drukte hem tegen zich aan.
Troost je met de gedachte dat de goeden het eerste gaan, jongen, zei hij luid
snikkend.
De reus, die de lucht van pootaardappels om zich heen had hangen, omhelsde hem zo stevig
dat Rein moest denken aan de rat. Gisteravond had hij toegekeken hoe de rat stierf en
ervan genoten. Nu was het alsof hij zelf stikte. Met zijn hand klopte hij op de hoge rug
van zijn oom, terwijl hij zich afvroeg hoe hij zich zo snel mogelijk uit de omstrengeling
los kon maken. Hij sloeg hem harder op zijn rug, zo hard dat het zijn oom wel moest
hinderen, maar deze legde slechts zijn vingers op Reins achterhoofd en wreef door zijn
haren, terwijl hij hysterisch snikkend in zijn oor brulde: Laat je maar gaan,
stumpert. Je hebt niemand meer over. Je bent een wees. Waarna hij luidruchtig begon
te loeien.
De hoge rug was een familiekwaal, het begon ongeveer rond het
twintigste levensjaar. Bij Rein was het vijftien jaar geleden ergens in zijn bekken
begonnen. Een onzichtbare hand had zijn ruggengraat beetgepakt en elk jaar verder omhoog
geschoven. De ontstoken wervels onder zijn huid waren kromgegroeid; zijn hoofd stond al
enigszins scheef op zijn nek.
De rug groeide door totdat je lelijk en kromgebogen stierf en amper in
een doodskist paste. De begrafenisondernemer van het uitvaartcentrum een man met
een zuinige mond had hem meegedeeld dat mem niet op de gebruikelijke manier kon
worden opgebaard. De voorzienigheid heeft beslist dat uw moeder op de zij zal moeten
rusten.
Oom Tjepke kreeg een hoestbui liet hem los. Hij spuugde een fluim in de
sneeuw en toverde een zakdoek uit zijn jaszak en snoot luidruchtig zijn neus.
Met je moeder zal je ook een deel van je leven begraven, dat zal
je de komende tijd nog wel merken, zei hij profetisch. Hij sprak de woorden uit als
een vloek, schuddend met zijn enorme hoofd.
Het beste deel, antwoordde Rein. Daarna glimlachte hij
goedmoedig, er steeds voor zorgend dat de uitdrukking in zijn ogen droevig scheen. Hij
schoof de knoop van zijn stropdas aan.
Zijn oom begon te fluisteren: Je moeder leed onder haar handicap,
net als jij en ik. Wij weten als geen ander hoe wreed de mensen kunnen zijn. Je moeder en
ik waren tot elkaar verdoemd, als je begrijpt wat ik bedoel
Met zijn kin
potsierlijk tegen de borst gedrukt, spiedde hij met sombere ogen naar de boeren en
boerinnen in hun zondagse kleren. Hij boog zich dichter naar hem toe en fluisterde alsof
het een geheim betrof: Mensen zijn wreder dan dieren. Al die gasten hebben leugens
over ons rondgestrooid, maar nu komen ze haar in hun beste kleren de laatste eer
bewijzen. Zijn adem rook naar maagzuur en alcohol.
Ze heeft daar nu geen weet meer van, zei Rein sussend.
Hij keek naar de doodgravers. Twee zwarte standbeelden aan weerszijden van de staldeur. Ze
bogen zo nu en dan hun vastgeroeste hoofden naar de aarde en keken naar hun glimmende
schoenen, of ze richtten ineens hun vrome gezichten op naar de hemel, zo te zien om hun
verveling te verdoezelen.
Oom Tjepke haalde zijn schouders op.
Ze heeft een zwaar leven gehad, zei hij. Aan de dood
is natuurlijk geen eer te behalen, maar dit is tenminste een dag waarop ze geen kwaad over
haar durven te spreken. Hij sloeg een kruisje en vouwde zijn handen in elkaar alsof
hij bad.
Rein onderdrukte een geeuw. De rij schoot niet op. Met onbewogen
gezichten gingen de gasten naar binnen. Met zakdoeken voor hun ogen kwamen ze naar buiten.
