Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel

Natalja

Yorgos Dalman

 

Het was Natalja die altijd zei dat ik een oorlog in mijn hoofd had. Zo hadden we allebei een oorlog.
'Mijn accordeon doet weer raar,' zei ze toen ik thuiskwam.
Ik zette de boodschappen op het aanrechtje en leunde tegen de muur. Vandaag wilde ik haar niet aankijken.
'Kijk mij eens aan.'
'Nee.'
'Hij klinkt ontstemd.'
Ik speelde met de hoed in mijn handen. Die had zij mij voor mijn verjaardag gegeven. God, wanneer was dat ook alweer geweest?
'Ontstemd? Misschien moet je wat minder smartlappen zingen.'

Het instrument van haar stond in de hoek van de gang, half uit zijn koffer. Het geld lag op een hoopje op de hoek van de tafel.
'Ik zing geen smartlappen. Ik zing helemaal niet. Ik spéél.'

'Je hebt anders een mooie stem, meisje. Misschien zou je moeten zingen.'
'Kijk mij nou eens aan.'
Ik draaide van haar weg en spoog in de zinkbak.

'Ik zal er wel naar kijken,' zei ik. 'Vanavond.'
Ik begon de boodschappen in de kastjes te zetten. Veel was er niet. Het had de afgelopen week veel geregend en dan bracht Natalja's geflierefluit minder op.
'Regen zou mensen juist in de stemming moeten brengen,' zei ik. 'Stemming is geld.'
'Wanneer moet je weer werken?'
'Deze week niet meer.'
'Deze week niet.'
'Ik heb appelmoes, aardappelpuree en aardbeien na,' zei ik toen.
'Moeder heeft gebeld. Ze wil je weer eens zien.'
'Misschien.'
Natalja liep op me toe en drukte zich tegen me aan. Ik rook de regen in haar hals en haren.
'Ruik je me?' vroeg ze.
Ik knikte en duwde haar van me af.
'Misschien moet je wat meer strijdliederen spelen. Daar hebben jullie er toch zoveel van ginds in Rusland? Al die onderdrukkingen en oorlogen. Dat brengt muziek in de mens naar boven.'
'Litouwen, Kasper! Litouwen!'

'Wat je maar wilt.'

 

Natalja had gedoucht. Ze schoof aan tafel en meteen rook het naar Zwitsal. Ik zei haar dat ik ozon prettiger vond. Ze pikte een aardbei van de dessertschotel. En toen begon ze weer over haar moeder. Die woonde met een Nederlandse schoenenverkoper en Aurelio, haar zoontje met Down, in een klein appartementje in West. Wat heette klein, het was groter dan het onze. En zij hadden kabel. Christus, wij hadden geeneens kabel. En dat mens wilde mij inderdaad maar wat graag zien. Ze zag alles in me, van minnaar van haar dochter tot toekomstige kostganger van een heel gezin.
'Wil je nou komen van het weekend?'

'Ik mag jouw moeder geloof ik niet zo.'
'Dat weet ik wel zeker. Je mag niemand. Moeder niet, Klaas niet, Aurelio niet. Zelfs aan Sebastiaan heb je een bloedhekel, al mag ik weten waarom.'
'Sebastiaan? Wie is Sebastiaan?'
'Onze goudvis. De goudvis van Aurelio.'
'O ja, dat kreng.'

 

Nog steeds had ik het idee dat ik aan haar kon zien dat ze anders at dan anderen. Dat mensen uit Rusland anders aten, maar ik kon niets ontdekken. Ze beet al net zo coulant een aardbei doormidden als iedere andere griet die ik kende.
'Ga je morgen weer spelen?' vroeg ik.
'Ik ga altijd spelen, Kaspar.'
'Ik bedoel: waar?'
'Hinthamerstraat. Morgen is het markt. Er zijn altijd veel mensen in de Hinthamerstraat.'
'Er is ook altijd veel regen in de Hinthamerstraat.'
Ik gooide mijn hoed richting het bankstel. Hij kwam in de plant terecht.
'We hebben een kapstok in de gang.'
'Hier hebben we er ook één,' zei ik. 'En hij groeit ook nog.'
Ze stopte een aardbei in mijn mond.
'Ik heb mijn mond nog vol eigenheimers,' protesteerde ik.
'Zo eten jullie Hollanders toch altijd?'
Toen vertelde ze van de Turkse jongen die gitaar speelde.
'Ik liep vanmiddag terug van een snackbar en zag een Turkse jongen gitaar spelen. Ik ging zitten op een bankje vlakbij en was blijven luisteren. Even later kwam er een andere voorbij. Ook een Turk, denk ik. Zelfde huidskleur, zelfde ogen. Hij sprak hem toe, bukte, en spuugde in zijn geldblik. De Turkse jongen met de gitaar bleef zitten en speelde gewoon verder.'
'Misschien was het een Koerd.'
'Wie?'
'Een van de twee, wat maakt het uit?'
'Vind je dat het niets uitmaakt?'
Ik legde mijn bestek neer.
'Of je nu spuugt of jezelf laat bespugen, het deugt geen van beide.'
'Kom je van het weekend nog of niet?'
En plotseling was zij weer alles voor mij, zoals ze mij aankeek. Zoals ze haar hand naar me toe schoof. Bijtijds kon ik de mijne terugtrekken.
'Als ik me redelijk voel,' zei ik.
'Geef me een kus.'

