Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel

Het ultieme begin

Fernand Auwera

 

Aan elf groepstentoonstellingen had hij deelgenomen, en er stonden vier individuele tentoonstellingen op zijn naam, maar beeldhouwer Jan Swarthout was vrijwel onbekend. Hij zag eruit als de meeste van zijn beelden, schraal en onafgewerkt.
    In zijn curriculum vitae kon men lezen dat zijn werk te zien was in privé-collecties over de hele wereld (een vroegere vriend was naar Mexico geëmigreerd, zijn ex-vrouw leefde in Amerika, en na een one-nightstand had hij romantisch een beeldje cadeau gedaan aan de echtgenote van een piloot die toentertijd zijn standplaats in Kuala Lumpur had). Af en toe kreeg hij een opdracht, en op het marktplein van zijn geboortedorp stond sinds tien jaar, niettegenstaande protest van een ruim deel van de hoofdzakelijk conservatieve burgerij, zijn gietijzeren beeld dat Sagittarius voorstelde met een te prominente penis.
    Hij werkte hard aan de voorbereiding van een individuele tentoonstelling in Antwerpen. Als succes ditmaal uitbleef, stopte hij ermee, had hij met zichzelf afgesproken. Hij voelde zich weliswaar uitsluitend in harmonie met zichzelf als hij werkte, maar de slopende frustratie en vooral de ergernis telkens als hij werd geconfronteerd met het riante succes van veel collega's, werden hem te zwaar. Het troostte hem niet meer dat sommigen hem op een of andere vernissage wel eens toevertrouwden, glaasje schuimwijn in de hand, echt niet te begrijpen waarom hij zo weinig aan de bak kwam.
    Sylvia, zijn laatste vriendin, zei altijd dat het zijn eigen stomme schuld was. Als je niet in jezelf gelooft, doet iemand anders dat evenmin, zei ze. Als je niet van jezelf houdt, doet iemand anders dat evenmin, zei ze ook. Hij durfde haar niet te vragen: 'En jij dan?' En later kapte ze trouwens met de relatie.
    Op een regenachtige maandagmorgen kreeg hij een brief van het gerenommeerde Engelstalige kunstblad ABC (hij beweerde altijd dat het de afkorting was van Art, Bullshit, Camp), waarin werd gemeld dat er interesse was voor een groot verhaal over zijn werk, in de vorm van een interview met Mik Catrisse. Hij wachtte pro forma twee dagen en faxte toen dat hij akkoord ging en vereerd was. Er werd een afspraak gemaakt, meteen ook voor een uitgebreide reeks van in zijn atelier te maken foto's.
    Hij kende Mik Catrisse slechts oppervlakkig, had hem enkele keren gezien op vernissages en andere culturele bijeenkomsten en hem nogal 'showerig' gevonden, maar hij moest wel toegeven dat hij aan de telefoon sympathiek en werkelijk geïnteresseerd klonk.
    Er kwam een hittegolf over het land en de lucht leek al na enkele dagen bedompt en verbruikt. Zijn atelier was verschrikkelijk warm, maar hij bleef doorwerken, dronk liters water en naarmate de dag van het interview naderde, werd hij nerveuzer. Hij had verzuimd Catrisse te vragen hem vooraf enkele cruciale vragen te sturen, zodat hij zich beter kon voorbereiden. Ik ben geen prater, had hij aan de telefoon gewaarschuwd.
    Thuis verzamelde hij al zijn oude nummers van ABC. Aandachtig en met grote mildheid las hij de recensies en interviews die Catrisse erin gepubliceerd had, en hij maakte talrijke notities.
    Het sleutelwoord, bedacht hij, is 'betekenis'.
    Terwijl hij beitelde, kneedde of laste (want hij werkte met alle denkbare materialen en wist ze ook op soms vernuftige en verbluffende wijze te combineren), dacht hij niet echt aan het gesprek. Nauwelijks had hij evenwel hamer, brander, beitel of lasapparaat neergelegd, of het interview drong zich onweerstaanbaar aan hem op. Hij voelde zich even hitsig en angstig als toen hij zijn eerste afspraak maakte om te neuken. Hij verzon rake replieken op vragen die Catrisse hopelijk ook zou stellen. Hij maakte notities en geheugensteuntjes, en leerde enkele bijzonder rake formuleringen of aforistisch getinte uitspraken uit het hoofd, vastbesloten ze hoe dan ook ergens in een van zijn antwoorden onder te brengen. Zo noteerde hij:
    'Vroeger waren de beroemdste kunstenaars ook de meest bekwame vaklui, nu zijn ze ook de meest bekwame reclamejongens.'
    Ook: 'Er zijn kunstenaars die goed werk maken, en er zijn kunstenaars die van zichzelf werk maken.'