Het deed hem denken aan het tafereel rondom de ingang van een theater.
Rein werd op zijn schouder getikt en hij draaide zich om. Tegenover hem
stond een morsige vrouw. Een jaar of veertig. Ze droeg een verfomfaaid jasje van
konijnenbont, een zwarte satijnen rok vol piskreukels, kniekousen, doorweekt schoeisel.
Over haar schouder hing een handtas van rood lakleer.
U bent zeker de zoon van de dooie? Ik zag het al op afstand. Kan
niet missen.
Een onprettige snijdende stem. Ze gaf hem een hand die zweterig aanvoelde. Lijntjes en
oneffenheden gaven haar gezicht een vermoeide uitdrukking. Rode lippenstift zat slordig in
de groefjes van haar lippen.
Als u met de dooie mijn overleden moeder bedoeld, dan
ben ik inderdaad haar zoon, antwoordde Rein stijfjes.
Er viel een korte stilte, waarin Rein zich afvroeg of hij de vrouw kende, terwijl zij hem
aanstaarde met een onderzoekende blik.
Ik ben een oude bekende van de dooie, zei de vrouw na enige
tijd. Ze knikte naar oom Tjepke en glimlachte gemaakt. Ze had een lelijk gebit met spleten
tussen de tanden. Boven haar hoektand groeide nog een hoektand uit haar kaak. Nee, hij had
haar nooit eerder gezien. Dat gebit zou hij zeker onthouden hebben.
Als kind heb ik in het tehuis gewoond. Ik ben een wees. Je moeder
verzorgde mij. Ik mag toch wel je zeggen?
Oom Tjepke begon droog te kuchen.
Ze haalde mismoedig haar schouders op, opende de glanzende handtas en
haalde er een verkreukelde foto uit.
Kijk, dit ben ik en dat is je moeder. Ik heb de foto jarenlang
bewaard.
Ze stak haar hand met het kiekje naar hem uit, een witte klauw met
lange verveloze nagels. Rein pakte de foto aan en bekeek hem vluchtig.
Hou hem maar, wat moet ik er anders mee? zei ze.
Haar tong likte over het gebit vol kieren terwijl ze haar jas opende.
Onder de jas droeg ze geen trui maar een roze bloes die om haar borsten plooide. Het
kinderlijke roze vloekte bij het rood van de handtas.
Het is te koud om uw jas los te doen, zei oom Tjepke met
een samengeknepen mond.
Poeh! Ik heb het altijd warm, altijd. Ze wapperde met haar hand
langs haar gezicht alsof het zomer was en ze in de felle zon stonden te praten. Ineens
hield ze haar hand stil en grijnsde naar oom Tjepke. En jij bent ook familie, dat
zie ik zo. Haar broer zeker?
Ja, ik ben de broer van de dooie, antwoordde oom Tjepke
nors. Hij sloeg zijn armen over elkaar, deed een stapje achteruit en staarde langs de
vrouw heen naar de boerderij, waar zes doodgravers juist de lijkkist op hun schouders naar
buiten droegen. De vrouw staarde met een minachtende blik naar oom Tjepke.
Rein zag hoe de kraaien achter haar de kist over het pad naar de weg
droegen, terwijl de rouwgasten stonden te blauwbekken op het erf en de kist nakeken totdat
hij tussen de eiken verdween.
Heeft ze eigenlijk onverwachts de pijp aan Maarten gegeven?
vervolgde de vrouw met haar harde stem. Ik las de rouwadvertenties in de krant en ik
schrok me een beroerte toen ik haar naam ertussen zag staan. Ik dacht: ze heeft stiekem
het loodje gelegd. Zesenvijftig jaar, dat is toch eigenlijk geen leeftijd om er tussenuit
te piepen? Een hartaanval zeker?
Haarslierten wapperden om haar alledaagse gezicht. Op haar wangen zaten
wratjes die ze met pancake getracht had te verdoezelen, maar die daardoor juist opvielen.
