


|  |
Op reis in Noord-Cyprus
Een klooster aan het einde van de wereld
Maryse Vincken
Toeristen vormen in dit land vaak huiselijke clubjes. Op een donderdagochtend komt gids Gérard me met een minibusje bij het hotel afhalen. Samen met drie Engelse echtparen op leeftijd zullen we dwars door het Karpasschiereiland naar het klooster van Ayios Andreas rijden. 'To the very end of the island,' zegt Gérard met een licht Frans accent.
Het eerste half uur slingert het busje zich over de onherbergzame, wat spookachtige Beshparmakheuvels waaraan geen enkele Cypriotische beschaving een menselijk gezicht kon geven. De schraalheid van het landschap wordt nog geaccentueerd door de kale plekken op de flanken. De pijnbossen hebben zich nog niet hersteld van de brand van twee jaar geleden. Tussen de heuvelrij en Famagusta liggen verspreide dorpen, die bewoond lijken door uitgedunde, oud geworden families. De aanblik van die dorpskernen is nauwelijks een verademing. In de straten is er haast geen beweging. De stilte lijkt op een bang ontwaken van een land waar de oorlog net gedaan is. Vlak voor de havenstad Famagusta buigt de weg af naar het noorden. Vandaag is er geen tijd om de stad aan te doen maar daar ben ik niet rouwig om. Misschien is het beter om sommige plekken aan de verbeelding over te laten. Famagusta is in mijn geest een Shakespeariaans theaterdecor waar zich gruwelijke heldendaden afspelen. En dan denk ik niet in de eerste plaats aan Othello, de moor van Venetië die in de 16de eeuw luitenant-gouverneur van het eiland was. De acteurs van mijn verbeelding komen uit Constantinopel. Nadat Sultan Selim II omstreeks 1571 een bezitterig oog op Cyprus had laten vallen, stuurde hij 220 schepen, waarvan 160 galeiboten, naar Cyprus. De legende wil dat Selim-de-dronkaard zich bijzonder verheugde op het beheren van de Cypriotische wijn- en likeur-productie... Maar de feestroes bleef beperkt tot het sultanaat aan de Bosporus. Toen voor de kust van Famagusta vijftigduizend Otto-maanse soldaten in de pan gehakt werden, zinden de aanvallers op wraak. Bij de val van het Venetiaanse bolwerk - na een belegering van maar liefst tien maanden - werd sterke man Marco Antonio Bragadino letterlijk het vel afgestroopt. Zijn met stro opgevulde huid werd opgehangen aan de mast van een schip dat koers zette naar Constantinopel. Daar aangekomen werd de macabere pop tentoon-gesteld in een gevangenis waar christenen en slaven opgesloten zaten. Twee decennia later kochten zijn broer en zonen het lijk op en be-zorgden het een rustplaats in de Johannes-en-Pauluskerk in Venetië.
Vijfentwintig kilometer verder, in de bocht van de Karpas, ligt Boaz, een miniatuurhaventje met enkele kabouterbootjes. Op het enige zeeterras zijn wij de enige gasten. Terwijl Gérard de bestelling opneemt, schuiven we allemaal aan dezelfde tafel aan. Zo lijken we de ruimte toch een beetje op te vullen. Hoe het sociale rollenspel zich die dag zal afspelen, is nu al duidelijk. De grote, stoere Brit en zijn vriendelijke, praatgrage vrouw profileren zich als verhalenvertellers en de rest van het gezelschap maakt af en toe een kanttekening. Voor het onderhoudende echtpaar is deze Cyprusreis een terugkeer in de tijd. In de roerige jaren vijftig woonden ze op een Britse basis, zij dichter bij de vrede, hij met beide voeten in de oorlog. Ze voeren een merkwaardige dialoog, eigenlijk zijn het twee monologen die sporadisch in elkaar overvloeien. Haar herinneringen gaan over de buren, over hun huis dat door een aardbeving meters naar beneden zakte, over de slechte toestand van de wegen, over de winkelier die haar Grieks leerde praten. Als haar man ons de snit van de traditionele pofbroek wil uitleggen, corrigeert ze hem: 'Vraka heet dat kledingstuk, ik weet het nog heel goed.' Zijn commentaar klinkt heroïscher, verder weg van een herkenbare realiteit. Hij praat voor zich uit, minder tegen ons dan tegen zichzelf, alsof hij al lang niet meer verwacht dat hij deze ervaringen met buitenstaanders kan delen. Hij weidt niet uit, somt enkel de feiten uit de militaire annalen op. De rest blijft hangen in zijn blik. Zijn regiment 'begeleidde' Makarios, de aartsbisschop en geestelijke leider van de Grieks-Cypriotische opstand tegen de Britse kolonisten, naar de luchthaven op de dag van zijn verbanning naar de Seychellen. Hij laat het klinken als een beslissing waarmee hij geen moeite had. Over de zoekacties in de bergen laat hij alleen los dat ze Grivas, de militaire voorman van het verzet, ooit op een haar na te pakken hadden.