 

Natalja ging naast me zitten en zette het geluid iets harder. Ik vlijde mijn hoofd tegen het hare aan. Ze vroeg waar het over ging. Ik zei haar dat de man daar in beeld een vuilnissjouwer was en dat een meisje verliefd op hem was.
And as he lay in bed, in the middle of the night, he always heard a noise like someone was holding a seashell against his ear.
Ik heb op die manier schelpen zat, dacht ik bij mezelf, zeeën vol. Ik knipte het beeld uit.
'Is het niet spannend?' vroeg Natalja.
Ik haalde mijn schouders op.
'Ik ken hem al. De man gaat er met het meisje vandoor in een auto en schiet onderweg allemaal mensen dood.'
'Waarom?'
'Ik denk vanwege het ruisen in zijn hoofd.'

 

Die nacht schoof zij haar bed tegen het mijne aan. Dat deed ze altijd wanneer ze er zeker van was dat ik sliep. Soms vroeg ik me af of zij niet expres een uur of twee wakker bleef totdat ik eindelijk sliep. Ik werd wakker, ergens na drieën volgens het klokje. Ik voelde haar arm op me liggen. Ik liet haar maar zo. Morgen zou het weer regenen, had de weerman gezegd. De hele dag. Ik kon haar adem horen, vlakbij mijn gezicht. Voorzichtig draaide ik me om. Haar hand lag nu op mijn rug.
Ik dacht even aan een briefje dat ik onlangs had gevonden. Het had tussen de bladzijden gezeten van een boek dat ik in geen eeuwen had opengeslagen.

 
Wanneer de mogelijkheid zich voordoet
dat ik jou uit het raam kan gooien,
zal ik dat zeker doen. Je zult dan
je pyjama dragen en een strik in je haar.

 

Het was iets dat ik waarschijnlijk ooit ergens van had overgeschreven.

 

De volgende ochtend hadden we ruzie gekregen. Ik had bij het aanrecht gestaan met een bord in mijn handen. Ik weet niet hoe lang ik er had gestaan. Ik had het bord uiteindelijk tegen het aanrecht kapotgeslagen en slet gezegd. Zomaar.
'Wit-Russische slet.'
En toen was ze naar me uitgevallen. Ik noemde haar wel vaker zo maar nog niet had ik daarbij één van haar borden kapotgeslagen. Ze waren van haar moeder geweest. Ze had me uitgemaakt voor alles wat mooi en lelijk was en was toen huilend op de bank gaan zitten. Ik ruimde de scherven op waarbij ik een vinger openhaalde, en was naast haar gaan zitten. En had gezegd: 'O ja, Litouwen.'

 

Natalja was zojuist weggegaan met haar accordeon en ik bleef nog even binnen. Ik keek haar na vanuit de slaapkamer. Ze had zich beneden nog eenmaal naar me omgedraaid en gezwaaid. Haar lichtblauwe regenmantel lichtte fel op. De lucht had een rare kleur vandaag. Donker over het geheel met toch veel licht ertussen. Van die gebarsten onweerstinten.
De regenmantel had ze van Klaas gekregen, de laatste keer dat zij bij hem en haar moeder op bezoek was geweest. Ik was niet mee geweest. Klaas had haar de mantel gegeven zodat ze niet meer nat werd als ze accordeon speelde.
Ik ging op bed liggen en staarde naar het plafond. Ik trilde over mijn hele lichaam. Daarna was ik opgestaan en had de porseleinen scherven uit de vuilnisbak gevist. Ik had er een tijdje naar staan kijken. Sommige scherven waren lang en slank. Andere waren korte, grote stukken. Lomp van vorm.
Op de tafel lag nog steeds de krant. Buitenlands nieuws. Altijd het buitenlandse nieuws. Tjetjenië, Bosnië, Rusland. Litouwen. Oorlog en sneeuw. Sneeuw en oorlog. Vorige week had haar moeder gebeld. Een broer van haar had zelfmoord gepleegd. Hij was officier in het leger. Al maanden was het leger ginds in strijd met zichzelf. Geen geld, geen eten. Alleen het wachten hadden ze daar. Het lange zinloze wachten in de sneeuw. Op wat? Tientallen soldaten pleegden er zelfmoord per week. En langzaamaan begonnen de officieren hun manschappen te volgen.
Ik geloof niet dat Natalja die oom van haar goed gekend had. Ze had nogal flauwtjes gereageerd. Diezelfde nacht had ze wel in haar slaap liggen huilen. Maar dat deed ze wel vaker.
Verder buitenlands nieuws: andermaal werden in België enkele automobilisten beschoten met fatale afloop. Over de motieven van de tot nu toe nog onbekende serieschutter is nog niets bekend.
In Duitsland zijn opnieuw jodengraven geschonden. Kohl is sprakeloos.

En het oprukkende regengebied zorgt voor overstromingen in heel West-Europa.

