De semi-officiële accreditering door het
Dehaene-regime van de Blauwe Maandag Companie - de premier heeft bij dat gezelschap en bij
FC Brugge een vast zitje - is een gelegenheid om opnieuw na te denken over de relatie
tussen het politiek theater en het kunstgebeuren. Tegelijk vertoont het opgaan van dat
ensemble in een groter bureaucratisch complex Het Toneelhuis (waardoor het onvermijdelijk
dichter aansluit bij het politieke centrum en zijn subsidiërende administraties)
opvallende gelijkenissen met de schaalvergrotingen op het economische vlak, de bankfusies,
de holdings, het abstracte maar opdringerige Euro-gedoe. Het openbare geheim dat de firma
Océ een miljoen aan datzelfde spraakmakend Gezelschap wou geven, maar omwille van de
publicitaire meerwaarde verkoos om via de dubieuze Stichting voor Kunstpromotie een
wedstrijd te ensceneren en zo artistiek Vlaanderen voor een fake concours op de been te
brengen, voegt aan die cultuurhuishouding nog een theatrale dimensie toe.
Deze farce vertroebelt verder de naïeve
veronderstelling dat artistieke progressiviteit iets te maken zou hebben met
intellectuele integriteit, authenticiteit, kritisch bewustzijn, marginaliteit of, erger
nog, subversief radicalisme. Wat rest is een hilarische motherfucker-Shakespeare, voor
meer kopieerapparaten. Of hoe de avant-garde kan verdwalen in de fauteuils van de
political correctness.
De uitlatingen van intendant Luk Perceval in
Humo, dat hij als veertiger eindelijk wat vastigheid onder de voeten wil, bevestigt het
vermoeden: de nieuwlichters zijn vermoeid. Maar misschien is nieuwlichterij wel altijd een
averechtse uiting van vermoeidheid geweest. Verder is het exemplarisch curriculum van de
heer Perceval hier niet aan de orde en wens ik hem het beste. Het gaat mij om de corrupte
alliantie tussen macht en intellect, de grondslag van wat men vaagweg als
moderniteit omschrijft.
Hoewel ik geen historicus ben en de
geschiedenis als wetenschappelijk object mij nauwelijks interesseert, daagt het verleden
uit, juist in zijn ondoorzichtigheid. Er rijst vanuit een onbehagen een instinctmatige
noodzaak op om ergens een punt te vinden waarop alles fundamenteel fout liep,
een punt van waaruit heel de logica van het kwaad - om een archaïsche term te
gebruiken - zich met een fatale consequentie ontwikkelde tot het Narrenschip vandaag dat
ons dag na dag ongevraagd naar morgen transporteert.
Autodidacten en verlichte buitenstaanders zoals
J.J. Rousseau zijn vaak naar de zondeval en de tijd ervoor op zoek geweest. Dat heeft
niets met romantische nostalgie te maken, het zoeken in de tijd behoort tot de ruimte van
de therapie. Wat volgt is een zoektocht in een tekst die zweemt tussen aanklacht, analyse,
verdichting en manifest.
Terugkeren, herzien, herinneren om niet in
herhaling te vervallen. Machiavelli lezen.
Het Borgia-complex
In de permanente politieke crisis- en schandaalsfeer die de nadagen van het
Vlaams-Belgisch regime kenmerkt, is het haast een platitude om Machiavelli te citeren. De
oorspronkelijke cohabitatie van deze dichter-theaterschrijver met de despoot die hem
fascineerde, prins Cesare Borgia, is des te relevanter. Hoe kwamen macht en intellect
tijdens de zogenaamde Renaissance tot elkaar? Wat kon op dat moment en niet
eerder? Waarom zijn ze tot op vandaag innig in elkaar verstrengeld gebleven?
We laten het doek van de moderniteit opgaan in
de omgeving van Firenze, een van de vele bestuurlijke eilanden in de politiek-militaire
chaos van het Italië aan het begin van de zestiende eeuw.