Rein stak de foto in de binnenzak van zijn jas.
Het was een kort ziekbed. K, fluisterde hij.
Dat is een rotziekte, zei de vrouw luid. Ze stak een
filtersigaret tussen haar lippen en zocht in de tas naar een aansteker.
Is deze dame een kennis van jou? Oom Tjepke fronste zijn
wenkbrauwen, maar toen hij de vrouw tevergeefs naar een aansteker zag zoeken streek hij
toch een lucifer af en hield het vlammetje met zijn hand er omheen, voor haar gezicht.
Dank je, vadertje, zei ze. Een sliert rook verdween als
voedsel in haar mond.
Rein schudde haastig zijn hoofd. We ontmoeten elkaar vandaag voor het eerst. Mevrouw
is een van mems kinderen geweest in het tehuis, is het niet?
De vrouw klikte haar tas dicht.
Een van mems kinderen, herhaalde ze. Ze lachte
snijdend. Toen stak ze ineens haar hand op en liep weg, zwikkend op de hakken van haar
pumps. Verderop ging ze tussen de mensen staan en keek voor zich uit over de weilanden,
waar sneeuw traag als bloesemblaadjes uit de lucht begon te dwarrelen.
Een bijzondere verschijning, zei oom Tjepke smalend. Hij
wreef in zijn handen en vervolgde zuchtend: Er komt van alles op zon
rouwadvertentie af.
Rein haalde de foto uit zijn jaszak, bekeek hem en toonde hem aan zijn
oom. Zijn moeder was gemakkelijk te herkennen op de afdruk. Ze stond tussen een heleboel
kinderen in, op een grasveld voor een ouderwets gebouw. Het was onmogelijk om vast te
stellen welke van de wezen was uitgegroeid tot de vrouw die hem de vergeelde foto had
gegeven.
Je moeder was vroeger een knappe vrouw, zei oom Tjepke. Hij
tikte met zijn vinger op de afdruk. In die tijd had ze een stoet aanbidders, ondanks
haar handicap.
Rein wist dat het niet waar was. Zijn moeder was nooit aantrekkelijk geweest, maar hij
knikte en stopte het kiekje terug in zijn jaszak.
De volgende begrafenis zal de mijne wel zijn, mopperde zijn
oom terneergeslagen, terwijl ze in de richting van de gasten liepen.
Oom Tjepke was nooit getrouwd en woonde alleen. Veel familie hadden ze
niet meer over. Rein had zijn vader niet gekend, die was al voor zijn geboorte overleden.
Mem zei altijd dat het al zolang geleden was dat ze eerst zijn gezicht en daarna zijn geur
vergeten was. Geuren waren misschien nog belangrijker dan gezichten. Het zoete parfum van
de slonzige vrouw had in de lucht gehangen, totdat het werd verdreven door de wind.
U wordt vast honderd jaar, hoorde Rein zichzelf
overdrijven.
Nieuwsgierig bespiedde hij de vrouw in het jasje van konijnenbont. Toen ze zag dat hij
naar haar keek, knipoogde ze naar hem. De processie kwam juist in beweging en ze loste op
in de schare. Er waren geen volgautos, omdat moeder het zo gewild had. Zonde
van mijn spaarcenten, en het kerkhof is toch vlakbij, had ze gezegd.
Rein werd door een doodgraver bij zijn arm genomen en in het midden van
de oprijlaan geposteerd, om direct achter de auto aan te lopen. De uitlaat van de luxe
wagen stuurde donkerblauwe rookwolken op hem af. Hij gleed uit over een bevroren plas
water op de weg en wist maar net te voorkomen dat hij op zijn achterste viel. Bloed steeg
naar zijn hoofd en zonk daarna naar zijn benen.
