Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel

De open plek

W.A.M.M. Janssen Steenberg

Ik sla de zandweg in. De hond staat een eindje verder, de oren gespitst. Zijn staart gaat traag heen en weer. Tien meter voor hem staat een man met een aks; hij draagt een overall van Staatsbosbeheer. De hond en de man staren elkaar aan, als wachten ze allebei op een teken. Toch gromt de hond niet. Hij is op zijn hoede, maar niet van plan aan te vallen.
Ik lijn hem aan en leg hem af. Hij gehoorzaamt direct, maar verliest de man niet uit het oog. Die ontspant zich enigszins en laat de bijl zakken. Hij veegt langs zijn neus, kijkt me van onder zijn omgedraaide baseballpet schichtig aan en mompelt: 'Het bos moet schoon. Het bos moet schoon.' Hij wijst.
Achter een berg omgehakte jonge dennen is een kleine open plek; ernaast staat een rij dichtgeknoopte vuilniszakken. De man wenkt. Hij loopt om de bomen heen en wijst wederom. Ik kan mijn ogen nauwelijks geloven: het stuk grond erachter is brandschoon. Met een grashark heeft hij zeker tweehonderd vierkante meter grondig bewerkt. Er ligt geen dennenappel, geen takje, geen blad; de open plek ligt erbij als een aangeharkt stadstuintje. Het ruikt naar vochtige aarde. Ik loop naar de zakken en maak er een open; kort geknipte takken, bladeren, stenen.
De hond is onrustig. Ik geef hem vrij. Hij schiet naar de stapel stammen en springt ertegenop. Ik volg zijn blik. Boven op de hoop ligt een viezig linnen tasje. Ik maak het open. Er zitten een paar dode bosmuizen in en een al even dode Vlaamse gaai.
Ik heb geen tijd me te verbazen, want ik word ruw in mijn kraag gegrepen. Bijna verlies ik mijn evenwicht. De houthakker grist het zakje uit mijn hand. Hij kijkt me woedend aan. 'Het bos moet schoon!' Er staan speekselbelletjes in zijn mondhoeken. 'Ja ja, natuurlijk,' zeg ik en in een tegelijk toegeeflijk en afwerend gebaar hef ik mijn handen tot op schouderhoogte. Aarzelend laat hij me los. De hond blaft als een bezetene en rukt aan de lijn die achter een tak is blijven haken. Voorzichtig doe ik een paar passen in zijn richting. Ik maak de lijn los en loop langzaam achteruit. De houthakker maakt geen aanstalten me opnieuw te grijpen. Ik maak me zo snel mogelijk uit de voeten. Ik zucht van opluchting als achter me de holle klappen van een bijl klinken.

Een groene auto van Staatsbosbeheer draait net het parkeerterreintje af. Naast de chauffeur zie ik de houthakker zitten. Hij tikt vriendelijk tegen de klep van zijn pet. Verward kijk ik de pick-up na. De achterklep bungelt omlaag. In de laadbak liggen drie volle plastic zakken, een kromgebogen fietsframe en een autoband. Ik zie dat het glas naast de afvalbak opgeruimd is. Het is windstil. De rillingen lopen me over de rug.

Twee dagen later ben ik opnieuw bij de open plek. Het motregent. De storm buigt de toppen van de dennen, jaagt door de takken met een geluid dat aan een jammerende kleuter doet denken. Mijn regenbroek kraakt bij elke stap. Ik ben nerveus. Misschien komt het door het weer, of door de vreemde ontmoeting van eergisteren die almaar rondspoelt in de trage centrifuge van mijn hersenen.
Een eind voor me staat de hond: zwart, 35 kilo kracht, de achterpoten ietsje uit elkaar, schuin naar achteren; zijn bek een beetje open. Hij houdt zijn kop hoog, zijn oren staan attent. Hij hijgt. Hij kijkt naar me, als altijd vol aandacht. Ik roep. Als een schicht komt hij op me af, zet zich vlak voor me schrap. Hij schudt zijn kop. Een dikke speekseldraad windt zich om zijn snuit.
Ik trek de riem uit mijn jaszak. Ik haal het uiteinde door de leren lus. Ik doe de strop om de nek van de hond en trek hem voorzichtig aan. Ik aai hem over zijn snuit. Hij springt tegen me op, wil mijn gezicht likken. Ik pak het uiteinde van de riem, gooi dat over een tak en trek uit alle macht. Met moeite knoop ik de riem vast. De hond spartelt verschrikkelijk. Zijn penis steekt uit de schacht, puntig. Er komt een snurkend geluid uit zijn keel. Ik voel dat ik het in mijn broek doe. Ook de hond loopt leeg.
Als het voorbij is, wandel ik verder, een beetje wijdbeens. De stemmen in de bomen zijn er nog steeds. Ze blijven maar herhalen: 'Het bos moet schoon, het bos moet schoon,' lispelend, zeurend.

© W.A.M.M. Janssen Steenberg