    Hij schreef een korte passage waarin hij de producten van de meeste moderne kunstenaars vergeleek met het werk van cartoonisten (een vluchtige, aardige, originele impressie, verder niks aan de hand), en nam zich voor aan de interviewer te vragen of hij ook zelf een vraag mocht stellen, namelijk of hij het verschil duidelijk kon maken tussen het vrijwel onbetaalbaar dure en wereldwijd opgehemelde werk van zoveel beroemde modernen en het werk van anonieme etalage-inrichters die met even verrassende en originele ideeën voor meestal een schraal loon uitstalramen creëerden waar alleen maar winkelende huisvrouwen belangstelling voor hadden.
    'Het experiment is in de kunst onmisbaar,' noteerde hij, 'als het zich tenminste niet institutionaliseert.'
     En: 'Een experiment dat algemene waardering krijgt, blijkt nooit een experiment, maar altijd vermomd plagiaat te zijn.'
     De lectuur van de interviews had hem ook duidelijk gemaakt dat Catrisse niet afkerig was van heel persoonlijk getinte vragen. Vooral dat maakte hem onzeker. Ik heb niets te verbergen, dacht hij, en dus ook niets interessants over mezelf te vertellen. Sylvia, van wie hij echt wel gehouden had (ze had een roomblanke huid, maar het dikke, stevig krullende zwarte haar van een negerin, hij was kapot geweest toen ze had gezegd dat het niet meer hoefde voor haar, maar aan de andere kant had hij toen het nog wel goed was tussen ze, heel onberoerd aan bijvoorbeeld haar dood kunnen denken), had hem altijd uitgedaagd om los te komen.
    'Ik weet niet wat je bedoelt,' had hij willen repliceren, maar hij deed het nooit, en tenslotte was het dus te laat.
     Normaal werkte hij ook tijdens weekends verder, maar om zich ontspannen op het belangrijke gesprek te kunnen voorbereiden, besloot hij een uitzondering te maken. Hij oliede zijn sinds lang ongebruikte racefiets en karde een hele zaterdag fanatiek door de Kempen, een tocht die verkwikkend had kunnen zijn als ze dertig kilometer korter was geweest. Hij bestierf het van de dorst toen hij eindelijk thuis arriveerde, en zoop zich lazarus. Hij kwam uit de douche, liep naakt naar de keuken voor een flesje bier, schakelde na drie flesjes over op jenever terwijl hij, nog altijd bloot, in de grote fauteuil bij het raam zat, en in het album bladerde waarin hij foto's bewaarde van elk beeld dat hij ooit had gemaakt. Voor hij insluimerde, besloot hij het project waar hij mee bezig was (een reeks van vierendertig nauwelijks tien centimeter hoge dubbelfiguurtjes die, als ze in een bepaalde slagorde dicht bij elkaar op een bord van zwart gelakt hout werden gezet en van pal bovenop werden bekeken, een kinderhoofdje leken te vormen), voorlopig stop te zetten en een 'zelfportret' te construeren uit hout, steen en metalen banden. Het beeld zou enkel zijn achterhoofd tonen.
    Hij vond in zijn atelier nog een brok graniet van ongeveer 30 x 30 cm en 10 cm dik, bevestigde er een stevige ijzeren pin op die, met een hoek van 25° , een plank schraagde van ongeveer een halve meter hoogte en 35 cm breedte. In die plank maakte hij enkele gleuven waar hij 2 cm brede metalen banden door trok, tot ze min of meer een ingezwachteld achterhoofd en een nek suggereerden. Enige tijd aarzelde hij of hij, op de plaats van de hersenen, een eivormig stuk gepolijst carrara-marmer zou hangen in een fijnmazig metalen netwerkje, maar hij zag er vanaf omdat het hem een te voor de hand liggend idee leek. Hij werkte er enkele dagen onafgebroken aan, en was tevreden met het resultaat.
    Bovendien nam hij zich voor om Catrisses vragen omtrent zijn persoonlijk leven te pareren met antwoorden in de zin van: 'Men kan van mening verschillen over de waarde van mijn werk, maar één ding is zeker: het is belangrijker dan ikzelf. We zwijgen dus maar over mezelf.' Het klonk vol zelfvertrouwen, en toch ook voldoende bescheiden. Tegelijk ergerde het hem omdat hij wist dat het een laf antwoord was, want hij was altijd met zichzelf bezig.
    Jan Swarthout loog niet meer dan anderen, maar zijn waarheden hielden nooit lang stand. In de wereld zoals hij is, takelt de waarheid ons af, zei hij graag, leugen en bedrog zijn veel constructiever, ze zijn noodzakelijk voor het overleven.
