


|  |
Debuteren I Literaire headhunters?
Ann Demeester
Uitgevers en debutanten. Af en toe doen weer eens wilde geruchten de ronde over beloftevolle jonge schrijvers die onder de ogen van hulpeloze Vlaamse uitgevers worden weggekaapt door scouts die voor de grote Nederlandse uitgeversconcerns werken. De weinige vissen die nog in de Vlaamse literaire kweekvijvers zitten, zouden door listige talenthunters, die voor hun diensten vette premies opstrijken, over de grens naar de Amsterdamse grachtengordel worden gelokt, met het lokaas van een vlottere distributie, betere begeleiding, hogere oplagen, meer prestige en meer geld.
Indianenverhalen die alleen goed zijn voor luie journalisten met kopijnood en een vertekend beeld van de Vlaamse werkelijkheid geven. De Nederlanden zijn Amerika niet. Daar is uitgeven big business. Uitgevers sluiten via go-betweens en literaire impresario's miljoenencontracten af met auteurs van bestsellers. Literaire headhunters als Andrew Wylie, alias The Jackall, worden royaal betaald om schrijvers bij de concurrent weg te kopen.
Hier loopt het lang niet zo'n vaart. Omdat de literaire markt klein is, de oplage beperkt is en de verdiensten gering zijn, heeft het Angelsaksische model in onze contreien nog geen ingang gevonden. Scoutingbureaus en agentschappen die direct auteurs vertegenwoordigen bij een uitgever, zijn een betrekkelijk nieuw verschijnsel in Nederland: Alice Toledo en Villa des Roses zijn zowat de enige bedrijven die daarmee bezig zijn. In Vlaanderen is dat fenomeen zo goed als onbestaand. De professionele 'literaire premiejager' is een fabeldier, wel zijn er in Vlaanderen een aantal 'betaalde adviseurs' actief die uitgeverijen bijstaan in hun zoektocht naar nieuwe namen en gezichten. Wie zijn zij, wat doen ze precies, hoe belangrijk is het 'veldwerk' dat zij verrichten?
Hoe werven literaire uitgeverijen debutanten? Redacteurs hebben op hun werktafel gigantische slushpiles liggen, stapels manuscripten die hen ongevraagd zijn toegezonden door aspirant-auteurs of die hen door bevriende schrijvers bezorgd zijn. Via tips van medewerkers en kennissen die actief zijn in het literaire veld, komen zij beginnende schrijvers op het spoor. Literaire tijdschriften, al dan niet gelieerd aan het eigen huis, worden uitgeplozen op zoek naar exponenten van de nieuwe literaire Jeunesse Dorée en occasioneel wordt er om dezelfde reden een verhalenwedstrijd georganiseerd. Eventueel wordt een journalist met een vlotte pen aangemaand om het ook eens met fictie te proberen. Mogelijkheden zat zou je dus denken. Over het nut van het inschakelen van 'informanten' die in opdracht en tegen betaling aan prospectie doen, zijn de meningen dan ook verdeeld.
Vlaamse uitgevers zien over het algemeen weinig heil in het tewerkstellen van een scout. Ze vertrouwen op de reguliere methodes en stoppen relatief weinig tijd, energie en geld in het actief zoeken naar talent.
EPO, die zich vooral concentreert op non-fictie en literatuur vaak in coëditie met het Nederlandse De Geus brengt, moet het vooral hebben van schrijfopdrachten, aldus redacteur Jos Hennes. Spontane inzendingen, gemiddeld twee per dag, zorgen sporadisch voor een debuut en een persoonlijk gesprek op de Boekenbeurs kan ook al eens vruchten afwerpen, getuige de publicatie van Wim Geysens roman Lek.
Bij Manteau, de literaire imprint van Standaard-uitgeverij, wordt al drie jaar hard gewerkt aan een debutantenprogramma, zo meldt redacteur Dirk Demuynck. Dat betekent in eerste instantie dat er meer aandacht wordt besteed aan het publiceren van 'eerstelingen' en dat prille auteurs op een degelijke manier gecoacht en begeleid worden maar van een echte queeste naar jong literair geweld is nog weinig te merken. 'Het komt zoals het zich aandient,' meent Demuynck.
Bij Houtekiet/Hadewijch is Leo de Haes formeel: 'Wij zijn onze eigen scouts, hebben allemaal onze antennes. Natuurlijk krijgen we suggesties van bevriende journalisten en auteurs maar dat gebeurt niet op een gestructureerde manier, veel hangt van het toeval af.'