 

Om even na tienen had ik mijn jas gepakt en was naar De Buit gelopen. Daar werd ik opgevangen door Jenne. We gingen aan de bar zitten.
'Wilde je iets speciaals gaan doen?' vroeg ze.
Ik wist het niet.
'Of kwam je gewoon wat zitten en praten?'
'Ik weet het niet.'
Ik bestelde een thee.
'Hoe is het met Natalja?' vroeg ze toen.
'Dat moet je haar vragen.'
'Ik bedoel, hoe is het met jou en Natalja?'
'Ze wil mij weer mee naar haar ouders nemen.'
Jenne nam kersenthee. Iets wat ik niet kon uitstaan.
'Daar zie je wel meer tegenop, is het niet?'
Ik knikte. Toen kwam Kees tussenbeide. Kees was een vet kereltje met een snor en een blauwe trui en een eeuwige grijns op zijn gezicht. Nooit zag je hem zonder. Alsof hij in al zijn krankzinnigheid de dingen om hem heen uitlachte. Hij kwam vooral in De Buit om er te biljarten. En om een praatje te maken met Jenne of één van de andere leidsters. Hij zei: 'Ge wit da Marjanne d'r eige gemold het, nie?'
Jenne knikte kort en zei dat ze dat inderdaad al wist. Ik kende Marjanne alleen van horen zeggen. Ze was een vrouw van in de dertig die hier geregeld kwam. Manisch-depressief en erg saai. Toen wendde Kees zich tot mij.
'Marjanne het d'r leven aan de wilge gehange.'
Ik gaf geen antwoord.
Nogmaals zei hij: 'Marjanne het d'r leven aan de wilge gehange.'
'Kees,' zei Jenne toen, 'laat ons even, wil je?'
'Hedde die foto gezien van mij aan de muur?' Hij wees.
Jenne knikte plichtmatig. En zei: 'Ja, je staat er heel goed op.'
'Die het Jan gemaakt, die foto.' En tegen mij zei hij: 'Die het Jan gemaakt, die foto.' Toen ging hij terug naar de pooltafel.
Onderwijl had ik het theezakje uit mijn glas gehaald en kapotgescheurd. De thee kleefde aan mijn vingers.
'Heb je nog wat kunnen werken deze week?' vroeg ze.
Ik zei: zo hier en daar.
'Je loopt nog bij de PTT rond, is het niet?'
'Soms. Vaak donderdag- en vrijdagnacht. Dat is haalbaar. Daarna ben ik afgemat.'
Meestal sector vijf, daar lieten ze mij mijn gang gaan. Zeven uur kreeg ik om mijn werk te doen, hoe, dat mocht ik zelf uitmaken. Ik kreeg geen klachten. Niemand zat me op de nek. Ik deed wat ik kon. Alles liep goed tot op heden.
'En ik help zo hier en daar waar ik kan. Maar vorige week werd ik gevraagd voor een andere sector. Ook nachtdienst. Aan de sorteermachine. Dat was benauwend. Geen moment rust. De machine bleef maar post braken en ik moest alles verzegelen. Tempo, tempo.'
'Kasper...?'
'Ik kwam thuis, bekaf, heb niet kunnen slapen. Drie uur heb ik met mijn kleren aan rondgelopen.'
Natalja had de slaapzak toen gepakt en was op de sofa in de woonkamer verder gaan slapen. Daarna heb ik op bed gelegen, tot twaalf uur 's middags. Bekaf van het shaken. En het bleef maar duren.
'Geen moment rust.'
'Heb je de mensen van het uitzendbureau dat al verteld?'

'Dat helpt niet. Ze dwingen je mee te doen. Het is meedoen of afhaken. Anders krijg je nooit meer werk. Ze brieven veel door naar de uitkerende instanties. Zolang je een beetje werkt zal de keuringsarts geen stappen ondernemen. Maar hij zit te wachten. Eén misstap is fataal. Ze blokkeren alles en dan lig je eruit. En dan sta je op straat. De huisbaas is meedogenloos.'
'Ik denk dat ik wel begrijp wat je bedoelt. Maar ben je inmiddels weer een beetje tot rust gekomen?'
'Ik wel.'

 

Daarna was ik weer op huis aangegaan. Ik moest denken aan Natalja. Ik liep via het stadscentrum in de hoop haar tegen te zullen komen maar ze was nergens te bekennen. Wel zag ik een Turkse jongen gitaar spelen. Hij had een sigaret achteloos in zijn mondhoek hangen. Dat stond hem goed.
Tegen de namiddag kwam Natalja thuis. Ze ging naast me zitten en vlijde zich tegen mij aan. Ik legde mijn handen op haar borsten.
'Ik heb die Turk gezien, met die sigaret,' zei ik.
'O ja?'
'En ik ben bij Blokker binnengelopen. Daar hadden ze een grote glazen vitrinekast. En ik heb gedacht, als ik flink zou aanlopen, zou ik er in één keer doorheen kunnen springen.'
Ze streek met een hand door mijn haar.
'En wat zou je ermee bereiken?'
'Ik zou mezelf flink bezeren aan dat glas.'
'Zou je dat willen dan?'
'Nee,' zei ik. 'Nee, uiteraard niet.'
Die avond maakten we het restantje aardbeien op. Ik vroeg haar of ze genoeg geld had opgebracht om zaterdag een nieuw doosje te kopen.
'Het zal net gaan,' zei ze. 'Maar het heeft weer volop geregend.'
Natalja keek naar het late journaal. Ze bekeek aandachtig de sneeuwtaferelen in Rusland. Het waren net prentkaarten.
Ik probeerde verder te lezen in Flamingoes in orbit.
'Ik ga naar bed,' zei Natalja na afloop. 'Ga je mee?'
'Was er nog iets spannends te zien?'
'Van alles wat,' zei ze.
Ze wist dat ze het niet hoefde uit te leggen. Ik kon er toch maar moeilijk naar luisteren. Namen, plaatsen en merken oorlogstuig: dat was de politiek. En het weer: cijfers en letters. En geanimeerde wolkjes. Te veel in aantal, zeker boven Nederland. Ik had het allemaal al eens eerder gezien. Te vaak.
'Ga je nog mee?'