    In een tekst over zijn werk had hij eens geschreven: 'Zien wij de werkelijkheid? Natuurlijk niet, het overgrote deel van wat er om ons heen bestaat en leeft, zien, horen of ruiken wij niet. Is ons beeld van de sterrenhemel correct? Natuurlijk niet. Onze werkelijkheid is maar een fractie en dus vervorming en leugen. Wij zien minder scherp dan een buizerd, we horen minder dan bijvoorbeeld een neushoorn, wij ruiken minder dan een straathond. Onze oneindigheid is een benauwde cel van onzichtbare muren. Ontsnapt onze gevoelswereld aan die beperking? Is liefde een allesomvattend gevoel? Alleen als ons lief ons dat kan wijsmaken. Wie ben ik? Ik ken enkel een heel klein deeltje van mezelf. De rest is angst en religie. Dat we verantwoordelijk zijn voor onze daden, is de grote leugen die de maatschappij bij elkaar houdt en de hatelijke legitimatie voor haar repressiviteit. Mijn beelden zijn aanklachten...' De brochure was gedrukt op wat bruin inpakpapier leek, wat de tekst moeilijk leesbaar maakte.
    Op zondag at hij, tegenover het Museum voor Schone Kunsten in een kleurrijk eetcafé met de vreemde naam Funky Soul Potato, uitstekende jacked potatoes die op de menukaart vermeld stonden onder de naam Mustang Sally. 's Avonds luisterde hij naar fado's, gezongen door Amàlia Rodrigues en ging vroeg naar bed. Hij masturbeerde nooit, hij zei dat hij soms neukte met onzichtbare vrouwen. In zijn droom liep hij verloren in een verlaten stad waarvan alle straten eindigden op onoverzienbare pleinen of in enorme bouwputten. Hij leed in lichte mate aan pleinvrees, maar toch beheerste ze zijn hele leven. Hij dacht wel eens dat zijn werk geen andere bedoeling had dan de vrees voor de leegte te overwinnen, de leegte met de zuigende kracht.
    Voor het beeld van zijn achterhoofd zocht hij een prominente plaats in het atelier. Hij kocht tevens een fles whisky van het merk Jameson, omdat hij ergens had gelezen dat Catrisse die whisky bij voorkeur dronk.
    Catrisse belde hem de avond voor de afspraak op en vroeg of het mogelijk was het gesprek even uit te stellen. Haast opgelucht sprak hij met Catrisse een nieuwe datum af. Als hij uit het grote raam van zijn atelier keek, zag hij naast een donkere bakstenen muur een levenloos grijs ingekleurd landschap van daken, drie te kort gesnoeide boomtoppen, de hoge schoorsteenpijp van een fabriek, een geknakte televisieantenne. Niets bewoog, behalve een onbeweeglijke meeuw die langsdreef. En toch verandert het, dacht hij en hij kreeg de ingeving om in het raam een fototoestel te monteren en elke dag van op dezelfde plaats en op hetzelfde moment een kiekje te nemen, precies een jaar lang, en die driehonderd vijfenzestig foto's chronologisch te exposeren.
    Het meest recente nummer van ABC werd hem (in dubbel) ongevraagd toegezonden.
    'Hij wandelt met dansende stappen voor me uit door zijn atelier dat hoog in een van de betere wijken van de stad ligt. Een van de verweerde muren in het oude pand is vervangen door een glazen wand tot halfweg het zadeldak. Hij is niet in werkkleding, maar draagt een onberispelijk gesneden driedelig lichtblauw pak, een donkerblauw hemd en, heel gewaagd, een grasgroene das met dasspeld die een scarabee voorstelt. Zijn haar is dik en borstelig maar een uitstekend hairstylist heeft er het beste van gemaakt, wat hem meteen, niettegenstaande zijn middelbare leeftijd, een jongensachtig uiterlijk geeft. Hij rookt dunne bruinkleurige sigaretten en vraagt me plaats te nemen in een gammele rotanstoel (nog een geschenk van mijn grootvader, licht hij me ongevraagd in). De stoel zit ongemakkelijk, niettegenstaande de gebloemde kussentjes die er schijnbaar achteloos in zijn geworpen. Hij vraagt me met zachte maar dwingende stem wat ik wil drinken en schenkt dan zonder mijn antwoord af te wachten het klaarstaande glas vol vodka. Met geen woord, met geen enkel gebaar, vestigt hij de aandacht op zijn werk dat nochtans in gesloten formatie langs de muren staat. Het lijkt wel alsof de kleuren constant bewegen. Fascinerend. Niet kapot te krijgen. ''Kunst,'' zal hij later in het gesprek zeggen, ''is bedrog, maar bedrog kan kunst zijn.'''
    Jan Swarthout was ervan overtuigd dat, als Mik Catrisse niet de onuitstaanbare snob en internationaal befaamde Henry Hanswyck had moeten presenteren, maar bijvoorbeeld hemzelf, de toon heel wat kritischer, om niet te zeggen spottend, zou zijn geweest.
    Hij besloot Catrisse in werktenue te ontvangen, en hem niet meteen iets alcoholisch aan te bieden. Enige reserve leek hem aangewezen, hij moest afstand houden, vooral om zichzelf te beschermen.
    Hij bedacht ook nog:
    'Een beeldhouwer werkt niet in de ruimte of met de ruimte, hij bevecht de ruimte, een ander woord voor leegte, door er iets aan toe te voegen.'
    En: 'Er zijn geen conservatieve en geen vooruitstrevende kunstenaars, want alle kunstenaars interpreteren, elk op hun manier, uitsluitend het verleden.'
