


|  |
Ook zot zijn doet zeer
Julia Peraldi
Marcel ziet ze vliegen, zeiden de mensen.
De ellende was dat Marcel ze ook werkelijk zag vliegen en daar horendol van werd.
Hij hield van effen blauwe luchten, zodat hij eindeloos kon kijken. Maar de lucht hing steeds vol dreiging, wolken, vogels en vliegen. Marcel pakte dan het geweer en schoot op alles wat vloog. René was nooit veilig in zijn buurt.
Toen Marcel merkte dat het gekkenwerk was Z er waren steeds weer andere vuiltjes aan de lucht Z gaf hij zich over aan de chaos. Zo leerde hij alles vliegen om het daarna uit de lucht te kunnen plukken: kippen, stoelen, schilderijen en paardenvijgen.
Toen ze hem in het gesticht wilden steken, heeft hij zichzelf van het dak geschoten.
Maar Marcel was niet de enige afwijking in de familie.
Er wordt beweerd dat de gekte begon toen Jim onder zijn stand en zijn verstand trouwde en zo de stamboom naar de knoppen hielp. Jim was eens zelf een boom van een vent, rijzig als een populier, maar afstandelijk als water.
Hij woonde in een hoog huis, kilometers verwijderd van de bewoonde wereld. Als hij thuis was, keek hij door de ramen en leven deed hij buiten op zijn hectarengroot goed waar hij bomen kweekte en verhandelde.
Vrouwen interesseerden hem niet sinds zijn moeder hem opzij had geschoven en zusjes had hij nooit gehad.
Wat heeft hem dan bezeten om op zijn vijfendertigste op een zomeravond de bloemen zover buiten te zetten dat hij geen geur of kleur meer kon onderscheiden?
Drift? Doodsdrift of levensdrift?
Of heeft hij zich willen wreken op zijn moeder en het mensdom en zichzelf erbij gelapt?
Want hij was wel ver van huis toen hij Zoë, die zowel fysiek als geestelijk maar zozo was en daarbij nog zuur keek ook, mee naar huis bracht. Zwanger van Marcel, die ze zag vliegen, en later van René, die zelf vloog. Waardoor ze nog verder van huis waren, want René vervreemdde al vroeg van iedereen en van zichzelf.
Zijn woorden draafden voor hem uit, hij loog en zwetste, maar hemzelf kreeg je nooit te pakken. Een hoogvlieger. Een intellectueel. Hoegenaamd geen zieke kop, maar wel duidelijk een krop in de keel. Bevlogenheid was hem niet vreemd. Geen wonder dat hij Marcel op de kast joeg.
En dan had je Gabriëlle.
Gabriëlle was een beetje getikt.
Ze lachte als een blatend schaap.
Met bolronde wangen en blinkende oogjes toeterde zij door het leven. Als een lopend vuurtje verwarmde zij het hele huis met haar goedlachsheid. Haar goede wil kende geen grenzen. Ze schilde neuridnd de hele wintervoorraad aardappelen of naaide alle knoopsgaten dicht. Elke dag blonk ze de spiegels op, die allemaal haar schitterende aanwezigheid weerkaatsten.
Voor Gabriëlle was geluk voldoende, in beeld zijn, er zijn.
Zij was meer engel dan vrouw, de goede fee, één met haar toverstaf. Als ze je raakte, verdroomden je wensen. Naast haar liep je steeds in de zon, want ze liet je niet struikelen over haar schaduw.
Zij was de blinde menner van de zonnewagen, de blijde boodschapper die de glanzende lege envelop enthousiast terug aan de afzender bezorgde.
Zo zag ik Gabriëlle toen ik een kind was, en zij volwassen en Jim, haar vader, ondertussen een oude man was geworden.
Een oude man, die niet meer de kracht had om dit lichtgewicht nog als licht te ervaren en er wat geluk uit te zeven voor zichzelf. Hij liep steeds meer gebogen. Hij kon niet meer toekijken op al die losse steken in zijn nageslacht. De zorg was te zwaar geweest. Zijn ziel was door zijn oudste zoon kapotgeschoten. En zijn zieke vrouw had zijn hart verstrooid aan de eenden gevoederd.
En toch bleef hij maar verder leven, verder weg en stiller, terwijl zijn gestalte zich dubbel vouwde. Smekend om opgenomen te worden.
Hoe stelt moeder aarde zich zoiets voor? Hoe denkt zij dat een dichtgevouwen knipmes zich voelt? Waarom gedroeg zij zich als een nog hardvochtiger teef dan zijn bloedeigen moeder, bijgestaan door wijlen onze moeder de heilige kerk.
De vrouw, de moeder, de spil.
De spin in heel dit vuile web.
O, de sierlijke levendige vogels,
allemaal, allemaal voor de brave poes,
die veel beproefde droevige moeder. Ja, verdomd.
Harmsen van Beek
Zij was een vrome vrouw, de moeder van de oude man.
Ze scheet voorwaar paternosterbollekes.