 

'Wat is een cour-ti-sa-ne?' vroeg mevrouw Dratinova in gebrekkig Nederlands. Zij zat de krant te lezen.
Natalja haalde haar schouders op. Klaas nam zijn bril van zijn gezicht en zei: 'Een losbandige dame met klasse. Ook wel een prostituee met voorname mensen als klant.'
'Een slet met allure dus,' zei ik.
Aurelio zat bij de kom van Sebastiaan en murmelde onophoudelijk tegen zijn vis. Natalja en ik zaten naast elkaar, schools bijna, hoewel zij iets onderuitgezakt zat.
'Ben je nu onrustig?' vroeg ze me.
Ik antwoordde ontkennend. Maar had niet echt overtuigend geklonken.
'Het verbaast mij wat voor een rommel men over staatslieden schrijft,' zei Klaas met een grijns.
Natalja's moeder keek haar man vragend aan. Klaas wees naar een artikeltje in de krant die zij vast had.
'Duitsland. Al die nieuwsschrijvers weten zo goed hoe een Bondskanselier zich moet gedragen hier en daar en zus en zo. Zelf blijven ze maar mooi achter hun bureaus zitten met hun kleurloze artikeltjes.'
'Waar maak jij je druk om?' vroeg Natalja. 'Jij bent toch niet de Bondskanselier van Duitsland?'
'Nee,' beaamde Klaas. 'Maar iemand anders wel.'
Toen begon het gesprek over mij. Klaas vroeg of ik me nog staande kon houden in de 'leegte buiten de muren'.
'Hij heeft mij,' zei Natalja. 'Elke ochtend bespreken we de dag. Wat gaat hij doen. Hoe laat is hij thuis en zo. Op donderdag en vrijdag werkt hij. En hij heeft nog De Buit.'
'Loopt hij nog steeds in die club rond?'
'Het is een activiteitencentrum,' zei ik.
'Dat is een mooi iets,' zei Klaas en hij keek me van boven zijn brilletje aan. 'Als je maar actief bent.'
'Hoe zit de regenmantel, Natalja?' vroeg haar moeder ertussendoor.
Natalja zei dat het ding goed zat. Ze bleef nu nagenoeg droog. De capuchon was lastig maar natte haren konden haar niet zo deren.
'Maar als ik mijn benen goed intrek blijven zelfs mijn voeten droog.'
'En de verdiensten?'
'Het gaat. Het regent momenteel veel.'
'Volgens die meneer Timofeef moet het ergste nog komen,' zei Klaas en hij hield ons een schaal krakelingen voor.
Natalja nam er twee. Ik bedankte. Intussen had moeder Aurelio bij zich op schoot genomen. Het kleine jongetje dijde aan alle kanten uit en niet in de laatste plaats bij zijn mond waar een dikke paarse tong herhaaldelijk naar buiten stak.
'Iesh! Iesh!' zei hij dwingend en hij kronkelde met zijn arm.
'Ja,' zei Natalja. 'Visje. Se-bas-ti-aan.'
'En kom je nog wel eens wat aan ontspanning toe?' vroeg Klaas mij.
'Zo nu en dan.'
'We komen er wel doorheen,' zei Natalja die bij haar moeders schoot was neergeknield. 'Lieve Aurelio, lieve kleine knul.' En wat daarna volgde was Russisch.
Ze hadden zich voorgenomen zoveel mogelijk in het Nederlands te spreken. En dat gebeurde meestal, ofschoon Natalja in een paar maanden veel verder was gekomen dan haar moeder. Soms echter vielen ze terug in hun eigen taal. Vooral de moeder. Dat deed ze voornamelijk wanneer ze het over de oorlog had. Dan was ze opeens weer ginds in dat verre land, bij haar familie en vrienden. Maar ook wanneer ze met Aurelio sprak, verviel ze in de taal van haar verleden. Intimiteit maakte kennelijk iets los, iets nostalgisch. Het was misschien ongedwongener, dacht ik, dat spreken in het Russisch. Of Litouws. Misschien was oorlog ook een vorm van intimiteit.

 

Soms ook sprak Natalja tegen mij in haar eigen taal. Dan zuchtte ze iets onverstaanbaars wanneer ze zich uitgeput op mij neervlijde. Het was ook altijd donker op zo'n ogenblik. Misschien dat ze mij alleen zo durfde aan te spreken als ik haar niet kon aankijken. Ik liet het maar zo. Ik had ook nog nooit gevraagd wat ze op zo'n moment tegen me zei.
Eén keer sprak ze in het Engels. Ik was naakt en lag op mijn buik. Zij lag boven op mij en liet haar natte haren over mij heen gaan. Op de achtergrond klonk The carny van Nick Cave. Terwijl ze met me vrijde, probeerde ze zachtjes mee te zingen.