    Als tussendoortje: 'Conceptual art? Laat me lachen. Het enige wat die klootzakken wisten te verzinnen, was zichzelf als artiest.'
    En ook: 'Waarom worden in de literatuur de auteurs van bestsellers gewantrouwd, in de beeldende kunst de best verkopenden precies het meest gewaardeerd?'
    En tenslotte: 'Interviewen heeft geen zin. Wie ik ben, zie je best in mijn werk. In gezelschap, dus ook in het jouwe, ben ik een kameleon.'
    Als hij alleen was en tegen zichzelf sprak, klonk alles veel overtuigender wist hij uit ervaring. Zijn vader had hem altijd verweten dat hij een bangschijter was. Zijn vader was een kale oud-voetballer met een explosief karakter die van oordeel was dat de ware kunst ophield bij Rubens. Jan Swarthout was nu ouder dan zijn vader was op het moment dat hij definitief met hem had gebroken. Hij herinnerde zich nog altijd wat er gebeurd was toen ze eens een chalet huurden in de Ardennen en een fietstocht ondernamen, samen met een oom, zijn twee neefjes, en hun vrienden. Hij fietste graag als hij zijn eigen route en snelheid kon bepalen, maar niet als het in groep gebeurde, en hij hield helemaal niet van zijn neven. Even na de middag stopten ze op een open plaats in een bos bij een riviertje en tot zijn ontzetting werd er besloten te gaan zwemmen, niettegenstaande niemand een zwembroek mee had. Geen bezwaar, oordeelde men. Zijn twee neven stonden onmiddellijk in hun flikker en doken gillend het water in, onmiddellijk gevolgd door hun vriendjes. Met afgrijzen zag hij ook zijn vader uit zijn broek stappen, steun zoekend tegen een dikke boom. Hij had hem nooit eerder naakt gezien. Ook zijn oom sprong het water in en even later stond alleen hij nog op het droge. Hij had enkel zijn schoenen en kousen uit en voelde zich belachelijk met al zijn kleren aan, maar durfde ze ook niet uit te trekken. Zijn vader riep dat het heerlijk was in het water. Hij trok zijn hemd uit. Zijn oom riep dat hij hem zou komen halen en met zijn broek aan in het water gooien als hij geen haast maakte. Hij liet zijn broek zakken. Op hetzelfde ogenblik werd er luid gelachen. Hij wist niet of ze lachten omdat hij daar in zijn bloot gat stond of omdat er iets in het water gebeurde, maar er was een waas voor zijn ogen gekomen. Nooit had hij zich zo vernederd gevoeld. Een wanhopig ogenblik later sprong hij het water in. Er streelden waterplanten langs zijn enkels, de keien waren gladgeschuurd, toen hij zijn ogen opende, leek het alsof hij duizenden schitterende insecten zag.
    Altijd wil ik me verbergen, dacht hij, ik ben niet geschikt voor een interview, ik ben enkel mezelf als ik alleen ben en ik ben enkel mezelf in mijn werk. Ik wil niet in mijn blote kont worden betrapt, de ultieme vernedering, de absolute weerloosheid, en dus speel ik wie men wil dat ik ben.
    Kim Catrisse was een onopvallend ogende man, kalend, met een bleke huid. Hij droeg een brilletje, maar maakte toch een sportieve indruk. Vaag herinnerde Jan zich opeens ooit ergens te hebben gelezen dat Kim lang geleden provinciaal kampioen polsstokspringen was geweest.
    Ze dronken koffie, die hij had gezet terwijl Catrisse verkennend door het atelier liep en af en toe met een hand over een beeld streek, of op zijn hurken iets bestudeerde. Jan zei, schijnbaar terloops, dat er een fotoalbum over zijn werk op tafel lag. Het groene, specificeerde hij, hoewel er maar één lag.
    'Ben je tevreden met je werk?' vroeg Kim, zonder de recorder, die hij midden op tafel had gezet, te laten lopen, iets wat Swarthout hinderde. Hij had de indruk te praten zonder te worden gehoord.
    'Ja,' zei hij.
    'En nee,' voegde hij er onmiddellijk aan toe.
    'En met de respons?'
    'Nee,' zei hij.
    'Wat dacht je toen de redactie van ABC om een afspraak vroeg?'
    Art, Bullshit, Camp or Cunt or Culture, what's in a name, dacht hij.
    'Ik was vereerd met het verzoek, eerlijk gezegd, ik had daar nooit op gerekend.'
    Kim boog zich voorover en klikte de recorder aan.
    Hij zei: 'Jan Swarthout, 22 augustus.'
    'Nog koffie?' stelde Jan voor.
    De volgende vraag verraste hem.
    'Onze maatschappij wordt altijd maar rechtser, daar is iedereen het over eens. Vind jij dat de huidige artistieke tendensen die evolutie onderschrijven, of gaan ze er resoluut tegenin?'
    De bandrecorder liep totaal onhoorbaar.