Herfst 1502. De krijgsheer Cesare Borgia, zoon van paus Alexander VI, verovert de ene
stadstaat na de andere en bedreigt nu ook Firenze. De wufte stad van Venus stuurt als
gezant, wellicht bij wijze van grap, een onbeduidende klerk op de belegeraar af. Zijn
diplomatieke missie is een vaag afleidingsmanoeuvre, om niet te zeggen een lege doos vol
esthetische opwinding: observeren, schaduwen, spioneren en intrigeren. De naam van de
secretarius: Niccolò Machiavelli. Zijn hobbys: smachtende liefdesgedichten en
pikante carnavalskluchten schrijven.
Borgia voert intussen - en dat is nieuw -
géén rechtvaardige oorlog en doet geen moeite dat te verbergen. Het gaat de pauselijke
bastaard om de macht en niets anders, en dat is genoeg. Hobbes en Darwin avant la lettre
in een Toscaans decorum.
Het wederzijds besnuffelen van krijgsheer en
gezant neemt heel de winter van 1502 in beslag. Machiavellis correspondentie laat er
geen twijfel over bestaan: de pendeldiplomaat wordt van langsom meer gefascineerd door het
charisma van de despoot. Militair-politiek vernuft, met obscene humor gekruid
agnosticisme, fallocratisch cynisme en technomane sciencefictionfantasieën.
Hun samenzijn wordt zo innig, zo dubbelzinnig
en alomvattend, dat het beleg van Firenze in de lente van 1503 zonder verdere
krijgsverrichtingen wordt afgebroken. Geen zoveelste verovering in de Borgia-catalogus
maar iets veel indringenders. Iets dat het leven van despoot èn overloper ver overtreft
en hen quasi onsterfelijk maakt. Tien jaar later zal de tekst Il Principe ontstaan. Het is
de neerslag van een sodomische idylle die de complete renaissance-esthetica in een
notendop bevat en die zelf gevolg is van een christelijke godenschemering.
De middeleeuwse kunstenaar ontleende immers
zijn thematiek aan een theologisch geopenbaarde waarheid. Dat leverde kunstwerken op zoals
Het Lam Gods, iconen met een symbolische veelgelaagdheid waardoor elke toeschouwer, van
bedelaar tot godgeleerde, het beeld op zijn niveau kon begrijpen.
Achter of onder deze pedagogische, in wezen
niet-elitaire want vulgariserende kunst van de aanschouwelijkheid werd hoe dan ook iets
absoluuts, onreduceerbaars, mystieks verondersteld. Datgene wat zich aan elke afbeelding
onttrekt: het wezen van de godheid, de kosmische gubernator, of van zijn tegendeel, satan,
het kwaad.
De leverancier van de themas was
tegelijkertijd de betaler. Het kerkelijk mecenaat honoreerde de kunstenaars om de waarheid
en niets dan de waarheid uit te beelden. Het mystieke bleef ritueel verbonden met het
wereldse door de transactie tussen kunstenaar en broodheer.
Deze Vlaams-primitieve vroomheid ontploft rond
1500 in het versnipperde Italië tussen Firenze en Napels. Het is de dageraad van het
kapitalisme. De echte Renaissance met figuren als Dante, Boccacio en Petrarca
was al een paar eeuwen terug gepasseerd. Wat restte was een broeierige moerascultuur van
politiek-militaire machtsstrijd, religieuze ontwaarding, wuft stadsraffinement,
intellectueel cynisme en seksuele décadence. Sodomie, vanaf dan bekend als de
Firenzische zonde.
In dat landschap ontwaart men ontkerkelijkte
kunstenaars als Botticelli. Het zijn weerloze en verweesde beeldvirtuozen op drift die op
het hoogtepunt van hun meesterschap technisch werkloos zijn omwille van het
metafysisch defect - het verdampen van de religieuze waarheid uit de zee van
iconen, waardoor er slechts een moeras van Boschiaanse hallucinaties overblijft.
Met welke nieuwe inhoud moesten deze genieën
in godsnaam de kern van hun beelden vullen, en wie ging dat betalen? De kunstenaars
voelden zich niet geroepen om het universum autonoom, dus in de sociale marginaliteit
opnieuw te concipiëren. Ze wilden schitteren en deelnemen aan het nieuwe charisma van de
wereldlijke macht, ze wilden het instrumentarium van de verblinding aanleveren, ze wilden
desnoods marteltuigen ontwerpen zoals Leonardo Da Vinci.
