Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel

Het koren en het kaf
Confessies van een jurylid van een literaire manuscriptenprijs

Marnix Verplancke

In het verhaal ‘De pen’, opgenomen in de recente bundel Een druppel goud, voert de Nederlandse schrijfster Hester Albach een bejaarde dame op. Ooit behoorde zij tot de top van de literaire wereld. Haar autobiografisch geïnspireerde boeken werden naar het Swahili en het Lets vertaald. Hollywood-producers vochten om de filmrechten. Maar dan liet de inspiratie haar plots in de steek. Aanvankelijk smeekte haar uitgever nog, later begon hij te dreigen en uiteindelijk hoorde ze niets meer van hem. En dat bleef zo ook de twintig jaar erna.
Wanneer de dame op de rommelmarkt echter een pen ziet liggen die in het zonlicht groen oplicht ‘als de ogen van de duivel’, komt er verandering in de zaak: ze koopt het kleinood en schrijft er een vijfhonderd pagina’s dikke roman mee die inslaat als een bom. De literaire kritiek prijst het boek de hemel in als werkelijk vernieuwend proza. Wat heeft het duivelse pennetje de oude dame immers laten volvoeren? Een huzarenstuk: ze heeft een kanjer van een roman geschreven zonder daarin het in de Nederlandse literatuur het frequentst voorkomende woordje - ik - te gebruiken.
Ik kan me zo voorstellen dat dit pittige verhaal over het algemeen bedaarde reacties uitlokt, gaande van ‘attent’ tot ‘nagel op de kop’. Voor iemand die nog herstellende is van zijn jurylidmaatschap van een literaire manuscriptenprijs echter, rijt het pas geheelde wonden open. Hoe toepasselijk, dacht ik, terwijl er een glimlach op mijn gezicht bestierf.

Het begon allemaal in de herfst van vorig jaar, met een brief van uitgeverij Manteau waarin me gevraagd werd deel uit te maken van de jury die de winnaar van de eerste De Gouden Gids-manuscriptenprijs zou verkiezen. Libridissen en gouden uilen maakten me dol met hun gefladder rond mijn hoofd. Wat had ik, klein recensentje, graag in hun jury gezeten, en nu werd me warempel de kans gegeven, meer zelfs, kwamen ze me zelf vragen om mijn vakkundig oordeel te geven over de manuscripten van jong Vlaanderen. Wat een kans! Ik belde dus meteen op, bang dat een ander me te vlug af zou zijn. En gevraagd naar mijn motivatie om het jurylidmaatschap te aanvaarden, flapte ik er iets uit als: ‘Ik vind het een belangrijke prijs die bijdraagt tot het stimuleren van nog onbekend talent.’
Al tijdens de eerste vergadering van de jury bleek het met dat onbekend talent uit jong Vlaanderen lelijk tegen te vallen. De dag na de bekendmaking van de instelling van de prijs, waren er drie manuscripten binnengekomen: eentje dat met moeite een novelle genoemd kon worden en dus niet in aanmerking kwam, eentje dat vergezeld ging van een brief van een hoogleraar geschiedenis waarin de lezer op het hart gedrukt werd dat de feiten echt wel klopten - feiten waaronder het fragiele romaneske bouwwerk natuurlijk meteen bezweek, en eentje met een coverfoto waarvan de hele jury eenstemmig uitriep: ‘Anne Frank’, wat een grove misvatting bleek te zijn, aangezien het over een meisje Corry ging dat - aan de spelling en het taalgebruik te oordelen - haar verhaal net na de Tweede Wereldoorlog op papier had gezet, waarna ze er nu al een halve eeuw tevergeefs mee rondleurde. Voor de jury kon de pret niet meer op: we vlijden ons neer in een poepsjiek Italiaans restaurant en lieten het ons smaken. Zo wilden we er nog wel een paar, van die literaire prijzen.