 

Weer had ze niet veel opgebracht. Ze had het geld op tafel gelegd en het weer vervloekt.
'Laat dat,' gebood ik haar.
'Ik heb minder opgebracht dan ooit.'
'Misschien moet je je benen minder intrekken,' zei ik.
'Mijn benen?'
'Je voeten, je houdt je voeten te droog.'
'Wil je even gaan rusten?'
Ik schudde van nee.
'Er is niets aan de hand. Jeez! Ik zeg alleen, als je te weinig opbrengt, komt dat misschien omdat je je benen te ver hebt ingetrokken.'
'Ik begrijp je niet.'
'Je houdt jezelf te droog, Natalja. Je bent te goed afgeschermd. Je wekt geen medelijden meer op met je natte kleren en je doorregende smartlappen. Je zit droog en comfortabel. Wie geeft daar iets om? Je hebt geen reden meer om muziek te maken.'
'Ik moet me dus nat laten regenen voor de mensen op straat?'

'Je moet je nat laten regenen omdat je morgenavond weer brood op de plank wilt en aardbeien toe.'

 

De volgende middag bleef ik thuis. Ik had uren achtereen rondgelopen door het appartement. Ik was bang dat ze me niet begrepen had. Als ze maar even nadacht. Het was zo duidelijk. Het was slechts een kwestie van de juiste woorden. Dan zou alles goed komen.
Mijn lievelingsblouse hing een beetje onhandig opgevouwen over de stoel in de woonkamer. Op het fornuis stond een ketel water. De post lag op het kastje in de hal. Ongeopend. Er was niets in huis behalve een nare tocht: het keukenraam stond open. Zij was nergens.
Ik luisterde even naar de radio. De weerman sprak over noodweer in het zuiden des lands. Men kon spreken van één van de ergste stortbuien van deze eeuw.
De watervloed die gisteren België nog teisterde, trekt naar het noorden.

Onze zuiderburen zelf konden inmiddels de paraplu weer thuislaten. Het zou ginds zelfs een mooie dag worden. Een mooie dag voor wat, vroeg ik me af. Wasted Youth zong ooit eens: a good day for a hanging... Vet en duidelijk. Met strakke drumpartijen.
In de middag had ik weer wat geslapen. Toen ik opstond, voelde ik me uitgerust. Ik keek naar buiten. De regen leek iets te zijn afgenomen. Maar in de verte kwam een nieuwe donkere lucht opzetten. Misschien dat daar het zuiden moest zijn. Wat zou ik opzetten, Tiamat of Sonic Youth?
De wasbak in de slaapkamer was iets van de muur gekomen. Bij de rand hield de verf op en was er een donkere grijze streep te zien. De streep glom. Met mijn vingers voelde ik erachter. De plek was vochtig. Ik pakte een handdoek. Daarna klapte ik mijn zakmes open en volgde een pissebed die wegschoot over de grijze streep.
Het geduld dat zij opbracht door daar uren aaneen te zitten op straat. Het moest haar bevlogenheid voor haar folklore zijn en het oneindig grote repertoire aan liederen dat zij kon spelen dat voor haar elke dag een andere dag maakte. Misschien bracht de muziek haar voor een ogenblik terug naar thuis, thuis in het ondergesneeuwde, hongerende Litouwen. Ik stelde me haar zo voor, leunend tegen de muur van de V&D en omsingeld door een menigte. Ik voelde me misselijk worden.
Maar met slecht weer waren de verdiensten altijd minder. Daarom moest ze ook voor het shockeffect gaan. Verlopen kleren, niet te, ze mocht geen junkie zijn, maar wel zo dat ze natgeregend was en voldoende sympathie opwekte zodat mensen als vanzelf op haar af stapten en haar iets extra's gaven. Een knaak voor de muziek en een gulden voor de regen. Maar dat begreep ze niet. Ze wilde het niet horen. Klaas met zijn gezeur. Moeder met haar nostalgisch gezwijg. Niemand wilde luisteren. En het was zo essentieel. Geld was nodig, je moest in leven blijven, de huurbaas greep iedere kans aan, wat kon iemand daarvan zeggen? Alsof ze er niet met haar gedachten bij was, Natalja, alsof ze mij de laatste tijd minder aankeek. Ze sprak ook weinig en liet zich weinig aanhalen. En weer bekroop me het angstige gevoel dat alles misliep. Zoals voorheen, toen alles dreigde stuk te lopen. Niets kon ik vasthouden. Alles glipte door mijn vingers heen. Dat was voorbestemd. Lotgevallen, hoe noemde men dat. Alles verwijdert zich van je en de wereld kijkt toe. Alsof hij daarvoor geschapen was. Alsof iedereen wist. Iedereen behalve jijzelf.