Vanuit intellectuele luiheid, angst voor de
kosmische eenzaamheid en perspectivistische liefde voor het centrum bleef slechts één
keuze over: de vlucht voorwaarts in de Renaissance met de klassieken als
dekmantel... en de despoot als mecenas. Zijn portret werd de nieuwe uitdrukking van de
wereldlijke macht.
Maar het beeld van de heerser is niet
gelijkwaardig aan de religieuze icoon. De despoot heeft geen waarheidswaarde of geen
binnenkant, hij is er als pure wil, fysisch en dominant door de geldigheid van de wet van
de sterkste. Dat levert een totaal nieuw kunstwerk op. lArt pour lart is de
apologetische spiegel van de macht om de macht die zich niet laat bevragen en
bijgevolg in raadsels moet worden geparafraseerd. Het kunstwerk met de tautologische vorm
Ik = Ik, in lusvorm en duizendvoudig verstrikt.
Het is de belangrijkste reden waarom de
renaissancevorsten koketteerden met kunstenaars. Niet uit liefde voor kunst en wetenschap
koesterden vorsten genieën, maar omdat het van zijn zin beroofde icoon ruimte bood om er
een geheime code in op te bergen. Het coderen van boodschappen was trouwens een van
Borgias technische obsessies. De autoriteit van die code moest onvermijdelijk leiden
naar het betekenisloze, het nonsensikale, het absurde. Van de barokke beeldorgie tot
Warhol of Duchamp is deze cryptografie van het averechtse evangelie niet meer weg te
denken uit de cultuurindustrie. Zwemend tussen het luimig-ludieke en het
mystificant-abstracte hangt de schaduw van de wereldlijke mecenas vanaf dan over alle
beeldvorming. Het kunstwerk stelt iets voor, maar we weten niet wat en horen
het ook niet te vragen. Niemand mag weten dat het niets voorstelt - het geheim
van het geheim.
Kunst, ironie en versluiering. Precies op dat
Firenzische scharnierpunt speelt zich de paringsdans af tussen Borgia en Machiavelli. Een
spel van toenadering en afstoting. Een spel tussen despoot en dichter, meester en knecht,
energie en medium dat onvermijdelijk culmineert in hun vereniging waarvan het
ondoordringbaar en onontwijkbaar portret een bezegeling is.
Il Principe is méér dan een traktaat, het is
het oermonument van de moderniteit. Machiavelli schrijft zijn Prins op
43-jarige leeftijd - even oud als de kersverse intendant van het Toneelhuis. Moderniteit
als syndroom van de mannelijke menopauze?
De corrupt-anale cohabitatie Machiavelli/Borgia wordt in de geschiedenis soms haast
letterlijk en tot op het potsierlijke af gerepliceerd. Het gebeurt vooral daar waar de
avant-garde in haar mateloos opportunisme uit de bol gaat. De verlichter
Voltaire en de despoot Frederik II van Pruisen, de revolutionair Wagner en de
gekke koning Ludwig II, de futurist Marinetti en de dictator Mussolini.
Meestal gaat het er nochtans subtieler aan toe en neemt de kunstenaar zelfs de pose van
rebel of pornograaf aan, wat geen afbreuk doet aan zijn dienstbaarheid. Hoe meer er
gemasturbeerd wordt op de scène, des te steviger zetelt het politieke zwaargewicht dat
deze onzin tolereert èn betaalt, en des te zwakker worden de kritische geluiden tegen de
redeloosheid van het politiek discours. Hoe groter de artistieke vrijheid
waarmee de icoon wordt gecreëerd, des te sterker dwingt het, paradoxaal genoeg, de
ontegensprekelijkheid af van de staatsraison.
Het meest stuitende, schandalige,
revolutionaire, absurd-provocerende artefact, is tegelijk het meest
indringende signatuur van de macht, en de financiële band tussen overheid en artistiek
bedrijf is er de bezegeling van.
Het zotte uur der muzen is de glorie van de
tiran.
Onmogelijk voor de kunst om zich uit deze inflatoire spiraal van de toenemende leugen
los te maken, allen springen mee in de dans, ook de critici, de recensenten, de snobs die
het publiek uitmaken.