Naarmate de manuscripten de volgende maanden binnenstroomden - het werden er in totaal 113 -, sloeg de stemming om. Zozeer zelfs dat bij de tweede vergadering van de jury alles danig in mineur verliep. Iedereen keek naar iedereen en dacht: shit, zij wisten het ook niet. We bleken sukkels in hetzelfde schuitje. We waren er ingetuind, voelden er ons ingeluisd. Dozen vol papier werden over ons uitgekieperd en nergens een houvast. Het bleken allemaal loze woorden te zijn. Een van de juryleden dacht er zelfs over de handdoek in de ring te gooien: meesterwerken zaten er niet tussen.
Wat ons nog het meeste bezighield was: ‘Waarom doen ze het?’ Van grote schrijvers hoor je altijd dat ze moeten schrijven, dat het eruit wil - van kleinere dat ze niets anders kunnen, maar dat is een ander verhaal. Dat kon hier niet aan de hand zijn. Al die gedrochten wilden toch niet per se op de wereld gezet worden? Wellicht speelden de 250.000 frank prijzengeld en de publicatie van het boek een grotere rol. Maar dan nog. Iemand die er nog nooit aan gedacht heeft een boek te schrijven, gaat dat ook niet doen omdat hij opeens hoort dat hij er iets mee kan verdienen. Dichter bij de waarheid lijkt me het idee dat het maatschappelijk prestige van de schrijver veel te groot is. Hij is een mediafiguur geworden die over de kleinste pietluttigheid aan de tand gevoeld wordt en verondersteld wordt over alles een uitgesproken - en vooral bijzondere - mening te hebben. Een psychopaat sluit kleine meisjes op in zijn kelder alvorens ze te vermoorden? De schuld van onze lakse politici, meneer. Of van het kapitalisme natuurlijk. Als schrijver mag je grossieren in populisme en je wordt er nog om geprezen ook. En wie wil er nu niet geprezen worden? Dat je daarbij ook nog af en toe een goed boek moet afleveren, wordt maar al te gauw vergeten.
Waarom ze ons pakken manuscripten opstuurden, al die aankomende Vlaamse talenten, we raakten er niet uit. Dat het niet was om ons leven te vergallen, stond praktisch als een paal boven water, ook al was dat nu net wat ze wel deden. Zoals een vrouwelijk medejurylid lachend zei: ‘Ik ben de voorbije maanden niet eens aan een man geraakt,’ waarna ze er onmiddellijk aan toevoegde: ’niet dat ik daar om treur trouwens.’