'Er is weinig veranderd,' mijmert zijn vrouw hardop. 'Zelfs de bussen zien er nog net zoals vroeger uit.'
Hij neemt zijn verrekijker van de tafel en loopt ermee naar de zee. Voor hem is alles veranderd.
Na Boaz begint de bus te hobbelen. Lezen lukt niet meer. Buiten gaan de dorpen steeds verder uit elkaar liggen. Het decor wordt leger en levenlozer, hier en daar onderbroken door een roerloze baai waar je net niet treurig van wordt. Vòòr '74, het jaar van de Turkse militaire overrompeling, bloeide in deze streek de tabaksindustrie. Geraamtes van fabriekjes en opslagplaatsen liggen als aftandse getuigen tegen de horizon. De Anatolische kolonisten, die sindsdien de plaats van de Grieken innemen, hebben geen affiniteit met die teelt en houden zich op een nauwelijks voorstelbare manier in leven. Als je naar dit landschap kijkt, krijg je een onlesbare dorst. 'In de zestiende eeuw vloeide hier de laatste rivier,' zegt Gérard. 'Zelfs voor perziken is dit klimaat te droog. Die worden ingevoerd uit Turkije.'
Bij de ruïnes van de Byzantijnse basiliek in Sipahi houden we opnieuw halt. Zoals menig ander Byzantijns bouwwerk werd dit godshuis in de 7de eeuw v.C. vernield door de invallen van de Arabieren. Wat er na de rooftochten overbleef, werd door aardbevingen verder met de grond gelijk gemaakt. Alleen de vloermozaïeken en enkele afgestompte pilaren doorstonden het geweld van de geschiedenis. Maar ook die laatste resten dreigen te verdwijnen. Cultureel erfgoed wordt in Noord-Cyprus stiefmoe-derlijk behandeld. Er is weinig geld in kas en er kan, omwille van de politieke en economische boycot, geen beroep gedaan worden op internationale donors zoals de Unesco of de EU. In dit openluchtmuseum tikt niemand de bezoekers op de vingers als ze oneerbiedig over de mozaïeken wandelen of stiekem een steentje meenemen. Een sjofel gekleed boerenkind komt op Gérard toegelopen. De ruïnes staan één keer per week op het programma van onze gids en als het kind in de buurt is, houdt ze hem even gezelschap. Ze trekt haar schoentjes uit en begint een hinkelspel tussen de gebarsten vloertekeningen. Gérard gaat er zorgelijk bij kijken. 'Het eerste dat er zou moeten gebeuren, is de aanleg van een dak,' zegt hij terwijl we naar de bus teruglopen. 'Wind en regen zijn grotere vijanden dan de toeristen.'
Wie de vijanden van de Noord-Cypriotische kunstschatten zijn, vertelt Gérard zijn gevolg niet. In de periode die volgde op de Turkse bezetting werden de Grieks-orthodoxe kerken en kloosters leeggeplunderd. Sindsdien proberen kunst-versjacheraars de geroofde stukken op de internationale markt te slijten. Het lijkt aannemelijk dat die omvangrijke buit Noord-Cyprus niet kon verlaten zonder de medeplichtigheid van de overheid. Al die tijd probeerden Zuid-Cyprioten en Grieken de helers op het spoor te komen. In 1983 ontdekte een Londense kunsthandelaar van Griekse herkomst bij een Turkse 'collega' in München - een zekere Dikmen - een aantal mozaïeken die geroofd werden uit de Kanakariakerk... een godshuis op een boogscheut van Sipahi. Experten kochten de mooiste exemplaren op en gaven ze aan de Griekse Cyprioten terug. De politie werd niet ingeschakeld. Bij diezelfde Dikmen kocht een galerijhoudster uit Indiana in de VS, enkele jaren later, een mozaïek met de beeltenis van de aartsengel Michaël. Als ze hem voor twintig miljoen dollar wil doorverkopen aan het Californische Getty-museum, komt de herkomst van de mozaïek aan het licht. Ook de aartsengel hoort thuis in de Kanakariakerk. De galerijhoudster wordt van rechtswege verplicht de kerkschat aan de Grieks-Cypriotische regering terug te geven. Dikmen blijft voorlopig buiten schot. Toch begint het net zich stilaan om hem te sluiten. Hij krijgt last met de Duitse fiscus en wordt in '94 tot twee jaar effectieve gevangenisstraf veroordeeld. Intussen zit hem nog iemand op de hielen. Tasoulla Hadjitoffi, de Grieks-Cypriotische Ereconsul in Den Haag en oorlogsvluchteling uit Famagusta, verzamelt met veel geduld en volharding bewijsmateriaal dat Dikmen voorgoed de strop zal omdoen.