De intellectuele corruptie van de moderniteit
gaat om méér dan wat gesmoezel onder vrienden: de premissen van het discours deugen
niet. Heel de literaire productiviteit van Machiavelli, als lyricus, obscenograaf, èn ten
langen laatste als schaduw van de despoot, kiemt vanuit dit Borgia-complex,
waarin een godvergeten zondagsdichter op een blauwe maandag met de patriarch flirt en niet
meer uit de omhelzing geraakt.
Ondertussen leidt het pedagogisch-perverse
aspect van de grote kunst tot een weergaloze vervreemding bij de massa: zij
leert het lelijke te aanvaarden als iets onvermijdelijks, een onbehagen dat
des te sterker om een leider vraagt. Het is onbegrijpelijk dat Hitler en Stalin de
modernen of ontaarden banvloekten, ook het Vlaams Blok en moraalridder W.
Beysen missen de dialectische fijngevoeligheid van onze premier: het gesubsidieerde
modernisme is de meest stuitende vorm van gezagstrouw kunstenaarschap dat men zich kan
indenken.
Als vrijdenker poneer ik bijgevolg de stelling
dat het humanisme het intellect niet heeft vrijgemaakt - op verdwaalde zonderlingen als
Spinoza, Rousseau en Nietzsche na. De laatmiddeleeuwse terminale kanker van God heeft voor
de kunstenaar of de intellectueel tout court geen nieuw bewustzijnselan opgeleverd,
integendeel, hij heeft zich klakkeloos als schandknaap laten inpikken door de eerste de
beste roofridder, tot ze beiden werden opgeslorpt in het labyrint van de laatmoderne
sociaal-democratieën, hun academische cenakels en loodzware cultuuradministraties waar
men de weg moet kennen.
Het is een zware schuld die weegt op de
circusdynastie die ons al een half millennium terroriseert met de meest vrolijke en
onwaarschijnlijkste simulacres, waarvan de raadselachtigheid een deugd op zich geworden
is. Het is in het licht van deze obscurante lock-out ook dat de massacultuur
te verklaren valt van de verstaanbare, niet-elitaire subcultuur, pop, rock,
house, VTM-soap... èn de musicals van Celie Dehaene.
Het is een massale regressie in de trivialiteit
vanuit het geprovoceerde gevoel van Grote Kunst is niets voor ons. De
kunstmarkt ensceneert dat machiavellistisch esoterisme tot op de rand van het groteske: de
vierkantjes van Mondriaan zijn miljarden waard, men voelt de wanverhouding tussen het ding
en zijn abstracte waarde maar de prijs is wat ze is: objectief, rechtvaardig
en... absurd.
De spasmes van de museumvandaal vinden daarin
hun oorsprong: kerven in doeken, ze bewerken met bijtend zuur of ze verbranden zijn daden
van protest tegen het obscurant karakter van de beeldcultuur en de waanzin van de
kunstmarkt. De psychopathische schenner verwondt de oppervlakte en zoekt een fysiologie,
een vrouwelijke binnenkant die er niet is.
In deze ruimte van het misverstand is er alleen
plaats voor een mannelijke traditie van meesters en knechten - de Renaissance
is de macabere misgeboorte van een anaal verwekte homunculus. Het maakt ons, genaaide en
gehaaide zonen, tot permanente gijzelaars in een moederloos vaderland.
Vlaamse neobarok en Belgisch machiavellisme - Manifest
In een van de meest corrupte landen ter wereld bloeit de neobarokke staatscultuur sinds
de contrareformatie als nooit tevoren. Barok Vlaanderen in surrealistisch België in het
Europa van de Renaissance in de planetaire Global Village: van de collectieve hallucinatie
vormen wij ècht het middelpunt. De grens tussen ernst en onernst is in dat universum
moeilijk te trekken. Overjaarse ballerinas, stijf van de hypermoderne ikkerigheid,
laten zich op het paleis tot barones kronen (A.-T. De Keersmaeker). Dichters-gezanten
storten onderweg op missie neer (H. de Coninck). Een bol, volgeplakt met kevers, wordt
door een cultureel ambassadeur naar Venetië gestuurd als levend bewijs van
Vlaanderens meesterschap (J. Fabre). Ergens in Vlaanderen worden varkens van het
slachthuis gered om een trage dood te sterven als getatoeëerd prijsbeest. Niemand vraagt
zich af wat de kevers of de varkens ervan vinden. De moderne iconenindustrie is zo
gedenatureerd als het aarshol van Niccolò waarin de nieuwe kunst haar beslag kreeg.