 

De frisse lucht buiten kalmeerde me iets. Het rook sterk naar ozon. Ik trok mijn kraag hoog op.
Iets schoot er door mijn hoofd. Bij Blokker had ik het zien liggen. Een klein ding van glas met donkerblauwe vloeistof. Batterijen inbegrepen. Dat had ze laatst aangewezen. Het kon bewegen.
Ik stond in de winkelstraat. Natalja was nergens te bekennen. Het regende nu ook wel erg hard. Ik kon me moeilijk oriënteren en begreep ook niet wat ik hier deed op straat. Geen muziek vandaag. Ze was gevlucht. Ondergedoken bij iemand die ze kende. Maar ze kende hier niemand.
Ik was de hele straat uitgelopen tot voorbij het centrum. Daarna verder gegaan. De verstedelijking hield op waar de winkels eindigden. Woongedeeltes trokken aan mij voorbij. Huiskamerramen met vitrage en planten op de vensterbank. Veel oplichtende tv-schermen. Kleine kinderen kropen over de vloer. Eentje zwaaide lachend. Ze had een poppetje van de reclame.
Een felle tik tegen het raam. Ik schrok op. Het gezicht van een norse man. Ik trok mijn kraag nog hoger en liep gauw verder.
Mijn tempo was gelukkig goed zonder al te veel hiaten. Ik kon zo nog wel een heel eind komen zonder al te veel aandacht te trekken. Auto's reden voorbij. Wegen werden breder. Huizen hadden nu plaatsgemaakt voor flats. Donkerbruine stenen, stijl jaren vijftig. Twee mannen liepen voorbij en ratelden in een taaltje dat ik niet verstond.

 

De speakers ruisten nog altijd. Thurston Moore zong:
My violence is a dream,
a 'real-dream', a skinny arm,
a crush on living sin...

Ik had een goed eind gelopen toen ik ongemerkt de afbraakbuurt aan de Aartsbisschoplaan was ingeslagen.
Iedere stad had zijn wegwerpwijk. Afdankwoningen, rijp voor de sloop. Hele blokken gingen hier tegen de vlakte. Iets verderop stak een grote hijskraan boven de daken uit. Alle ramen en deuren waren verwijderd. Niets dan kale geraamten. Ik kon zo door de lege vertrekken de weg aan de andere zijde zien liggen.
Ik liep langs grote Heras-hekwerken die om de zoveel meter door kinderen uit zijn betonnen houders getild was.
Boven me betrok de hemel tot een inktzwart geheel en de regen striemde in mijn gezicht. Ik stapte door een van de vele gaten in het hekwerk en liep een verlaten schoolgebouw binnen. Het was kil binnen maar droog. Ik liet me de trap op leiden naar de eerste verdieping.

 

Ik bevond me in een lokaal met uitzicht op de voorkant. Buiten lag de weg naar Woud-Eind. In een gestaag tempo reden de auto's voorbij. Aan het einde was een doorgang naar een volgend lokaal. De deur zelf was er niet meer. De ramen hier waren, in tegenstelling tot de achterzijde, alle zo goed mogelijk afgedekt met plastic. Maar de storm had grote delen losgemaakt en op veel plekken stond de vloer blank.
Ik nestelde me in de hoek van het lokaal waar de vloer nog droog was en bleef zo zitten. Het geraas van de regen weergalmde vol in de lege vertrekken en maakte me suffig. Ik zou even mijn ogen dichtdoen en wachten tot de bui minder werd. Het was alsof ik de stemmen kon horen van de mensen die hier les hadden gekregen. Kinderen, jongeren, volwassenen. Ik kon me niet zo gauw bedenken welke school dit moest zijn geweest.
Ik werd me gewaar van mijn natte kleren. De regen drong diep naar binnen toe. Door mijn trui heen. Op mijn huid. De regen werd lauw van mijn eigen warmte.
Ik zag Natalja weer voor me zoals ze was toen ik haar leerde kennen. Een vriend van me had me meegenomen naar het stijldansen in Dancing hall. Daar was zij ook. Ze was met een groep landgenoten uitgenodigd om iets te vertellen over hun muziek daar. We werden aan elkaar voorgesteld. Aanvankelijk gebeurde er niets. Behalve dan de gebruikelijke lachstuipen. In zo'n geval excuseerde ik me en ging ik naar het toilet. Dat deed ik die bewuste avond ook maar toen ik terugkwam was zij daar nog. Haar kleren, haar gezicht. Haar benen gekruist. Ze trok me de dansvloer op. Protesteren had geen zin. Niets had zin. En tegelijkertijd alles. En de tijd verstreek, even traag en onmerkbaar als de ruimte tussen ons in.
Ik opende mijn ogen weer. Het was nu donker geworden. Ik moest enkele uren aaneen hebben geslapen. De vloer was bijna nergens nog droog.
Toen klonk een stem ergens ver voor mij: 'Ik dacht al dat ik hier iemand zag zitten.'

In de deuropening naar het andere lokaal stond een man geleund. Hij had een donkere baard en droeg een lange regenjas. Ik zag nu ook dat hij een langwerpige koffer bij zich had. In de loop der jaren had ik echter leren reageren op zulke verschijningen. Zo kalm mogelijk tastte ik mijn zakken af tot ik een klein plastic doosje vond. Er moesten nog twee pilletjes in zitten. Maar iets weerhield mij ervan er een uit te halen. De stem van de man had zo anders geklonken. Zo echt.
'Wees niet bang,' zei hij terwijl hij langzaam naar binnen liep. 'Ik ben de opzichter niet.'
Hij ging bij een raam staan, een beetje van mij vandaan alsof hij me niet bang wilde maken. Hij schoof een stuk plastic opzij. Licht van een lantaarn viel naar binnen. Zijn baard glinsterde. Een tijd lang keek hij naar de straat voor hem.
'Zit u hier al lang?' vroeg hij tenslotte. 'Het lijkt wel alsof u hier geslapen hebt. U ziet zo wit.'
Een ogenblik lang luisterde hij naar de regen.