Op het ogenblik van onze wandeling in Sipahi bereidt de politie van München een inval voor in het huis van de Turkse heler. Binnen enkele weken zal ze beslag leggen op fresco's, heiligenbeelden en madonna's ter waarde van maar liefst anderhalf miljard frank. Er zal blijken dat de schatten afkomstig zijn uit, alweer, Kanakaria en het bergklooster Antifonitis. Op Dikmens zolder ligt onder meer een Byzantijnse mozaïek uit de zesde eeuw die de apostel Thomas voorstelt, een koopje van zo'n driehonderd miljoen frank. Alleen in de drugs- en wapenhandel kan meer geld verdiend worden... Apostel Thomas en de rest van de sacrale familie zullen binnenkort terug naar huis kunnen maar Nicosia wacht niet alleen op de heiligen, ook op de uitlevering van duivel Dikmen. En zelfs de allerbeste advocaat zal zijn ziel niet kunnen witwassen.
Onze volgende stop heet Dipkarpaz, de grootste woonkern van de Karpas met zo'n honderdvijftig Griekse enclaved, achtergebleven plattelanders die ervoor gekozen hebben om tweederangsburgers in het Noorden te zijn, liever dan hun grond achter te laten. Aan de ene kant van de weg staan de huizen van de Grieken, aan de andere kant die van de Turken. De Griekse school is gesloten maar de orthodoxe kerk doet dienst. Aan het eind van een helling ligt het meest opvallende gebouw van het hele schiereiland. Het hoort helemaal niet thuis in het Karpasplaatje. Zijn blinkende, extravagante rijkdom is aanstootgevend. De moskee van Dipkarpaz werd dan ook niet gebouwd door de Cyprioten maar door de Saoedi's. Ik vraag me af of de boeren er gelukkig mee zijn. Met zo'n geschenk moeten ze zich nog armer voelen dan ze al zijn. Toch is er één plek in dit dorp waar zowel de Grieken als de Turken zich zeker goed voelen: het café van Andreas. Eén van de trouwste stamgasten is... Papa Zacharias, de melancholieke priester die ik aan de andere kant van de green line bij het Rode Kruis ontmoet heb. 'Als hij niet in de kerk zit, vind je hem in het café,' zegt Gérard wat oneerbiedig.
In een huis zonder uithangbord worden we verwacht voor de lunch. Net zoals in het zeecafé van Boaz is Gérard hier kind aan huis. Terwijl wij van de onvermijdelijke mezze en scharrelkip genieten, gaat hij bij de familie in de keuken zitten palaveren. De chauffeur eet met ons mee. Tussen de gangen door ontplooit de Britse soldaat zo nu en dan een idee. Omdat ik aan het andere uiteinde van de tafel zit, vang ik enkel flarden op. 'Weet je dat ik op de laatste trein zat die op Cyprus gereden heeft?' vraagt hij iets luider aan zijn buurman. In de Britse tijd liep er één spoorlijn van Famagusta over Nicosia naar Paphos. Die moest het koper van de mijnen naar de haven brengen. Voor zijn vrouw lijken de verhalen niets nieuws meer te bieden. Ze heeft een onderonsje met een andere Britse over gezondheid en de beenoperaties die ze achter de rug heeft. Na het oplossen van de verwarring over het opdienen van een kop Nescafé - voor de Fransen altijd zonder melk, voor de Belgen soms met melk en hoe zit het met de Britten? - gaat het gezelschap weer de bus in.