De gretigheid waarmee het artistieke prostitutiemilieu zich, in het zog van de
collaborateur-diplomaat Rubens, aan het staats- of privé-mecenaat vastklampt, blijft
verbazen. Iedereen wil geld, zoveel mogelijk, niemand stelt zich vragen over de herkomst
en het motief van de schenking. Waarom wijzen de verlichte modernen de judaspenning niet
beschaamd van de hand?
Ondertussen werkt de premier en liefhebber van
modern theater vlijtig verder aan de deconstructie van de taal tot absurdistisch
abracadabra waar alles gelijk is aan zijn tegendeel: luid gejuich breekt los wanneer J.L.
Dehaene op een zeer wetenschappelijk congres emotionele intelligentie
kwalificeert als de behendigheid om de omgeving naar zijn hand te zetten, en daarbij
verwijst naar de Octopus-truc waarin de oppositie monddood werd gemaakt na de ontsnapping
van Dutroux.
De wankele ondoorzichtigheid van het Belgisch
discours met zijn compromissen, vertaal- en interpretatieproblemen enerzijds en anderzijds
de Vlaamse traditie van intellectuele corruptie sinds de Spaanse bezetting zijn bepalend
voor een culturele necrotoop waarin schijn, versluiering, travestie en verwisseling de
hoofdkenmerken uitmaken. Allerlei met de inquisitie verbonden overlevingsstrategieën -
beter blode Jan dan dode Jan - hebben zich in een mentaal uitgeput volk
verinnerlijkt tot cultus van de ironie, ambiguïteit, de vaagheid, lichte dronkenschap in
de permanente kermis, de hang naar het hallucinante en het surreële dat paradoxaal genoeg
ook het verbijsterend formalisme en het bureaucratisch sadisme van de macht kenmerkt (het
Spaghetti-arrest).
Deze barokke berusting in de blijheid maakt dat
wij een land van beeldende virtuozen zijn gebleven maar niet van denkers-ten-gronde. Een
land van koningspijpers, gekroonde narren, carnavalsprinsen, van Percevals dus.
Voor een groot collaboratieproces
De vraag is of men als kunstenaar in dat landschap van de objectieve fantasmagorie wil
leven en werken.
Als het kunstenbeleid van de
staatsmacht een appèl is aan de kunst als versluiering, moeten we dan niet eindelijk de
fatale navelstreng doorknippen tussen macht en intellect? Moeten we dan de excellenties
met aanhang en hun voorbehouden zitjes niet dumpen?
Tegelijk dient na 500 jaar Renaissance de
schuldvraag gesteld rond de intellectuele medeplichtigheid aan deze dwaasheid. Moet de
geschiedenis herschreven worden in een soort collaboratieproces? Als de bollebozen die de
A-bom ontwierpen vuile handen hebben, dan ook alle dichters, technici van het klank- en
lichtspel, pendanten van het amorele Michelangelo-type die de beeldmanipulatie en het
trompe-lil perfectioneerden tot op het peil van de huidige mediapsychologie.
Het proces van deze aberratie kan geen nieuwe
heksenjacht zijn, maar wel een akte van zelfbeschuldiging vanuit de kern, een confessie
die het onderwerp van het postmodern discours zal vormen op een forum van kunstenaars èn
wetenschappers. In plaats van zich bezig te houden met kruistochten tegen de astrologie en
ander volksvermaak, zouden de vrijzinnige academici beter de hand in eigen
boezem steken en hun situatie van beroepsintellectuelen in de laatmoderniteit analyseren.
Het inzicht dat de verloren waarheid niet
herboren wordt uit de comfortabele glittertoestand van de officiële cultuurproductie en
de tolerantieoefeningen van de politieke macht, noopt ons tot breken, afzonderen,
ineenvouwen, introspectie... alles dus wat volgens de moderne communicatiemythologie
verwerpelijk is.