Waar schrijft zo’n debutant nu over? ‘Ik heb altijd al een boek willen schrijven,’ begint een van de manuscripten, ‘maar ik heb me ook altijd afgevraagd hoe dat moet. Het schijnt dat je eerst een scenario in je hoofd moet hebben. Het raamwerk zogezegd, en dan moet je dat opvullen. Ik ken geen scenario’s, geen boeiende personages. En als ik dan al iemand ken waarover ik zou willen schrijven, durf ik het toch niet te doen. Stel dat de persoon in kwestie het verhaal leest. Stel dat mijn personage zich gekwetst voelt. Je moet ook altijd overdrijven. Ik hou sowieso niet van sterke karakters. Wat kan ik dan schrijven? Waarover kan ik dan schrijven? Soms lig ik in mijn bed met gesloten ogen en ik schrijf. Moest je weten hoe graag ik dat zou doen! Maar ik durf mezelf niet bloot te geven. En je geeft jezelf altijd bloot als je schrijft. Je kan de wildste verhalen vertellen, dingen verzinnen die je nooit hebt meegemaakt. Dat klopt, ja. Maar ik blijf erbij dat je jezelf bloot geeft. Ik durf dat niet. Dat maakt dus dat ik geen schrijver ben. Dat ik nooit een boek zal schrijven. Toch zou ik zo graag schrijver worden.’
Zoals het cliché wil, schrijven de meeste debutanten over zichzelf. Als kleine Faustjes zouden ze hun zieltje aan de duivel verkopen om de literaire knepen onder de knie te krijgen. Maar vervolgens zouden ze datzelfde zieltje weer als onderwerp van hun schrijven willen maken. Dat kan natuurlijk niet.
Wie werkelijk schrijft, heeft het stadium van de navel achter zich gelaten. De tientallen manuscripten die eindeloze cafédiscussies tussen studenten weergeven, waarbij er eindeloos over het lief wordt opgeschept en er ’s nachts menige schaamlip op haar rekvermogen wordt getest - een titel als Het meisje met de oester spreekt hier boekdelen - zijn typisch voor die categorie schrijfsels. Ook de getuigenissen over ongelukkige kindertijden en de goedbedoelde, maar o zo vervelende geëngageerde manuscripten zitten al te dicht op de huid van de auteur.
Maar niet alle debutanten zijn jongeren. Nogal wat manuscripten bleken overduidelijk door ‘rijpere’ personen geschreven te zijn en een aantal was het resultaat van een te grote dosis sympathie afkomstig uit de omgeving van de auteur: ‘Wat ik allemaal heb meegemaakt, ik zou er een boek over kunnen schrijven. En als ik op pensioen ben, ga ik dat doen ook,’ dat soort toestanden, waarna niemand de euvele moed heeft de sukkel uit zijn droom te halen.
Aan het andere uiterste van het spectrum vinden we de manuscripten die zich ver van de persoonlijkheid van de schrijver willen houden en daarom wereldvreemde epistels zijn. Je kunt het zo gek niet bedenken, of het zat wel tussen de 113: een Amerikaanse detective, waarbij een journalist op zoek gaat naar een seriemoordenaar, een heuse ridderroman, veel Trainspotting-adepten natuurlijk, een Indische roman, luisterend naar de titel Rajiv en de Indiase touwtruc, regelrechte sciencefiction, een reisjournaal van Perseus, een Romeins epistel dat de vierde brief van Attalus zou zijn en volstaat met paragrafen als ‘Attalus groet Quintillanus. Ik hoop dat de overstromingen waarover je me in je laatste brief verhaalde achter de rug zijn, je villa weer aan kant is en je je kan bezighouden met belangrijker zaken die betrekking hebben op het - met behulp van je door Dionysus gezegende reukorgaan - speuren naar en opkopen van de fruitigste en zachtste Mosella-wijnen die je vervolgens vakkundig aan de man weet te brengen...’ Een beetje in dezelfde richting, maar dan veel grappiger van concept, was Zuchten hoeft niet meer, een manuscript waarin de reiservaringen van Thales van Milete worden beschreven. De tekst begint wanneer de oude filosoof door zijn vrouw Anaximandra op straat wordt gezet omdat hij te veel kruimels maakt op haar pas geboende vloer. Thales - eigenlijk van Burajalkmilete, maar niemand kan dat onthouden, dus wordt het ingekort tot Milete - zit immers zijn koeken met pralinévulling te knabbelen. Wanneer er een jonge schone voorbijkomt, blijft ze bij hem plakken en samen beginnen ze te filosoferen over de droogte die Griekenland teistert, waardoor de filosoof ongetwijfeld op het idee komt dat water het belangrijkste element van de wereld is.
Vlaanderen was een land van boeren en wie er met de auto doorrijdt merkt dat nog steeds aan de vele fermettes die in het wilde weg door het landschap heen gebouwd staan. En net zoals die fermettes veelal karikaturen van het origineel zijn, met hun gebarsten eiken balken boven de voordeur en hun waterput in het voortuintje, zo ook is de satirische boerenroman nog steeds een klassieker onder de manuscripten. Titels als In mei schijten alle Belgische koeien rijstebrij of Het gat van het boerenpaard liegen er niet om: Streuvels is nog lang niet dood.
Een andere klassieker is de politieke sleutelroman die steevast vervalt in een flauwe soap. Ook daarvan kon de jury een staaltje lezen - hoewel dat met zijn meer dan 600 pagina’s wel een heus staal genoemd mocht worden. Ons land is als een kippenhok, en we zullen het geweten hebben. Ze komen er allemaal in voor: de corrupte Luikse politicus, de gematigde Volksunieman, de eerste socialist en vakbondsafgevaardigde van het dorp, de simpele uitbaatster van het garenwinkeltje dat haar zaakje over de kop ziet gaan en in de fabriek moet gaan werken, de rijke brouwer, het geadopteerde Congoleesje, de collaborateur, de cafébazin, de priester en de kolenboer. Zelfs de organisator van seksfuiven ontbreekt niet.