Zijn moeder had besloten dat de gasten achter de auto moesten aanlopen,
en dat Rein voorop moest in een zwart pak. Geen bloemen, slechts één grafkrans uit Reins
naam, met Aronskelken en een paars rouwlint. TERUG IN DE ARMEN VAN HAAR
SCHEPPER, MIJN LIEFDEVOLLE MEM. Ze had de krans nota bene zelf uitgezocht en
betaald, en de tekst op het lint zelf bedacht. Rein vloekte binnensmonds. Zelfs over haar
eigen begrafenis voerde ze nog de regie. Ze had alleen niet voorzien dat het zou sneeuwen
op de grote dag.
Hij liep achter de auto aan en hoorde in het schuifelen van schoenen
over de weg het hoefgetrappel van een kudde paarden. Hij gluurde
door de achterruit de auto in, waar haar gekiste lijk onder de rouwkrans lag, gereed om
aan het graf gevoerd te worden. Ze hadden de kist met drie man moeten sluiten. Hij dacht
aan de gestolde borsten onder de dure nachtjapon. Ik had haar steenkoude tepels in mijn
mond moeten nemen, dacht hij. Hij vroeg zich af hoe hij zoiets kon denken, hoe hij zoiets
verwerpelijks had kunnen doen als het betasten van haar borsten. Het beeld van haar
borsten met tepels als grintkorrels dwarrelde voor zijn ogen, als een visioen. Om zijn
gedachten te verzetten keek hij naar de vogels in de kale bomen, terwijl de stoet achter
hem aanliep. Misschien stootten jonge vrouwen elkaar nu aan en zeiden ze tegen elkaar:
Die gebochelde stumper, hij heeft nog nooit een vrouw gehad en de enige vrouw die
een rol gespeeld heeft in zijn leven was zijn moeder. Wat zal er zonder haar van hem
terecht komen?
Maar daar zou nu een einde aan komen. Zijn moeder was dood en zijn
leven zou beginnen. Hij schrok van deze inval. Hij had nog nooit over een vrouw beschikt,
dat was waar. Zijn moeder had het hem voorspeld toen hij nog klein was, toen zijn rug nog
glad was en hij nog een rotsvast vertrouwen in haar had gehad. Mijn kleine jongen
blijft altijd bij mem. Zelfs toen hij volwassen werd en over zijn toekomst
fantaseerde, had zijn moeder het hem uit het hoofd gepraat: Er is geen één vrouw
die een invalide hebben wil. Kijk maar naar oom Tjepke, die is ook nog steeds alleen. Die
heeft niemand. Jij hebt je moeder tenminste nog en ik hou zoveel van je, ik heb je negen
maanden gedragen, daar kan de liefde van een andere vrouw nooit tegenop. Gelukkig is de
boerderij groot genoeg voor ons beiden, anders zou je net als oom Tjepke opdrogen van
eenzaamheid. Bovendien kan ik je hier niet missen. Je laat je moeder toch niet alleen?
Niet na alles wat ik voor je gedaan heb
Hij balde zijn vuisten in de zakken van zijn jas. Elke moeder zag er
tegenop om haar kind als het opgroeide, af te staan aan de wereld, maar zijn moeder had
hem bezeten zoals ze paarden, honden en kippen had bezeten en hij had het toegelaten; hij
had zich net zo volgzaam gedragen als de dieren. Zijn moeder had hem verteld wat hij moest
eten, welke kleren hij moest dragen en met welke mensen hij om mocht gaan, waardoor hij in
zekere zin het leven leefde dat zij stukje bij beetje voor hem had uitgestippeld. Zijn
leven was haar bezit geweest, al vanaf de dag dat zijn vader in een ver verleden zijn
geslacht in haar had laten leeglopen. Hij had in haar lichaam gewoond, als een parasiet
had hij van haar bloed gedronken, haar voedsel gegeten. Hij had negen maanden in haar buik
rondgedreven als een luie vis en toen hij eenmaal geboren was moest hij haar daarvoor
terugbetalen, zolang zij leefde. Hij dacht aan de rat die thuis in het vriesvak van de
ijskast lag. Hij had altijd een fascinatie gehad voor dode dingen, maar dat de rat zwanger
bleek te zijn, had hem geschokt. Zoals de jongen in de buik van die rat waren gestorven,
zo was hij in zekere zin al voor zijn geboorte in haar buik gestorven.