Implosie van de icoon? Nieuwe mystiek?
Postmoderne devotie? Eco-metafysica? Neoprotestants ethos van de verlichting? Ik laat de
terminologie aan de geschiedschrijving. Het heeft geen zin God terug op te graven, al zag
een dwarsdenker als Rousseau zich nog verplicht hem aan de top van zijn spiritualistische
ladder te plaatsen uit angst achterover te vallen. De term spiritualiteit is
echter in deze subversieve context onbruikbaar sinds hij een gemeenplaats is geworden in
de zondagspreek van moderne pastoors en in de columns van het Boerinnenbond-magazine.
Voor een nieuwe beeldenstorm
Wat zich alvast aan de drempel van het derde millennium opdringt, is een grondige
heroriëntatie van het kunstenaarsschap in het sociopolitieke landschap en een nieuwe
definitie van het beeld waarvan men opnieuw de inhoud aftast en niet de vorm.
Mogelijk dringt zich ook een einde op van het idee dat kunst een permanente kakelbonte
kermis moet zijn, flitsend tussen de metropolen, in het zog van de multimediale
massacultuur, met veel beweging, kleur, lawaai, altijd weer anders en toch altijd
hetzelfde.
Ver van intellectuele en artistieke snelwegen
komt het eropaan meditatief en kleinschalig een nieuwe naïviteit te ontwikkelen, een
discrete beeldenstorm waarbij bepaalde verwantschappen met islamitische schroomvalligheid
om en rond de icoon niet uitgesloten zijn. Evidenties van s keizers kleren weer
hardop durven stellen, de brutale fetisj ondervragen en negeren als het niet antwoordt of
ons uitlacht. De kunstenaar contesteren als fabulator, quasi-magiër en zwaanridder,
omgeven van verboden vragen naar oorsprong en thuisfront. Aankweken van ongezonde
nieuwsgierigheid, onrecupereerbare vormen van intelligentie cultiveren, intuïtie
koesteren als vrouwelijke begeerte naar waarachtigheid, domme vragen stellen bij een
hermetische tekst, doorprikken van illusies, blokkeren van communicatienetwerken, niet
deelnemen aan relativerende, middelpuntzoekende en verzoenende colloquia, congressen, fora
waar alles wordt bijgelegd in de slotzitting met bijbehorende receptie.
Het protest begin januari 99 tegen de
Mongolen-grappen van de Franse nar Timsit werd gemediatiseerd als de moraliserende
zelfverdedigingsreflex van een in het kruis getaste minderheid, maar heeft eigenlijk een
veel rijkere potentie: het zou een nieuw model kunnen zijn voor de kunstkritiek - een
ethisch-esthetisch-politiek verzet tegen de nihilistische cultuur van de beroepsclown die
in naam van de vrije expressie en met de lach als feedback, de redeloosheid legitimeert.
Weg met de auteursrechten, de kunstmarkt en het cultuurcircuit
In de ontfetisjisering van de kunst en zijn dissociatie met de machtsstructuren is de
vrije en anonieme reproductie essentieel. In ontelbare klonen dient het onthechte
kunstvoorwerp te zwerven als pure idee en economisch waardeloos via posters, prentkaarten,
pamfletten, piraatopnames, internet-boodschappen...
Corporatistische semi-officiële bastions van
het Borgia-complex zoals de auteursrechtenorganisatie SABAM zijn volkomen achterhaald en
hinderlijk in een proces waarbij de kunst op zoek gaat naar een nieuwe zingeving buiten de
klassieke legitimatie-opdracht. Hetzelfde geldt voor alle mogelijke parastatale
theaterinstituten, poëziecentra, kunstpromotoren, cultuurhuizen, musea, parochiezalen...:
de vrijgekomen ruimtes kan men beter omvormen tot opvangcentra voor asielzoekers en
daklozen.