We rijden nu door het laatste stuk van de 'staart' van Cyprus, door een decor dat zich van ons afkeert, zonder mensen, zonder één enkel huis, zonder dieren. Een lege, vervallen schaapskooi zegt ons dat hier ooit leven was. De smalle, hobbelige weg hoeven we met niemand te delen. Net als je de hoop opgeeft nog een stuk bewoonde wereld te vinden, gaan de heuvels uit elkaar, vouwt het landschap zich open en komt 'Ayios Andreas' als een godswonder tevoorschijn. Vanop afstand ziet het er bleek en idyllisch uit met een devote stilte om zich heen. Nederig klein kijkt het uit over een zee zonder boten, een blauwe einder die 's winters, als de besneeuwde toppen van de Syrische bergen voorzichtig in zicht komen, wat witte vlekken vertoont. Op hoogtijdagen woonden in dit klooster zo'n vijftig monniken, een gemeenschap die in '74 geslonken was tot een tiental geestelijken. Allemaal zijn ze gevlucht. Sindsdien ligt de zorg om één van de meest heilige plekken van orthodox Cyprus in de handen van Papa Zacharias, die er wekelijks een mis leest. Daarbij zijn alle achtergebleven Grieken aanwezig. Alleen wie doodziek is of de afgelopen week overleden, komt niet opdagen.
'Vermolmd' is het etiket dat je op 'Ayios Andreas' plakt zodra je dichterbij komt. De gewelfde muren vertonen barsten en lijden onder de afgebladderde verflagen. De houten gaanderij werd weggevreten door de tijd en de zoute zeewind. Uit de ramen van de verlaten cellen is het glas verdwenen. Maar de natuur is niet de eerste schuldige. Ook op dit sacrale terrein wordt de burenruzie tussen Grieken en Turken uitgevochten. De Noord-Cyprioten willen niet investeren in de kerk van de vijand en Denktash weigert toestemming te geven aan het Zuid-Cypriotische aartsbisdom om de financiering op zich te nemen.
Als vader Zacharias er niet is, passen twee kromgegroeide vrouwen op het klooster. Schuifelend in het zog van enkele zwarte katten, tonen de even zwart geklede dametjes ons de weg naar bijna net zo donkere krochten waar kerkschatten of wassen voorwerpen te zien zijn. In het licht van kaarsen staan de wassen tanden, knieën en popjes er wat hallucinant bij. Gelovigen hebben ze hier achtergelaten als symbool voor de pijn of het leed waarvoor ze de hulp van de heilige Andreas nodig hadden. Maar de pelgrims komen niet alleen voor hun knutselwerk. De krachten van hun beschermheer zijn ook aanwezig in het water van de bron. Volgens de overlevering kwam Andreas, toen hij nog een gewone sterveling was, hier aan wal omdat er geen water meer was aan boord van zijn schip. Hij vond de bron, nam een voorraad water mee en gaf de blinde bootsman te drinken. Voor wie het wil geloven, ging de bootsman zien en stichtte Andreas dit klooster uit dankbaarheid aan de Heer. Voor heel wat eilanders is dat een onwrikbare waarheid. Dat blijkt uit de rij gegadigden die in het Zuiden staat te wachten op de toestemming om de grens over te steken. Na lange tijd waren er afgelopen jaar - met Kerstmis en op 15 augustus - weer pelgrims op bezoek. Buiten, bij de stromende bron, houdt de vrouw van de soldaat-op-rust haar zere been onder de waterstraal. 'Je weet maar nooit, misschien helpt het wel,' lacht ze. Haar man staat een eindje verder met zijn verrekijker de zee te bespieden. 'Wij kwamen vroeger naar de Karpas om uit te rusten, en altijd maar voor één dag,' zegt hij even later. Zijn close-ups lijken nog steeds niet op de onze. Ook Gérard droomt hardop. 'Ik wil hier niet meer weg,' vertrouwt hij ons toe. 'Ik mis Frankrijk helemaal niet. Als ik zo nu en dan terugga, is dat enkel om mijn dochter te zien. De mensen hier maken zich nooit boos... Kun je je dat voorstellen? Alleen dit begrijp ik niet...' Hij wijst naar het graf van een monnik waarvan het gedenkplaatje door een kogel doorboord werd. 'Waarom laten ze elkaars doden niet met rust?'
Terwijl het Britse clubje zich opmaakt voor een zwempartij in de maagdelijke baai, loop ik nog even langs een hoekkamertje waarvan de deur openstaat. Binnen zit een man die mijn groet niet beantwoordt. Hij draagt een Noord-Cypriotisch uniform. Dit is de permanente politiepost waarover mijn vriendin Sevgül vertelde. Zou de heilige Andreas zijn volgelingen kunnen aanzetten tot subversieve actie?
|
|