    'Wat versta je onder kunst?' zei hij nonchalant boven zijn kop koffie. 'De kunst die nu trendy is, of de kunst waar de spraakmakende tijdschriften en critici geen of nauwelijks aandacht aan besteden?'
    Hij zweeg even, en voegde eraantoe: 'Kunst is al te dikwijls bedrog.'
    Hij zei het nog voor hij het gedacht had. Hij wou er nog aan toevoegen dat hij niet alles en iedereen over dezelfde kam scheerde, maar kreeg er de kans niet toe.
    'Bedrog? Wij moeten een keuze maken,' zei Catrisse.
    'Precies. Alsof het artistieke bedrijf een paardenkoers is, en je op het winnende paard hoopt in te zetten. Of hoopt op de beurs de juiste aandelen te hebben gekocht. Toen Van Gogh crepeerde, waren er nogal wat schilders die fortuinen verdienden.'
    'Denk je nu aan Henry Hanswyck?'
    Hij stond op, liep naar de kast, rommelde er even in, alsof hij iets zocht, nam dan de kleine koektrommel die hij klaar had gezet.
    'Het is moeilijk om over collega's te praten, omdat een eerlijk antwoord altijd door jaloersheid en rancune en frustratie lijkt te zijn ingegeven.'
    Hij lachte even.
    'Ik ken het werk van Henry, en ik apprecieer het, tenminste dat uit zijn beginperiode. Maar momenteel herhaalt hij zich, wat ik hem niet eens kwalijk neem, die man moet leven en weet goed hoe hij poen moet pakken, maar wat me inderdaad soms woedend maakt, is de onevenredig grote aandacht die hij krijgt voor dat maakwerk, volkomen kritiekloze aandacht ten koste van vele anderen.'
    'Krijg ik meer te horen,' zei Kim neutraal. 'Laten we even jouw werk van naderbij bekijken.'
    Kim stond op en rekte zich ongegeneerd. Een onbewust signaal, dacht Jan Swarthout.
    'Met een glas in de hand kan dat ook,' zei hij en hij stak de fles Jameson in de lucht.
    'Schitterend,' zei Kim.
    Ze nipten aan hun glazen terwijl ze langs de beelden slenterden. Hij sprak los en makkelijk, maar had tegelijkertijd de indruk dat hij net niet zei wat hij wou zeggen.
    Toen ze de beelden en constructies langs de venstermuur hadden afgewerkt, zag hij dat de bandrecorder nog altijd op tafel stond en hij maakte er Kim opmerkzaam op.
    'Ik heb een uitstekend geheugen. Vanavond noteer ik alles, in een eerste versie.'
    Jan vulde de glazen bij, en trakteerde zichzelf even ruim als zijn gast, niettegenstaande hij het voornemen had gemaakt erg matig te drinken.
    'Ik heb nooit een dagboek bijgehouden,' verzon hij toen ze bij het stuk stonden waarin hij een dozijn boeken met kleurige omslagen maar openwaaiende zwartgemaakte bladzijden had verwerkt. Catrisse ging er niet op in. Hij stelde vast dat Mik niet het soort vragen stelde waarop hij alvast antwoorden voorbereid en uit het hoofd had geleerd.
    'Je geeft altijd poëtisch klinkende namen,' zei Mik, 'ook aan rauwe, realistische beelden. Waarom?'
    'Namen geven geen betekenis aan beelden,' zei hij. 'Het beeld van bijvoorbeeld een naakte vrouw Naakt noemen vind ik flauwekul. En er een nummer of een datum achter zetten is snob. Voor mij is een naam een uitdaging. Ik daag de mens die mijn beeld bekijkt, uit om mijn ware bedoeling te achterhalen. Ik geef een hint, maar het is ook mogelijk dat ik hem op een dwaalspoor zet. De betekenis der dingen, dat is mijn enige thema. Ik heb nooit een dagboek bijgehouden omdat ik nog altijd op zoek ben naar de betekenis der dingen en dus naar de betekenis van mezelf en van het leven in het algemeen. Zolang ik niet besef wat mijn betekenis is, heeft een dagboek geen zin. De eeuwige vragen, daar komt het op aan. Wat doe ik hier eigenlijk? Ik geef toe dat het niet origineel is. Dagen waarop ik niet heb kunnen werken, zijn nutteloze, hatelijke dagen. Ik werk niet voor de eeuwigheid, ik heb niet eens een kind, en toch heb ik het gevoel, als ik aan het werken ben, dat ik betekenis geef aan mijn leven en aan mezelf.'
    Woorden, dacht hij, de sluiers van Sheherazade. Ze stript niet, ze knoopt er altijd meer rondom haar verleidelijke lijf.
    Het kernwoord, realiseerde hij zich, is 'onverzoenlijkheid'.