De kunstmarkt en de galerij vormen uiteraard
een onmisbare schakel in het inflatoire mechanisme van de kunst om de kunst:
cultuur is business en creëert haar eigen behoeften. Stel dat er tien jaar geen jong
literair talent zou opstaan, zou het Vlaamse boekenwezen daaronder lijden of zou men de
Antwerpse boekenbeurs afschaffen? Het is waarschijnlijker dat de uitgever zijn hond tot
veelbelovend debutant zou promoveren. Dat is wat met de generatie Brusselmans/Lanoye
gebeurde: als er geen schrijvers zijn, dan maken we ze wel. De barokke bellettrie heeft
geen waarheid nodig en creëert zoals elke tv-zender haar eigen idolen. Deze kringloop kan
enkel doorbroken worden als een parallel circuit van ondergrondse literatuur zijn weg
zoekt in de catacomben. Dat noopt tot een pleidooi.
Voor meer censuur
Er is te veel artistieke vrijheid en niet te weinig, we verzuipen erin. De terugkeer
naar een middeleeuws regime of een Vlaams Blok-dictatuur - wat wellicht hetzelfde is - zou
alleszins het intellectueel parasitisme indijken en de artiesten wegjagen uit het lauwe
politieke centrum en de salonrebellie. Dwing ze te kiezen: de collaboratie of de
verbanning. Rubens of Solsjenitsin. Repressieve regimes brachten altijd al grote
literatuur voort, gedreven als ze was door een esthetica van de ontsluiering die de tekst
in een antimachiavellistische bedding deed stromen van de wederzijdse paranoia tussen
kunst en macht.
Angst, terreur, censuur, vervolging: alleen
vrijheidsbeknotting en een diepgaande kuur in de illegaliteit ontheffen het creatief
intellect uit zijn modernistische conditionering waarin alles kon, alles mocht en dus
niets belangrijk was. Dat verlost ons in één klap van veel middelmatigheid. Het is
ondenkbaar dat hapgrage middenstanders en professionele bedienaars van drieletterwoorden
zoals Brusselmans, Lanoye of Fabre - zoals tv-vedetten hebben ze om fiscale redenen
allemaal een bedrijfje of vzw - ook nog maar één letter op papier zouden zetten in een
regime waar men elke nacht van zijn bed kan worden gelicht of waar men bij het eerste
verkeerde woord op de trein naar nergens belandt. Tenzij ze als slippendragers aan de kost
komen, maar dan is er ook geen misverstand mogelijk.
Tegen elke vorm van subsidiëring
De absurdistische grondtoon van heel de Vlaams-Belgisch-Europese huishouding maakt het
subsidiemechanisme tot regulerend bindmiddel tussen het artistiek-vooruitstrevende en het
politiek-groteske. Het is de enige fundamentele reden waarom de overheid zijn kunstenaars
promoot. Sluw vergroot zij de technische behoeften om hun materiële afhankelijkheid te
bestendigen: zo ontstond de mythe van de elektronische muziek in de grote
semi-officiële instituten van de naoorlogse welvaartsstaat.
In het zoeken naar nieuwe themas en
opdrachten kan de kunst van het derde millennium zich geen enkele vorm van betoelaging of
inmenging meer veroorloven: de authenticiteit van de spelbreker hangt samen met een
sociale marginaliteit, anders is ze fake zoals al de rest. Alles wat door de overheid
wordt betaald is besmet, verbrand, onwaar, obsceen. Dat klinkt hard en fanatiek maar men
kan zich tegenover het circus van de relativiteit en de ambiguïteit niet in termen van
het compromis stellen.
Afgezien daarvan kan men zich afvragen hoe een
kunstenaar überhaupt met de waarheid zou kunnen omgaan, zolang hij in de neurose leeft
van de parasiet die miljoenen spendeert aan een egotrip op een planeet met zes miljard
hongerlijders. Moet ook hier politiek-sociaal wanbeheer worden toegedekt met een geste van
obligate verkwisting? Is de stuitende artistieke etalage van het overschot, zelfs in
tijden van schaarste, weerom een afbeelding van en een alibi voor de irrationaliteit van
de macht?
Ik zie, als cultuurfilosoof die zichzelf au
serieux neemt èn huisgenoot is van de componist/auteur in hetzelfde lichaam, geen andere
logische conclusie uit het Machiavelli-verhaal dan afstand te doen van alle staatsfondsen.