Zijn schoenen sloften door de sneeuw. Zijn spieren deden hem pijn en
sjorden aan zijn ontstoken botten. De auto maakte een bocht en Rein fladderde er met de
plechtige meute achteraan.
Op de begraafplaats zag hij de vrouw weer. Ze stond ineens naast hem met een bos bloemen
in haar hand, toen de kist in de aarde werd neergelaten. Haar ogen rood en betraand.
Ik kan niet tegen begrafenissen, verontschuldigde ze zich.
Ik moet er altijd van janken; ik huil nog harder dan de nabestaanden.
Ze verstoorde het belangrijkste moment van de uitvaart. Het moment dat
zijn moeder met haar herinneringen en gewoontes voorgoed in de aarde verdween.
Hij stak haar een zakdoek toe waarmee ze haar ogen depte en haar neus
snoot. Groezelig van lippenstift en mascara gaf ze hem de zakdoek terug. Daarna bukte ze
zich en kwakte de bloemen op de zinkende kist. Het maakte een houterig geluid op de
deksel, twee rode rozen vielen uit de bos en bleven naast het graf in de sneeuw liggen,
als klodders bloed.
Rein hoorde gemompel. Hij keek weg van de rouwenden om de afkeurende blikken niet te
hoeven zien.
Ik moet hier weg, het wordt me te veel, zei ze snikkend. De
vrouw pakte hem bij zijn arm en hij liet zich meevoeren door een haag van stinkende
winterjassen.
Ze liepen het pad af tot aan de ingang van de begraafplaats, toen hield ze pas op met
snikken en liet hem los.
Ik had me voorgenomen om niet te janken, zei ze
hoofdschuddend.
Hij haalde zijn schouders op. Het geeft niet. Ik begrijp het wel. U kunt nog gebruik
maken van de koffietafel in de boerderij, zei hij vriendelijk.
Ze schudde ongeduldig haar hoofd.
Nee, ik word bloednerveus van zoveel mensen om me heen. Ga jij nu maar terug naar je
gasten. We zien elkaar nog wel.
Ze gaf hem een hand. Daarna liep ze het besneeuwde grintpad af. Door
het met krullen versierde smeedijzeren hek verliet ze de begraafplaats.
Na de teraardebestelling werd er de koffie geschonken door twee
vriendinnen van zijn moeder. Bertha en Tjitske waren grofgebouwd en zwaarlijvig. Ze waren
allebei behaard, zoals alle vrouwen in deze streek. Zijn leven lang had Rein geleefd
tussen vrouwen die behaard waren als ossen. Vrouwen met stompe neuzen en rode wangen vol
adertjes. Hij kende hun geur want ze roken om het even, naar zure melk, hooi en mest. Op
zon- en feestdagen roken ze naar een goedkoop parfum, net als op begrafenissen. Bertha
liep met een dienblad vol dampende koffiekopjes rond. Het porselein van zijn moeder.
Kopjes met een gouden rand, versierd met bloemen. Tjitske serveerde rozijnencake en
boterhammen met kaas en grove worst.
De gasten vulden de stal en condoleerden hem. Hij stond op de plaats
waar vannacht de kist had gestaan en nu had hij het gevoel dat hij zelf elk moment dood
neer zou kunnen vallen. Zijn spieren gloeiden, zijn ogen traanden. Zijn nek liet zijn
hoofd zwaarmoedig hangen. Nadat hij de laatste mensen te woord had gestaan, de laatste
handen had geschud, schuifelde hij naar de bijkeuken. Daar bleef hij op een stoel zitten
en hield zich stil tot de gasten vertrokken waren.
Hij was in slaap gedommeld toen er op de gesloten luiken van de boerderij werd geklopt.
Dat zal mem zijn, dacht hij, terwijl hij opvloog uit de stoel. Meteen
daarna schudde hij zijn hoofd en begon nerveus te lachen. Macht der gewoonte,
mompelde hij.