Het belangrijkste hoofdstuk van een manuscript is het eerste. Van de kwaliteit daarvan hangt het immers af of de jury doorleest of niet. Would-be schrijvers die denken dat alle manuscripten volledig gelezen worden, zijn daarmee weer een illusie armer. Soms lees je vijftig pagina’s, soms vijf. In een paar gevallen zelfs dat nog niet. Alleen de manuscripten die de shortlist halen, worden volledig gelezen. De andere vallen eerder af omdat ze stilistisch of inhoudelijk te wensen overlaten. Een openingszin kan bijvoorbeeld al heel wat prijsgeven over de kwaliteit van wat volgt. Een aantal manuscripten vertoonden op dat vlak de echte beginnerskenmerken. ‘De fijne nevelslierten die ongeordend en schijnbaar doelloos tussen de bomen zweefden, losten geleidelijk op nu de zon haar eerste voorboden van een stralende dag door het groene dak van het woud stuurde. De stilte van de nacht maakte plaats voor de zorgeloze geluiden die eigen zijn aan een ongerepte natuur die gewekt wordt door de koesterende warmte van de zon. Het gekwetter en gezang van vogels waren niet uit de lucht, alsof zij elkaar hoogstnodig moesten vertellen wat er vannacht weer gebeurd was.’ De natuurbeschrijving als opening: er komen altijd herinneringen aan een zorgeloze kindertijd bij me op.
Wanneer je iets leest als: ‘De eerste zes, zeven weken van het jaar hadden zich zelden zo moe en krachteloos voortgesleept,’ heb je al niet veel zin meer om je door de rest van het manuscript te wurmen.
Hoe moeilijk het echter is een goed begin te verzinnen blijkt uit de overkill die je soms leest bij mensen die wel degelijk het belang van de openingszin goed inschatten: ‘Als ik nog iemand zijn bek hoor opendoen over de condition humaine, dan sla ik erop. Het is sterker dan mezelf. Ik heb een hekel aan mensen die door het leven gaan alsof ze het patent hebben op verdriet. Ze mekkeren...’ of ‘Ge kunt niet voorzichtig genoeg zijn in ’t leven. Ge denkt, ik ga nu eens een scheet laten dat dove Frans, drie tafels verder, het gehoord heeft, want ge moet toch eens kunnen lachen ook, en het volgende moment moet ge de verpleegster roepen om u een andere broek aan te doen.’ Zo’n intro schept niet alleen verwachtingen die nooit ingelost kunnen worden - de erop volgende paragrafen vallen meestal heel mager uit -, hij is ook heel oppervlakkig. Shockeren lijkt voor veel auteurs belangrijker dan inzichtelijk schrijven.
En daar wrong voor alle manuscripten het schoentje: geen enkele auteur slaagde erin helder te schrijven. De kunst van de rechtlijnigheid en de feilloze taalbeheersing is in Vlaanderen ver te zoeken. Iedereen wil bij manier van spreken een Jackson Pollock zijn en met emmers verf gooien, terwijl de echte Pollock een opleiding had en wel degelijk wist waartegen hij zich verzette. Hij bezat techniek en kunde. Al te veel auteurs blijken daarentegen hun onkunde te willen maskeren achter een ‘experimentele’ stijl. Hun manuscript rammelt aan alle kanten, het taalgebruik is slordig en onbeholpen en de beelden zijn versleten of vergezocht. Maar dat geeft zogezegd allemaal niet: dat is experimenteel. Een fijne verwoording van een eenvoudig en herkenbaar verhaal, met psychologisch inzicht en een geloofwaardige ontwikkeling van de karakters blijkt voor debuterend Vlaanderen onhaalbaar.
Bovendien blijkt het experiment veelal te moeten verhelen dat de schrijver niets te zeggen heeft. Zowat alle manuscripten stortten na een pagina of vijftig in: de vertelstof was op, de munitie verschoten en het einde in zicht. Het leek wel alsof de aankomende schrijvers zich voor hun tekstverwerker hadden geposteerd en beginnen tikken waren, zonder ook maar het flauwste idee van een plan of een scenario gemaakt te hebben; onevenwichtigheid alom dus.

Hoe weinig koren er tussen het kaf zat, bleek op de voorlaatste vergadering van de jury, toen we verondersteld werden een shortlist van een titel of zes samen te stellen waaruit de uiteindelijke winnaar dan gekozen zou worden. Ieder jurylid had zijn eigen kandidaatwinnaars. Wat mij niet slecht leek, was anderen niet opgevallen. De manuscripten die zij aandroegen, had ik soms al na tien pagina’s aan de kant gegooid als waardeloos. Niemand maakte zich sterk voor een bepaald manuscript.
De enige tekst die voor enig animo kon zorgen, was een expliciet pedofiel werkstuk, Tot zwervens toe verwinterd, dat bij een deel van de jury op hevig verzet stootte - ‘Als dat de winnaar wordt, trek ik me terug uit de jury’ of ‘Ik weiger dat verder te lezen’ - terwijl een ander deel enige literaire kwaliteiten in de roman meende waar te nemen en zich verzette tegen een ethische lezing ervan. Het hoofdpersonage van het boek vertoonde als een van de weinige een ontwikkelingstraject. Uiteindelijk werd het manuscript toch op de shortlist gezet, ook al stelde de man van Manteau de protesterende juryleden gerust met de mededeling dat het zeker niet de winnaar zou worden.
En zijn glazen bol had gelijk. Wie dan uiteindelijk wel de winnaar werd, kon praktisch niemand nog een lor schelen. De laatste vergadering werd overschaduwd door een vorm van vermoeidheid, van het lezen natuurlijk - zes manuscripten op evenveel dagen blijkt zwaar werk - maar ook als resultaat van wat er gelezen was. Zoveel leeg gewauwel en zo weinig onbekend talent moesten uiteindelijk wel tot apathie leiden.

© Marnix Verplancke