'Bij ons regende het ook zo fel,' zei hij toen. 'Het lijkt wel een moesson. Mijn vrouw, zij hield van de regen. Ze was een echt natuurmens. Ik heb dat nooit kunnen begrijpen. Tot nu eigenlijk. Blieft u misschien een augurk?'
De man haalde iets uit zijn jaszak tevoorschijn dat gewikkeld zat in aluminiumfolie. Hij kneep de folie tot een propje, liet dat vallen en trapte het het lokaal door.
'Wat een puinhoop is het hier,' zei hij tussen twee happen door. Hij keek om zich heen. De vloer lag bezaaid met stof en steengruis. 'Vergeeft u mij trouwens, mijn naam is Edward. Soms vergeet ik mijn manieren. U vindt mij misschien brutaal, maar... mag ik misschien weten hoe u heet?'
Ik haalde mijn schouders op en zei mijn naam. Of ik dacht dat ik dat deed. Het hele geval kwam me nogal ironisch voor. De man porde nu met de punt van zijn schoen tegen een oude werkhandschoen die een van de slopers moest hebben laten liggen.
'Ja, ja, wat een puinhoop,' zei hij weer. 'Net als in de flats hiernaast trouwens. Ik heb geprobeerd iets propers uit te zoeken, maar ja. Gelijk hebben ze dat ze hier de pijlers onder vandaan blazen.' Hij lachte zacht. 'Ik heb ook lang gewoond in een kot als zo hier in de buurt. Mijn vrouw en ik. Op den duur kregen de kakkerlakken elk een voornaam, begrijp je. We hebben lang naar iets beters moeten zoeken. Het heeft een tijd geduurd maar een paar maanden terug hadden we dan toch iets gekregen. Dat moest ook wel, er was een kleine op komst. Ja,' zei hij en hij keek weer in het rond, 'gelijk hebben ze...'
Hij knielde bij het raam en hield één hand ter bescherming voor de regen boven zijn ogen.
'Dit is 's-Gravenwoude toch? Ik ben hier nog nooit eerder geweest. Mijn vrouw wel, vroeger. Die heeft de kathedraal nog bezocht. De binnenstad moet prachtig zijn.'
Hij pakte zijn koffer beet en met uiterst beheerste handelingen opende hij de gespen.
'U woont in een appartementje in de binnenstad,' zei hij opeens. 'Vergeeft u mij als ik u zo blootleg. Maar ik zit in de woningbranche. Geen topman of zo, geen makelaar. Meer een assistent van een assistent van. Maar op de duur leer je de mensen allemaal kennen. Aan de mens herken ik de behuizing. U heeft een vrouw?' Vragend keek hij me aan. 'U ziet er nog jong uit. Een meisje, wellicht. Zo zeggen jullie dat hier toch ook? Is ze...'
Hij maakte zijn zin niet af maar liet in plaats daarvan zijn blik op de koffer rusten. Zijn vingers speelden met de deksel. Toen haalde hij het geweer eruit. Het was in tweeën gevouwen en het vizier zat er apart bij. Dat schroefde hij erop nadat hij het wapen schietklaar gemaakt had. Uit een doosje haalde hij vervolgens enkele kogels die hij voorzichtig in het magazijn laadde.
'Wij kregen uiteindelijk een mooi klein huisje, ver van de grote stad. Maar niet te ver, natuurlijk. Het werk, ziet u. Prettig klein dorpje. Alle rust om u heen. Mooi voor de kleine. Want die zou gauw komen. Het was op een zaterdag. Wij waren thuis, Carlijn en ik. Ik zat te cryptogrammen toen de weeën kwamen... Dus wij de wagen in.'
Hij zette het geweer tegen zijn schouder en keek door het vizier. Met elk voorbijgaand geraas bewoog hij mee, langzaam, steeds opnieuw, mikte hij schijnschietend, zijn wijsvinger steeds even tegen de trekker aan.
'Het regende die dag,' zei hij en hij liet het geweer weer zakken. 'Net als nu. Je zag geen hand voor ogen. Een oorverdovend gekletter op het dak en op de ramen. Ssssshhh. De auto's voor je zag je maar nauwelijks. En plotseling staat er dan één op de rem. Je doet wat je kunt. Maar het wegdek is glad. De remweg net iets langer dan je denkt. Weet je hoe het klinkt wanneer je frontaal op elkaar botst? Helemaal niet zo hard. Het is meer een enge droge klap. Een schok die je nogal misselijk maakt. Glassplinters, overal om je heen.'
Aanzwellend geraas. Licht van de koplampen viel naar binnen. Hij legde aan. (Ging mee in de beweging. Schoot.) Het geraas verdween.
'En dan de regen die spontaan naar binnen valt.'
Nogmaals legde hij aan. Iets raakte iets. Staal op glas, glas op steen. Slipgeluiden. Een aanhoudende claxon weerklonk tot in het verlaten schoolgebouw.
De man ging iets van het raam weg zitten en wiste het water van zijn gezicht.