De staartklok sloeg zeven uur, gevolgd door het melodietje. Het geklop op de blinden werd
dringend. Een vrouwenstem riep: Man, doe eens open. Ik sta hier te
vernikkelen.
Hij opende het slot van de staldeur. Fijne sneeuw jaagde laag over de aarde. Het was nog
kouder geworden, een bijtende windvlaag overviel hem en benam hem de adem. Argwanend
zochten zijn ogen het lege erf af. De wolken boven de weilanden waren donkerblauw met
lichtgevende barsten; een mengsel van dag en avond. In de verte stonden twee paarden
roerloos in de sneeuw.
De vrouw kwam schijnbaar uit het niets te voorschijn en wurmde zich
vrijpostig door de deur naar binnen. Ze klopte sneeuwvlokken van het flodderige
konijnenbontje.
Ik vermoede al dat je thuis was. Als je moeder net onder de grond
ligt dan ga je natuurlijk niet naar de kroeg. Ze giechelde. Wat een winter, ik
ben bevroren tot op mijn botten.
Wat komt u doen? Het klonk onvriendelijker dan hij wilde.
De wind duwde tegen de open deur als een bemoeizuchtige hand. In het achterland blafte
onophoudelijk een hond.
Ze keek hem verbaast aan. Je hebt me de foto niet
teruggegeven, zei ze.
Ze knoopte haar jas los. Onvermurwbaar stond hij bij de geopende deur.
Hij herinnerde zich dat ze tegen hem had gezegd dat hij de foto mocht houden, maar hij zei
het niet.
Die zit nog in mijn jaszak. Komt u dan maar even verder. Met tegenzin sloot
hij de staldeur.
Hij liet haar voorgaan naar de mooie kamer. Haar afgetrapte schoenen
lieten klonten sneeuw achter op het vloerkleed. Huiverend wreef ze in haar handen en keek
nieuwsgierig om zich heen. Ineens draaide ze zich om en pakte zijn handen beet. Haar
vingers waren koud als ijspegels.
Ik zou wel een glas wijn lusten. Vanmiddag toen ik je zag dacht
ik: hij is eenzaam en ik ben eenzaam. Misschien kunnen we elkaar een beetje
opvrolijken.
Hij schrok van haar voorstel en deinsde achteruit.
We hebben nooit wijn in huis, zei hij. Ik heb geen wijn in huis bedoel
ik. Mem dronk geen alcohol en zelf geef ik er weinig om. Ik kan u een kop koffie
aanbieden.
Dat is ook zo, mem had een hekel aan drank, zei ze
zuchtend, terwijl ze het konijnenbontje uittrok en over de rug van een stoel hing. Ze ging
aan tafel zitten en glimlachte. Koffie is goed, vervolgde ze.
Rein warmde koffie op in een steelpan en kookte melk. Ondertussen hoorde hij de vrouw in
de kamer. Haar handtas kraakte. Hij gluurde vanuit de keuken het vertrek in en zag dat ze
een sigaret opstak. Hij schudde zijn hoofd. Als mem wist dat die vrouw sigaretten rookte
in de mooie kamer zou ze zich omkeren in haar graf.
Toen hij de koffie in de bekers schonk, stond ze ineens achter hem. Ze
leunde tegen de deurpost en rookte.
Ik begrijp niet waarom mensen roken, zei hij korzelig,
terwijl hij haar een beker aangaf.
Ze ging hem heupwiegend voor naar de kamer.
Omdat ze verslaafd zijn aan nicotine, antwoordde ze.
Bij de tafel keerde ze zich om en legde even haar hand met de klauwachtige nagels op haar
borstkas. Ik heb me nog niet eens aan je voorgesteld. Stom. Ze noemde haar
voornaam. Heeft ze wel eens over me gesproken? Ze glimlachte mistroostig.
Hij nam plaats op een stoel tegenover haar, schraapte zijn keel en
glimlachte toen omdat hij ineens met haar te doen had.
Mem sprak niet vaak over het weeshuis, het spijt me.