    Mik bleef enige tijd staan voor een van de meest realistische en eenvoudige beelden die hij, vond hij zelf, ooit had gemaakt. Het bestond uit een donkergroen geschilderde houten deur, gevonden op een afbraakwerf, waar hij een glanzend gepoetste koperen klink op had gemonteerd en waar een naakte vrouw doorheen stapte. Van die vrouw zag men alleen maar een enkel en de rechtervoet, een volmaakt mooie kont, een stukje van haar schouder met linkerarm waarvan de hand rond de kruk was geklemd, en een haarlok.
    'Hoe noem je dit?'
    'Het ultieme begin,' zei hij. 'Ze is op weg naar een totaal nieuw leven.'
    'Een mooie kont,' zei Mik.
    'De meeste mannen kijken bij een vrouw graag naar hun kont,' zei hij. 'Het is wetenschappelijk bewezen dat er twee types bestaan. Mannen, bedoel ik. Mannen bij wie vooral vrouwenborsten erotiserend werken en mannen die vooral door billen worden opgewonden. De mannen van de eerste categorie, concludeerden de studies, beleven hun seks schuldeloos, die van de tweede categorie schuldbewust. Ik behoor zonder enige twijfel tot de tweede categorie. Maar los daarvan vind ik dat er niets mooiers bestaat op aarde dan een welgevormde vrouwenkont. De volmaakte ronding van de billen, de spanningslijn van de reet, enkel te vergelijken met de krul van een zwanenhals, de verhouding van de twee bipsen, elkaars spiegelbeeld maar toch niet identiek, de geraffineerd aandoenlijke aanzet tot de benen, dat alles vind ik meesterlijk. Een vrouwenkont ontroert me in de allereerste plaats, pas daarna windt ze me op.'
    Hij vroeg zich af of Mik Catrisse dat allemaal zou kunnen memoreren, hoe zijn uitspraken in de tekst zouden terechtkomen. Praten maakte hem altijd nerveus. De woorden waren hem niet vertrouwd. Hij ving een glimp op van zijn gezicht in een van de drie spiegelfragmenten die hij in het beeld De hoop op een zuiver verleden had verwerkt. Hij haalde een hand door zijn haren.
    'Ik vind het fascinerend,' zei Mik, 'dat moderne kunst het heeft opgegeven om betekenis te hebben. Betekenis is bedrog. Moderne kunst wil zijn zonder meer en vraagt ons om dat te accepteren.'
    'Wil je nog koffie, of houden we het bij whisky?'
    Mik liep naar de tafel, alsof de andere constructies hem niet meer interesseerden en vulde zelf zijn glas bij.
    'Vertel eens iets over het karakter van de materialen waarmee je bij voorkeur werkt.'
    'Kan ik niet. Ik improviseer constant. Het toeval speelt een cruciale rol in ons leven, is veel prominenter aanwezig dan we zelf willen toegeven, en ook dat laat ik in mijn werk zien.'
    Hij kon zich niet herinneren ooit zoveel en schijnbaar zo gemakkelijk te hebben gepraat. Ik speel mijn rolletje uitstekend, dacht hij, ik voer een interessant artiest op, eigenlijk speel ik een spelletje met mijn interviewer, en hij niet met mij, zoals hij misschien wel denkt.
    'De originaliteit van Marinetti, van Pollock, Mondriaan, van Beuys of, dichter bij ons, van Panamarenko...' begon Kim en Jan onderbrak hem brutaal.
    'Bullshit,' zei hij. 'Originaliteit in de beeldende kunst bestaat al lang niet meer, al niet meer sinds Marcel Duchamp. Alles wat we doen, is variëren op wat hij heeft geïntroduceerd. Al die zogenaamde artiesten zijn lijkenpikkers. De originaliteit waar de kunstenaars en de theoretici het nu over hebben, is fake, een laagje vernis, de virtuositeit van handige pr-jongens, is stront in pakjes. Soms ook letterlijk.'
    Hij lachte luid. Zo had hij zichzelf nooit eerder gekend, maar hij wist niet of hij tevreden kon zijn over zijn opvoering.
    Buiten werd het langzaam duister. Er waren compacte wolken komen opzetten, die door het licht van de avondlijke stad een purperen en angstige schijn kregen. Abstracte kunst lijkt het, dacht hij, maar hoe prutserig en pretentieus is die niet in vergelijking met deze vergankelijke compositie.
    Hij dronk zijn glas in een teug leeg, gaf Mik een teken dat ook hij dat moest doen, en goot de whisky gul in de glazen. Ze gingen er flink tegenaan.
    'Whisky komt pas echt tot zijn recht als het avond is,' hoorde hij zichzelf zeggen. 'Ik drink ook whisky overdag, maar dat is niet zoals het hoort, moet ik bekennen, dat is een van mijn zwakheden... De kleur van whisky, dat is de kleur van de zon even nadat ze onder is gegaan, de kleur van de diepe herfst, de ingetogen kleur van de mooie dingen die voorbijgaand en daarom zo waardevol zijn.'
    Zij dronken.
    Wolken drijven door de tijd, dacht hij toen hij weer naar buiten keek, misschien heb ik meer talent als dichter, beelden maken met woorden, stilte vertalen, het onzegbare benaderen, op mijn eigen schaduw staan.