'Ze werd helemaal nat, weet ik nog,' zei hij. 'Wij beiden. Maar zij, ze leek zo rustig. Alsof ze ervan genoot. Het uitzicht, de regen. En de aandacht die ze kreeg. Iedereen was gestopt om naar haar te komen kijken. Voor ons, achter ons. Ze had ook wel iets van een klein meisje dat achter de ramen naar buiten kijkt naar haar eerste onweersbui. De natte lokken zo voor haar ogen. Handen tot vuisten geklemd. Straaltjes bloed die verdund langs haar gezicht omlaag lekten.'
Hij schroefde het vizier van het geweer af en haalde het wapen uit elkaar. Nadat hij het wapen had opgeborgen, keek hij nog eenmaal het raam uit.
'Het regenfront trekt op,' zei hij toen. 'Jullie hebben spoedig het ergste hier wel gehad. Ik moet ervandoor. Het beste is maar hetzelfde te doen. Als ze u hier vinden, zullen ze u veel willen vragen. Te veel. En waarom? Er valt toch eigenlijk niets te zeggen.'
Hij liep op me toe en voelde even mijn voorhoofd. Hij keek bedenkelijk. Toen streek hij met een hand door mijn haren.
'Dag,' zei hij en hij draaide zich om.

 

Buiten werd nu over en weer geschreeuwd. De stemmen vermengden zich met de regen. Maar alles leek van zo ver weg te komen, van iets dat er niet echt leek te zijn.
Ik verliet het gebouw aan de achterzijde. Wanneer het plastic even opwaaide bij de ramen op de begane grond, kon ik ginds op straat de auto's zien staan. Er stond inmiddels een aardige rij en er liepen mensen heen en weer. Een van de lantaarnpalen stond opmerkelijk scheef.

 

Thuis trof ik niemand aan. Enkele kleine lichtjes brandden. Het was of Natalja even hier geweest was maar weer vlug het pand verlaten had.
Ik liet me op de bank vallen en knipte de tv aan. Het late nieuws volgde, zonder al te veel verrassingen.
In Litouwen gingen hooggeplaatste officieren hun legers af om de manschappen gerust te stellen. Die wachtten al maandenlang aan de grens op een offensief vanuit Rusland. Onder de soldaten heerste een groot voedseltekort.
Intussen trok de extreme regenval in Nederland langzaam naar het midden des lands. Op veel plaatsen traden de rivieren buiten hun oevers. Maar Limburg en grote delen van Noord-Brabant hadden het ergste inmiddels wel gehad.
En de sluipschutter had wederom toegeslagen. Het spoor liep nu Nederland in. In Westende vond twee dagen geleden een gelijksoortig incident plaats. Technische recherche moest eerst uitmaken of het hier om dezelfde dader ging. In een boerenschuur langs de snelweg waren enkele lege hulsen en een stuk aluminiumfolie gevonden, een modus operandi die gelijk was aan de voorafgaande aanslagen. Veehouder Van Neutenbroek vertelde voor de camera hoe onthutst hij en zijn vrouw waren geweest toen ze hoorden dat...
Op dat moment kwam Natalja binnen. Ze had haar mantel in haar hand toen ze de huiskamer in kwam. Haar haren dropen. Ze bleef staan toen ze mij op de bank zag zitten.
'Waar heb je gezeten? Ik maakte me doodongerust. Dat noodweer! Ik kom net van het park af.'
Haar geschreeuw maakte me onzeker. Ik dacht na.

'Ik ging je zoeken, je was weg vanmiddag.'
Ze vernauwde haar ogen tot spleetjes en keek me onderzoekend aan.

'Ik was bij moeder en Klaas,' zei ze toen.
'Je hebt niet in de stad gespeeld?'
'Een tijdje, tot het weer te erg werd. En ik ben naar het park geweest, zonet, kijken of je daar soms was. Wat bezielt je om zomaar tot na middernacht weg te blijven?'
'Ik was bekaf, ik wilde slapen.'
Toen viel er een stilte die me nog ongemakkelijker maakte. Ik keek om me heen. De televisie schitterde in de hoek van de kamer.
'Kijk,' zei ik. 'Luister.'
... alsof de dader doelbewust met de zware regenval meetrekt omdat zo alle mogelijke sporen, samen met het bloed van zijn slachtoffers, ter plaatse worden uitgewist. Over het motief tast de politie nog altijd in het duister. Niet uitgesloten wordt dat het hier om een criminele organisatie gaat die...
'Pffff,' zei Natalja en ze leunde tegen de tafel. 'Jouw land is ook geen haar beter.'
'Nee, alleen minder koud.'
Natalja zweeg en keek me aan. Langzaam wiegde ze heen en weer. En toen die blik weer. Die vergeving, diep vanbinnen. Dat alles weer was zoals het moest zijn. Ze trok haar broek uit en gooide die plagend op mijn schoot. Hij was doorweekt en rook sterk naar regen. Ik wrong hem uit boven het tapijt.
'Hé,' siste ze vermanend maar kroop toen naast me op de bank. 'Zwervertje.'
'Teef.'
Ik pakte haar lekker vast.
'Ik heb hem gezien, weet je,' zei ik.
'Wie?'
Ik maakte een hoofdknik naar de televisie.
'De schutter.'
'Zo?'
'Het was een ongeluk.'
'Een ongeluk.'
Natalja streek door mijn haren.
'Je slipje is nat,' zei ik toen. 'Je bent helemaal nat.'
'Trek het dan uit.'

© Yorgos Dalman