Daarmee vervalt ook de noodzaak zich te voegen naar de stroomlijnwetten van de
intellectuele vrije markt. Leve het vierkante denken, het stotterend vertoog, het bochtig
en hobbelig geschrift - tegen de groteschoonmaakwoede van overijverige schooljuffen en
eindredacteurs die als deus ex machina het publiek verhollandste eenheidsworst willen
serveren.
Deze vrijwillige ballingschap moet louterend
werken, met een minimum aan materiële middelen, amateuristisch: ik pleit voor
een arte povera, graffitesk opererend aan de rand of buiten het economisch systeem, los
van de cultuurbudgetten die voor mijn part aan de èchte schooiers mogen worden
gespendeerd.
Tegelijk vertoont de nieuwe tegencultuur
onmiskenbaar vrouwelijke trekken: dwaze maagden van een jaar of negentien die
hamburgertenten in de fik steken, en die zo de anti-ecologische esthetica van de
vleeseters frontaal in de maagstreek treffen. Het is de geest van Rousseau die, twee
eeuwen later, eindelijk de stuwing geeft aan een matriarchale omwenteling die ook een
totaal andere kunstopvatting zal opleveren.
Tenslotte leidt het sociale, ruimtelijke,
materiële en linguïstiek onderduikadres van de 21ste-eeuwse kunstenaar een teleologische
aardverschuiving in: het postmodern discours richt zich intrinsiek niet meer tot de
mecenas, een elite, of de openbaarheid, maar tot iets anders, iets totaal buiten ons, iets
vreemds. Maar wie of wat?
Het einde van de geschiedenis en de herontdekking van het Andere
Door werelds te worden heeft de kunst zichzelf verloochend en haar opdracht als
zingever verloren. Hoe zich van deze erfschuld te ontdoen? Hoe het defect te herstellen
dat zich omstreeks 1500 voordeed?
Door schuld en boete. De hel van het kunstwerk
ligt in de confrontatie met zijn eigen leegte. Deze akte van radicale zelfkritiek is het
meta-artistiek project waar we ons de volgende vijfhonderd jaar mee kunnen bezighouden.
Het is wellicht de belangrijkste filosofische uitdaging voor wat men het
postmodernisme is gaan noemen.
Hetgeen apocalyptisch werd aangeduid als
het einde van de geschiedenis, stelt zich nu concreet als de ondergang van de
niet-gemediatiseerde icoon in het gefluister van de massa. De media hebben geen rol van
betekenis meer te spelen omdat het door hen statistisch geprojecteerde insect, half
knecht, half meester, van langsom minder beantwoordt aan de aspiraties van het collectief
bewustzijn. De dood van het artistiek ego betekent het isolement van de macht, beroofd van
zijn dubbel. Haast 500 jaar na de dood van God is deze daad de reële breuk
met de geschiedenis en wellicht het begin van een reveil, een aanzet tot een totaal nieuwe
perceptie van de werkelijkheid, de omgeving, de antroposfeer, de kosmos. Het humanisme
moet nog uitgevonden worden, of beter: moet zichzelf overwinnen, weg van de hybris
waardoor we aan onszelf werden geketend in een tragikomisch inferno.
Machiavellis existentiële tautologie Ik = Ik binnen het
aan-deze-zijde wordt pas doorbroken met de erkenning van het andere, onzichtbare,
aan-gene-zijde. De ijlte dus waar Il Principe zich liet instromen en die we na
uitzuivering opnieuw als ontvankelijke leegte lezen. De onbekende toehoorder die nooit
antwoordt. Alles wat we niet weten en nooit zullen weten en ons toch mateloos
interesseert. Alles wat wezenlijk niet tot ons behoort en slechts met een uiterste
krachtsinspanning kan vermoed worden. Het negatief van onze biogenetische code. Pas
wanneer heel het menselijk kennisproject op die horizon uitkijkt, kan dat wat nabij is in
zijn juiste perspectief worden geplaatst. Een nieuwe transcendentie dringt zich op vanuit
dit oneindigheidsgevoel. Het de-romantiseren van de kunst èn het de-objectiveren van de
wetenschap, tot op een cognitief evenwichtspunt in een antiautoritaire gebedsruimte. Deze
èchte synthese van wetenschap en kunst, is het enige alternatief voor de corrupte
alliantie tussen kunst en macht, en is meteen een politiek imperatief van de hoogste orde.