    'Ik heb je vraag niet begrepen, sorry,' zei hij.
    'Ik vroeg waar het toilet was,' zei Kim.
    Terwijl Catrisse het atelier uit was, nam hij een fikse slok van de fles. Hoe kan ik betekenis hebben als ik niet weet wie ik ben? dacht hij.
    'Waar situeer je jezelf in de opstelling van de nationale ploeg van Belgische kunstenaars?' vroeg Catrisse speels en hij dronk van zijn glaasje.
    'Hoe kan ik mijn betekenis kennen als ik niet weet wie ik ben?' zei hij. 'Ik wil eerlijk met je zijn. Ik ben, zoals de meeste kunstenaars, constant op zoek naar mezelf. Heb ik mezelf gevonden, dan blijk ik te geloven in een acteur, zoals de mensen naar het schijnt vroeger in de bioscoop ook reageerden, alsof wat ze zagen realiteit was, en ze de acteurs luidkeels waarschuwden dat de slechte met zijn zwarte hoed achter een boom verscholen stond. Kunstenaars die altijd hetzelfde blijven doen, hun basisidee altijd maar uitmelken, ik denk bijvoorbeeld aan dinges, aan die vent die ook een Parijse brug in plastic verpakte, dat worden vulgaire kitschproducenten, zelfs minder dan dat, want voor veel makers van kitsch kan ik als vakman nog enige waardering opbrengen. Christo, die bedoel ik natuurlijk. En de Reichstag.'
    'Jouw werk,' zei Kim, 'maakt, hoe zou ik het zeggen, een soms uitdagende indruk. Ik hou daarvan. Ik kende het natuurlijk al wel, hier en daar iets van gezien, maar dit overzicht overtuigt me helemaal. Eigenlijk is dit een echte revelatie. Sommige beelden zou ik zelfs echt agressief noemen.'
    Hij wees naar een constructie van drie giftig gekleurde in elkaar verwerkte metalen kubussen.
    'Maar zelf maak je een heel zachtaardige indruk. Aarzelend ook. Ik sprak vorige week nog met een van je collega's, en die zei dat jij de goedheid en de zachtheid in persoon bent, maar dat dat geen verdienste is, omdat je in feite te laf bent om terug te slaan als men je een trap onder de kont geeft.'
    Zoals altijd reageerde hij lachend.
    'Misschien heeft die man, ik wil niet eens weten wie hij is, wel gelijk. Maar als ik niet weet wie ik ben, hoe kunnen zij het dan weten? Ik sta 's morgens op en voel me bang en ellendig. Ik haat het leven en alles en iedereen in mijn omgeving. Ik walg van de wereld waarin ik functioneer. Ik stel me vragen, maak me verwijten, vloek binnensmonds en ween overvloedig zonder tranen. Onder de douche wens ik mezelf dood. Dan ga ik om de hoek de krant kopen en voer een vriendelijk gesprekje met de krantenmadam, en haal drie broodjes bij de warme bakker en laat daar opgewekt een bibberend besje voorgaan, en thuisgekomen bel ik een vriend op en voer een vrolijke en hartelijke conversatie terwijl ik, althans innerlijk, in elkaar krimp. Ondertussen blijf ik geloven dat iedereen met wie ik praat, niet als ik onverdraaglijke, waanzinnige, verschrikkelijke dingen denkt terwijl hij clichés debiteert, maar de waarheid en niets dan de waarheid spreekt. Ik hoop dat ze me niet naar de strot willen vliegen, zoals ik hen. Bizar toch. Jij weet niet wat ik denk als ik je een antwoord geef, ik weet niet hoe jij je voelt terwijl je ontspannen tegenover mij zit, ik weet niet eens of mijn werk je boeit of dat je hier enkel in opdracht een vervelende karwei komt doen, maar we blijven welgemanierd.'
    Hij zweeg. Hij zag dat het buiten volledig donker was geworden, zelfs de vertrouwde weerschijn van de drukke stad op de lage wolken zag hij niet meer, en ook niet de torenkraan die sinds enkele weken in de vrije raamhelft stond. Hij nam een map met schetsen die naast zijn stoel stond, en bladerde er even in, tot hij een blad met enkele studies vond van een beeld dat hij nooit had uitgevoerd. Hij signeerde het blad en gaf het met een te breed gebaar aan Catrisse.
    'Mag je hebben,' zei hij. 'Een souvenir. Voorstudies van een nooit gemaakt werk. Waarschijnlijk mijn beste, als ik voldoende talent zou hebben om het te maken ook.'
    Hij lachte. Het loopt mis, dacht hij, ik vertel onzin, hij zal een vernietigend stuk over mij schrijven en meteen heb ik mijn grote kans gemist. De bezopen bedoening rondom mij is alleen draaglijk als ik af en toe ook iets tot me neem.
    'Dank je,' zei Kim.