Dat dacht ik al. Ze haalde haar schouders op en nipte van
haar koffie. Haar lippen lieten rode vlekken achter op de rand van de beker.
Ze zaten zwijgend tegenover elkaar. De vrouw zette de beker op tafel en zoog aan het
filter van haar sigaret. Rein roerde met een lepeltje in zijn koffie.
Zijn uw ouders overleden toen u nog klein was? vroeg hij in
een poging om een gesprek op gang te brengen.
Min of meer, antwoordde ze bedachtzaam. Ineens boog ze zich
over de tafel naar hem toe en vervolgde op een snibbig toontje: Ik ben weggedaan,
begrijp je? Ik was niet gewenst. Ze blies rook in zijn gezicht, beet op haar
onderlip en lachte schamper. Het is geen frisse geschiedenis. Ik denk niet dat je de
details wilt weten.
Abrupt stond hij op en liep naar de gang. De foto zat nog in de
binnenzak van zijn jas. Hij liep ermee terug naar de kamer en legde hem voor haar op de
tafel.
Alstublieft, hier heeft u de foto terug.
Ze reageerde niet. Met haar aansteker stak ze een stompje aan van een
van de kaarsen die vannacht naast de kist hadden staan branden. Aandachtig keek ze naar
een foto die aan de muur hing. Rein als kleuter, zittend tussen moeder en oom Tjepke in.
In het weeshuis fantaseerde ik altijd over een thuis,
merkte ze op. Ik had hier ook best willen wonen. Begrijp je wat ik bedoel? Ieder
mens heeft behoefte aan familie. Het is afschuwelijk om niet gewenst te zijn.
Hij kuchte droog. Ik hoop niet dat u het erg vindt als ik u vraag
om het bezoek kort te houden, zei hij. Het is een zware dag geweest en
vannacht heb ik bij de kist gewaakt.
De klok sloeg. Hij keek naar de wijzerplaat, kwart over zeven.
Ze dronk de beker leeg en hield hem omhoog. Kom, zei ze.
Alleen is maar alleen. Ze keek hem aan met grote droevige ogen.
Hij pakte de beker aan. Uitdagend streek ze met haar handen over haar
borsten en rekte zich uit. Hij schrok van het gebaar. Mijn god, hoe krijg ik die vrouw
hier weg, dacht Rein, en hij sjokte terug naar de keuken.
Dat mens zat in de kamer op koffie te wachten. Ze had met haar klauwachtige handen over
haar borsten gestreken, uitnodigend als een hoer. Misschien was het een prostituee die via
rouwadvertenties mannen uitzocht die eenzaam achterbleven om hen daarna te verleiden. Hij
morste hete melk over zijn hand en vloekte. Nee, zijn moeder was gestorven, niet zijn
vrouw. Ze kende zijn moeder. Ze was een wees. Alleen is maar alleen, had ze gezegd. Ze
kwam om de foto op te halen, dat was alles.
Toen hij terugkwam in de kamer was de vrouw verdwenen. Even bleef hij
verbaast in de deuropening staan en overwoog of het mogelijk was dat zij achter hem langs
door de keuken was geglipt, naar de staldeur. Het bontjasje hing als een aangeschoten dier
over de stoel, de foto lag onberoerd op tafel. Hij zette de beker koffie ernaast en keek
om zich heen. Haar handtas en de brandende kaars waren verdwenen. Hij hoorde gelach vanuit
de slaapkamer van zijn moeder. Bloed steeg naar zijn hoofd.
Wie dacht die vrouw dat ze was om zo met hem te sollen? Dacht ze
misschien dat ze met een invalide de draak kon steken? Kwaad trok hij de deur van de
slaapkamer open en zag haar in het schijnsel van de kaars liggen, uitgestrekt op de
beddensprei, naakt.
Mijn god, wat doet u?
De kaars doofde met een sissend geluid. De vrouw gaf geen antwoord. Hij
hoorde lakens ritselen. Ze kruipt in mems bed! dacht hij paniekerig. Hij haastte
zich om de deur te sluiten.