Nederlandse uitgevers zitten een stuk verder van de bron en kunnen minder vertrouwen op 'de eigen antennes' als het om het detecteren van nieuw talent gaat. Grote huizen hebben doorgaans wel een vestiging of distributiecentrum alhier maar een Vlaams redactieteam zit er niet in. Alleen al door de geografische afstand hebben zij minder voeling met wat er 'leeft en bougeert' bij de Belgische buren. Een raadsman of tipgever die resideert in Vlaanderen, die de markt er grondig scant en op tijd en stond adviezen en aanbevelingen verstrekt, kan uitkomst bieden.
Soms wordt over het inschakelen van zo'n 'antenne' geheimzinnig gedaan alsof dat een ongeoorloofde praktijk zou zijn. Bij Prometheus, die grote kanonnen als Lanoye en Brusselmans in het fonds heeft, houden de redacteurs de lippen stevig op elkaar en wordt elke vraag afgeketst met een krachtig: 'Dat behoort tot de interne keuken.'
Hans Enters van Atlas, dat ressorteert onder uitgeverij Contact, laat vallen dat Benno Barnard 'onze poëzieman voor Vlaanderen is', maar de Nederlands-Antwerpse dichter nuanceert dat en wijst erop 'dat hij wel eens iets doorstuurt naar Atlas maar dat het volstrekte onzin is om te beweren dat hij daarvoor royaal betaald wordt'. Geert van Istendael, soms ook getipt als literair undercover-agent voor Atlas, bevestigt dat verhaal: 'Als auteur heb je er belang bij om deel uit te maken van een goed fonds, en als je dat fonds kunt aanvullen met een aantal nieuwe, waardevolle krachten, dan laat je die kans niet liggen. Als mijn oog toevallig ergens op rust, dan meld ik dat uiteraard aan mijn uitgever maar dat gebeurt niet systematisch en al helemaal niet tegen betaling.' Gratis dienstverlening dus bij Atlas, maar lang niet alle Nederlandse uitgeverijen vertrouwen louter op dat soort kosteloze service.
In elk geval drie Nederlandse uitgevers werken op een of andere manier structureel met het systeem van een vaste Vlaamse scout: De Bezige Bij, Meulenhoff en De Arbeiderspers. Fondsredacteur Tomas Vanheste van De Bezige Bij bevestigt dat ze wel degelijk 'een contactpersoon in Vlaanderen hebben die een beetje oplet en ons tegen betaling op de hoogte houdt van wat er zoal gebeurt'. Dat blijkt Sigrid Bousset te zijn, in het dagelijkse leven dramaturge, maar ook de dochter van Hugo Bousset, hoofdredacteur van het ook door de Bij uitgegeven tijdschrift Dietsche Warande & Belfort. 'Overigens is dat werken met een contactpersoon die betaald wordt, niet iets waarvoor we ons schamen,' merkt Vanheste nog op.
Dezelfde mening bij Meulenhoff. De uitgeverij werkt 'al jaren' met een internationaal netwerk van lokale talentenjagers, niet alleen in Vlaanderen, maar ook in de rest van Europa tot in de VS toe. Voor Vlaanderen was tot voor kort de flamboyante Jan Haerinck actief, nu is het Marianne de Baere, redactrice bij De Morgen. 'Het lijkt misschien alsof dat voor Vlaanderen, omdat het zo'n klein grondgebied is, niet nodig is,' zegt redacteur Will Hanssen, die zelf de contacten met de Vlaamse auteurs onderhoudt. 'Ik probeer de ontwikkelingen zo goed mogelijk bij te houden door alle Belgische kranten en tijdschriften te lezen maar het is zo'n gigantische mer à boire dat het inschakelen van een scout echt wel aanbevelenswaardig is. Vanuit Amsterdam is het misschien maar een dikke twee uur rijden naar Antwerpen maar de afstand maakt het toch moeilijk om een goed zicht te krijgen op het literaire klimaat in Vlaanderen.'
Bij de Arbeiderspers hebben ze dat ruim een jaar geleden ook ondervonden. Tot in 1991 - voor 'de scheiding' met AP-redacteur Emile Brugman die toen begon met Atlas - werd voornamelijk een beroep gedaan op de Belgische auteurs uit het eigen fonds. De anciens werden aangemaand om 'op hun qui-vive' te zijn en tijdig jong Vlaams talent te signaleren. Toen een heel contingent Vlamingen, in het kielzog van Brugman, naar Atlas trok, werd een nieuwe strategie uitgedokterd. 'We zitten nogal ver van het vuur en daarom hebben we vorig jaar een bekwaam iemand gevraagd om het terrein ter plekke te verkennen,' verduidelijkt directeur Ronald Dietz. Een tijd was dat journalist Bart Vanegeren, maar die staakte zijn scouting-activiteiten toen hij een voltijdse job aangeboden kreeg bij Humo. Uit angst voor beschuldigingen van partijdigheid? 'Niet echt,' zegt Vanegeren, 'maar het ruikt toch naar belangenvermenging als je iemand ontdekt en hem of haar dan ook nog eens gaat pushen in je eigen blad.'