    Hij bestudeerde het blad nauwkeurig en Jan speurde zijn gezicht af, angstig zoekend naar een reactie, maar Kims gezicht verried niets.
    'Heel interessant,' zei hij. 'En mooi bovendien. Je bent een goed en handig tekenaar ook.'
    'Ik ben gewoon een handige jongen,' zei hij lachend en hij hoopte dat zijn lachje cynisch en bitter klonk.
    Kim stond op en wandelde opnieuw traag door het atelier. Jan bleef even zitten, liep hem dan toch na. Ik loop iedereen na, dacht hij, daarom houdt niemand met mij rekening.
    'Ik lees je stukken graag,' hoorde hij zichzelf zeggen.
    Het klonk lullig.
    'Ook al ben ik het er niet altijd mee eens,' voegde hij er dus aan toe.
    Kim draaide zich om en keek hem vragend aan.
    'Al gebeurt dat niet vaak,' zei hij, en hij hoopte dat Kim niet zou vragen waarmee hij het bijvoorbeeld niet eens was.
    'Ik bedoel,' zei hij, 'dat ze in elk geval altijd erudiet, eerlijk en goed geschreven zijn, een zeldzaamheid in de kunstkritiek.'
    Catrisse bleef staan voor het beeld van de vrouw die in een deur verdween.
    'Dit vind ik echt mooi,' zei hij, 'en zeer intrigerend.'
    'Dank je. Ik ben nog niet immuun voor een gemeend compliment.'
    Dat zinnetje heb ik al veel keren gedebiteerd, realiseerde hij zich. Hij haalde diep adem en constateerde opeens dat Catrisse een lichte lijfgeur had. Hij haatte hem erom. Hij manipuleert me, dacht hij, hij laat me de verkeerde zinnen zeggen. Catrisse had zich van het beeld met de deur afgekeerd en bestudeerde een constructie die op een vloerloze hangbrug leek. Als hij me iets vraagt, weet ik niets te zeggen, dacht hij. Hij liep naar de tafel en dronk van zijn whisky. Het glas van Catrisse vulde hij bij en hij gaf het hem met een brede glimlach.
    'Het aangename aan het nuttige paren,' zei hij.
    Catrisse dankte met een hoofdknik en nam een slok.
    'Wat ik vreemd vind,' zei hij, 'is dat je werk zo verschillend is van structuur, van opvatting en zelfs van stijl, en dat het toch een eenheid vormt. Ik vind dat boeiend en heel merkwaardig. Ik zou willen ontdekken wat het bindt.'
    'Ik mag aannemen dat dit een compliment is,' zei Swarthout.
    'Dat is het inderdaad. Ik denk dat het de reden is waarom je ondergewaardeerd bent. Nee, ik ben er zeker van. Dit bezoek is een revelatie.'
    'Ik besta niet,' zei hij. 'Ik ben verschillende ikken. Je praat nu met het ik dat toevallig dienst heeft. Ik ken het zelf nauwelijks.'
    'Volgens mij,' zei Catrisse bedachtzaam, 'ben je een van de duidelijkste exponenten van die strekking in de moderne kunst, die weigert een betekenis te zoeken achter de dingen en die daarom niet wil verfraaien of verklaren of doorgronden, maar in de eerste plaats of, beter nog, uitsluitend wil ontluisteren.'
    'Zo is het,' zei Jan verward. 'Op betekenis komt het aan, maar ik vind mezelf niet en dus ook geen betekenis en als er geen betekenis is, wat is dan de waarde van de dingen? Bedrog is niet langer immoreel. De aloude vragen blijven onbeantwoord. De eeuwigheid kennen we niet, wat is dan de betekenis van tijd? Heb ik dat al gezegd? Is er een leven na de dood? Niemand weet het, maar het antwoord op die vraag lijkt me minder dringend dan de vraag naar de betekenis tijdens dit leven. Iedereen wil waarde geven, iedereen wil aan de nutteloosheid voorbij. De absurditeit is onaanvaardbaar. Maar leven is iets als spartelen als vissen op het droge. Ik tracht de zinloosheid te verbeelden. Dat is de betekenis van mijn beelden...'
    Hij begreep geen woord van wat hij had gezegd.
    Catrisse wandelde opnieuw door het atelier, bleef hier en daar even staan. Hij is arrogant, dacht Swarthout, hij wil me beduvelen met zijn waardering. Hij zal mij gebruiken om weer een van zijn ophefmakende sloopstukken te schrijven. En dat zal hem gemakkelijk vallen, met als centraal gegeven de vrouwenkont die ik heb gemaakt. Catrisse dook opeens weer naast hem op.
    'Ik heb voldoende stof,' zei hij. 'Ik ga nu maar, tenzij je aan dit alles nog iets wenst toe te voegen.'
    Swarthout keek hem aan, beantwoordde Catrisses glimlach niet maar ledigde zijn glaasje, zette het voorzichtig op tafel, knoopte zijn broek los, liet ze zakken en draaide zich met zijn blote kont in de richting van zijn interviewer.

© Fernand Auwera