Mevrouw, ik vraag u om te vertrekken! riep hij door de deur
heen. Geen reactie. Hij begon op de deur te kloppen. Hoort u mij? Ik zou graag
willen dat u zich aankleed en onmiddellijk vertrekt. Hij beet op de knokkels van
zijn hand en legde zijn oor tegen de deur.
Ik heb zin in je
Zenuwachtig begon hij door het gangetje te ijsberen. In een opwelling liep hij naar de
telefoon en draaide het nummer van oom Tjepke, maar hij legde meteen weer op. Hoe zou hij
moeten uitleggen dat er een naakte vrouw in moeders bed lag? Ineens bleef hij stilstaan.
De woorden van zijn moeder galmden door zijn hoofd: Geen vrouw wil je hebben. Kijk
maar naar je oom, die is ook nog steeds alleen
Hij zette zijn handen op zijn
oren, liep terug naar de slaapkamer en bonsde met zijn vuisten op de deur. Als u
niet naar buiten komt dan kom ik u halen.
Man, je wilt het net zo graag als ik.
Hij opende de deur en gluurde naar binnen.
Ze sloeg de dekens opzij en toonde hem haar naakte lichaam.
Mevrouw, wat wilt u nou van me? Dit kan toch zomaar
niet
Laat me je even opwarmen, zei ze hees.
Aarzelend liep hij naar het bed. Ze pakte zijn handen en trok hem naar
zich toe. Nadat hij naast haar was gaan liggen dekte ze hem toe, alsof hij een kind was.
Man, wat heb je koude klauwen, fluisterde ze. De klok sloeg
half acht. Ze kusten, haar tong smaakte naar tabak. Ze begon hem uit te kleden. De kou die
in de kamer hing streek langs zijn lichaam, terwijl hij op haar kroop. Toen hij in haar
kwam dacht hij aan de dieren op het land. Hoe vaak had hij dieren zien doen wat mensen ook
doen? Ze sloeg haar benen om hem heen en verstilde onder hem als een merrie onder een
hengst. Ze plantte haar nagels in het vlees van zijn rug.
Je bent geen haar beter dan je oom, hijgde ze in zijn oor.
Ze spuugde haar woorden met een grafstem de kamer in en lachte schel.
Een wolk bloed duizelde naar zijn hoofd. Hij zag voor zich hoe een
hengst van de merrie afgleed, zijn geslacht dampend in de mist.
Hij klom uit het bed, liep naar de keuken en opende het vriesvak van de ijskast.
Op de rat had zich een laag ijs afgezet. Hij nam het beest in zijn hand en drukte op de
harde buik. Hij deed de lampen uit in huis en liep terug naar de slaapkamer.
Ik heb iets voor je, zei hij schor.
Is het de foto? Die hoef ik niet terug. Ik haat haar. Ik ben blij
dat ze dood is.
Hij ging naast haar liggen, drukte een kus op haar voorhoofd en legde de rat op haar buik.
Gadverdamme, wat is dat?
Ze klikte haar aansteker aan. In het schijnsel van de vlam zag hij haar verdrietige
gezicht, dat in schaduwen gedompeld op zijn gekiste moeder leek. Met een klik doofde het
vlammetje. Ze begon hysterisch te lachen.
Man, ik ben niet vies van ratten. Soort zoekt soort.
Hij hoorde een doffe klap op het zeil.
Ze hadden alleen elkaar, ze waren tot elkaar verdoemd,
fluisterde hij.
Ze trok hard aan zijn haar, likte met haar tong over zijn wang en beet in zijn oor.
Zwijg toch, die hoer heeft ons leven verneukt. Ze begon hem te zoenen. Haar
hitte kwam weer om hem heen als een bedwelmende tuin.
Even overwoog hij om op te staan, maar hij bleef doodstil liggen en staarde met wijdopen
gesperde ogen in de duisternis, terwijl haar handen hem weer levend maakten.
Buiten hinnikte een paard. Toen hoorde hij hem draven, een eenzaam
paard dat zich warmliep in het bevroren landschap.
© Daphne Buter |