Marianne de Baere, coördinatrice van De Bijsluiter van De Morgen en sinds enkele maanden snuffelaar voor Meulenhoff, is een andere mening toegedaan. In februari publiceerde ze in haar bijlage een voorpublicatie uit de roman Marcel van debutant Erwin Mortier, uitgegeven bij Meulenhoff. 'Ik weet dat ik me hiermee op glibberig terrein begeef,' zegt De Baere die naar eigen zeggen ook alle manuscripten die aangeboden worden bij Kritak doorneemt, 'maar ik vond het werk van Mortier gewoon bijzonder goed en zou het ook gepubliceerd hebben als hij een contract met De Bezige Bij had. Ik weet van mezelf dat ik objectief kan oordelen en een strikte scheiding kan maken tussen wat ik voor Meulenhoff doe en mijn job bij de krant.' Geen onverenigbaarheid dus voor De Baere die verder helpt met de voorbereidingen van boeken van enkele journalisten zoals Marijke Libert en Max Borka van De Morgen en Gerrit Six.
Het 'ontslag' van Vanegeren als scout voor De Arbeiderspers impliceert dat er bij AP een vacature openstaat. 'We willen de leegte opvullen,' zegt Dietz, 'scout zijn is natuurlijk maar een bijbaantje maar het kan op termijn wel uitgroeien tot een redacteurschap met bilocatie in Amsterdam en Antwerpen.'
Nu is het nog zo dat scouting lang niet fulltime gebeurt. Deze (overigens weinig lucratieve) bijverdienste dient gecombineerd te worden met andere beroepsbezigheden. In tegenstelling tot de redacteurs, die een hele reeks taken, gaande van selectie en revisie tot promotie en nazorg, op zich nemen, beperken de literaire watchers zich tot het 'observeren van het literaire landschap'.
'Talenthunting is een groot woord. Meer dan een verkapte hobby kun je het niet noemen,' zegt Jan Denolf die momenteel hoofdredacteur is bij uitgeverij Ludion en in het verleden actief aan 'creatieve fondsvorming' heeft gedaan voor Houtekiet, Kritak, Van Halewyck en diverse Nederlands uitgeverijen. Volgens Denolf, die in 1994 met Manu Claeys de debutantenbundel Jonge Sla samenstelde, heeft het 'ontdekken' van interessante auteurs in spe minder te maken met actief zoeken naar onuitgegeven meesterwerken dan met het bekijken van allerhande tijdschriften (van DWB tot Andere Sinema) en met het uitbouwen van een netwerk van relaties en contacten. Sigrid Bousset, die regelmatig auteurs aanbrengt bij de Bezige Bij, bevestigt dat: 'Ik lees de manuscripten die ik zo af en toe in de bus krijg en ik volg de tijdschriften op de voet maar het scouten speelt zich toch grotendeels buitenshuis af. Je spitst de oren tijdens gesprekken op recepties en literaire bijeenkomsten. Je praat met mensen uit je omgeving, bespreekt waar ze mee bezig zijn, polst of ze nog een ongepubliceerd verhaal in de la liggen hebben.'
Ook over de verdiensten (een fikse premie per aangebracht auteur?) blijken nogal wat misverstanden te bestaan. Veel is er niet mee te verdienen. 'Er zijn verschillende mogelijkheden,' verduidelijkt Bart Vanegeren. 'Ikzelf opteerde voor een maandelijkse vergoeding maar ik vermoed dat sommigen genoegen nemen met een onkostenvergoeding en dat het ook mogelijk is om te werken op commissie.'
Dat er weinig financiële voordelen mee gemoeid zijn, verklaart misschien waarom er van een bikkelharde concurrentiestrijd tussen de rivaliserende scouts al evenmin sprake is. 'Het blijft natuurlijk een beetje een race tegen de klok,' zegt Bousset. 'Je moet continu alert blijven en vliegensvlug reageren als iemand met een uitgesproken talent in een tijdschrift debuteert, want uitgevers springen daar onmiddellijk op.'
Scouts hebben dus voornamelijk een signaalfunctie en fungeren vooral als 'aangeefluik'. De scout stelt maandelijks of driemaandelijks een schriftelijk verslag op waarin de Nederlandse opdrachtgever attent gemaakt wordt op schrijvers met potentieel, met de bijbehorende adressen en telefoonnummers. Die bevindingen worden na langere tijd in een persoonlijk gesprek met de redactie toegelicht. Eventueel woont de detaché ook een aantal redactievergaderingen bij en onderhoudt hij of zij intensief contact met het moederbedrijf via e-mail. Als een van de 'getipte' auteurs een contract tekent met de uitgeverij, heeft de talentenjager weinig tot geen inspraak in het verdere verloop van het publicatieproces en zijn uiteindelijke impact op het uitgavebeleid is dan ook beperkt.
Dat is een van de vele redenen waarom Hans Vandevoorde, ex-redacteur van Kritak, sceptisch is over het systeem dat door De Arbeiderspers, De Bezige Bij en Meulenhoff wordt gehanteerd. Het contact tussen scout en uitgever is volgens Vandevoorde niet intensief genoeg, beiden werken op eigen terrein en van een echte wisselwerking is geen sprake. 'Alle scouts vissen bovendien in hetzelfde vijvertje,' weet Vandevoorde. 'Ze volgen de publicaties in tijdschriften en het doen en laten van de winnaars van verhalenwedstrijden op de voet, ze doen ook een beroep op een uitgebreide kennissenkring maar hun grote handicap is dat zij niet over een bestand van spontaan ingestuurde manuscripten beschikken. Natuurlijk zit daar ontzettend veel rommel tussen maar het gebeurt nog steeds dat een redacteur uit die hoop rotzooi een kwalitatief hoogstaande, kant-en-klare roman plukt. Te veel mensen onderschatten de brievenbusfunctie van een uitgeverij.' Vandevoorde, die in het verleden werkte bij Kritak en Manteau, toen beide uitgeverijen nog rechtstreeks ressorteerden onder Meulenhoff, meent dat er alternatieve en meer rendabele werkwijzen zijn: 'Om een optimale wisselwerking tussen Noord en Zuid te garanderen, moet je ervoor zorgen dat er een volwaardig tussenpersoon is die bemiddelt. Het oprichten van een Vlaams bijhuis met een redacteur die voltijds of halftijds in dienst is van de Nederlandse uitgeverij, lijkt mij in dit geval de ideale oplossing.' Daaraan zijn volgens Vandevoorde een pak voordelen verbonden. De redacteur in kwestie is vertrouwd met de gevoeligheden van zijn Nederlandse werkgever, hij weet wat de vereisten zijn en kent het redactionele beleid door en door. Doordat hij vaste voet aan de grond heeft in Vlaanderen, kan hij zijn Nederlandse collega's bovendien inlichten over de specificiteiten van de Vlaamse boekenmarkt en zo vermijden dat de uitgevers onwetend blijven over de manier waarop het literaire veld in Vlaanderen gestructureerd is. Mooi meegenomen is het feit dat de redacteur als vertegenwoordiger of afgevaardigde van het Nederlandse moederbedrijf als praatpaal kan fungeren voor de Vlaamse auteurs, hij is immers direct aanspreekbaar.
Bij Nijgh en Van Ditmar wordt het door Vandevoorde aangestipte model al enkele jaren toegepast. De Nederlandse uitgeverij heeft een pendant in Antwerpen, die bemand wordt door polyvalent redacteur Harold Polis. Begin jaren negentig werd de Antwerpse uitgeverij Dedalus opgeslorpt door Singel 262, een conglomeraat van uitgeverijen waartoe ook Nijgh en Van Ditmar behoort. De keuze voor een filiaal en een eenmansredactie in de Scheldestad was dan ook een logische stap. Polis opereert vanuit Antwerpen maar werkt in nauw overleg met zijn Amsterdamse werkgever. Eenmaal in de twee weken trekt hij naar Amsterdam voor een redactievergadering. Polis, tevens redacteur van het literaire tijdschrift Sampel, heeft zijn eigen manier om debutanten op te sporen: 'Als je vertrouwd bent met het literaire milieu, verloopt dat bijna vanzelf,' zegt hij. 'Het systeem van scouts is volgens mij dan ook verre van efficiënt. Er zitten te veel tussenstappen in het proces, zoveel overgangsfases dat je door de bomen het bos niet meer ziet. Een goede uitgever moet kunnen vertrouwen op zijn eigen oordeel en doet voor het zoeken van talent een beroep op een uitgebreid netwerk van kennissen en contacten.'
Een carrière als literaire speurneus voor een uitgeverij, lijkt dus weinig toekomstgericht. Het mag dan al weinig bemoedigend klinken voor de beginnende schrijver die al jarenlang tevergeefs met zijn manuscript bij uitgeverijen leurt, maar de communis opinio is dat iemand die iets in zijn mars heeft, wel aan de bak zal komen. De literaire wereld is een microkosmos, en wie een spoor van talent vertoont, wordt wel opgemerkt. Met vriendjespolitiek of een ons-kent-ons-voorkeursbehandeling heeft dat niets te maken, zo wordt almaar beweerd: talent is als olie, het komt altijd bovendrijven.
|
|