In haar stulp in de kom van het dorp zat ze als een Kempische Keizerin midden in huis in zwarte weduwkleren op haar troon. Diepbeproefd, hoogverheven en alziend bestuurde en beredderde zij het huishouden.
Na haar dood is ze de hemel in geprezen door de volgende generatie. Maar bij leven was ze een plaag voor man en zonen.
Haar zonen heetten Jules en Jim. Eens was er ook nog Arthur, jammerlijk jong gestorven. Arthur had beenderkanker. Ze heeft hem jarenlang verzorgd en gekoesterd. Ze heeft gehuild en gebeden, maar ze moest met lede ogen toezien hoe hij wegteerde en verging van pijn. Toen hij stierf, is hij haar pijn geworden.
Toen moet het misgegaan zijn in haar hoofd en klom de moeder op de hoogste troon. Om dichter bij hem te zijn en om Hem haar liefste aan te bieden. Want jong sterft men niet zomaar. Het moest Zijn wil wel zijn.
Wat doe je dan als arme vrouw?
Rouw zit er sowieso al in en met de v vouwde zij haar handen. Legde zich neer bij Zijn beschikking. Maar dan ook enkel bij de Zijne.
Zodat ze iedereen geofferd heeft aan Hem, aan Zijn wil door haar droeve ogen heen.
Liefste Arthur werd opgebaard in haar huwelijksbed.
Ze schikte rozen rond zijn hoofd, vouwde en kuste zijn handen. Haar ogen stonden scheel van verdriet en haar mond was een diepe snee. Maar toen Jules en Jim aarzelend binnenkwamen en zich tegen haar aandrongen, sloeg ze hen met koude blikken in hun nek. Ze liepen geschrokken naar buiten en gooiden rotte appels en peren tegen de muur tot de moes in het rond vloog.
En dan gingen ze vechten om op een of andere manier toch dicht bij mekaar te zijn en troost te vinden.
Ondertussen stond de vader in de schuur te kotsen terwijl zijn ogen lekten van tranen.
Na de begrafenis van Arthur werd ze weduwe voor altijd en op klaarlichte dag.
Ze werd de statische incarnatie van rechtvaardigheid, rechtschapenheid en rechtontevredenheid.
Om elke vorm van hooikoorts te vermijden, schoor ze de schapen en de mannen voor er van wol sprake kon zijn.
Heuvels herschiep ze in trage vlakten. Haar huis was zuiver en koel, een weldaad voor de bezwete wandelaar. Maar haar kinderen kregen er koude voetjes en dunne stemmen.
Ze werd een toonbeeld van godsvrucht, de toonbank van de wrevel Gods. Ze sliep niet meer, toch niet in iemands bijzijn. Ze bad en beval. Vanop haar pijnbank.
De vader had het bed voor zich alleen en de kinderen werden niet meer gekust.
Jim, de jongste, die haar mocht helpen met brood bakken toen Arthur nog leefde, werd op kostschool gestuurd. Hij miste haar als dagelijks brood, maar zij was er niet meer voor hem.
Op veertien jaar bleef Jules thuis van school om de vader te helpen. Jules was sterk, nuchter en ietwat nors. Hij kon het weer voorspelllen door de kleur van de avondlucht en de vlucht van de vogels. Een geschikte boer, dacht de vader dankbaar, terwijl hij naar zijn eigen handen keek. Zijn greep verflauwde. De dingen ontglipten hem meer en meer. Hij wist soms niet goed meer waarop alles sloeg. Dat had hij zich vroeger ook nooit afgevraagd. Misschien kwam het door zijn ogen. Ze stonden zo waterachtig de laatste tijd. Van de drank natuurlijk. Zoek zelf eens een andere uitweg in een dorp buiten de fanfare of het kanaal.
Maar hoe kwam het dat hij zo triestig werd bij het roskammen van zijn paard? Toch een van de vrolijke karweitjes van het boerenvak. Dat hij zuchtend zijn voorhoofd tegen de zachte paardenflank drukte? En daarna zijn wang. Was dat wel normaal? Wie huilt er nu om de eenzaamheid van een paard? Een halve zot, ja. Dat was hij, want hij rook ook nog andere dingen: wit brood en wilde rozen en de maand augustus. Terwijl het midden januari was en de dagen stijf stonden van de kou.
Hij nam zijn pet en zijn jas van de kapstok en ging in het dorp een pint drinken in het café van de liberalen. Dat kon ze niet hebben, maar ze kon de pot op. Hij deed al lang geen moeite meer om haar te benaderen. Hij kwam het huis nog enkel binnen om te eten en te slapen. En hij sliep beter na een paar borrels en een praatje voor de vaak.
Enkel als hij zich bezoop, was het hek van de dam. Dan was zowel slapen als waken een nachtmerrie. Als hij buiten ronddoolde, belandde hij vaak op het kerkhof, aangetrokken door de ontsnappende gassen die hij voor dwaallichten hield, waardoor hij gedesoriënteerd raakte. En thuis nam de bezetenheid haar vormen aan. Hij vluchtte de slaapkamer in en deed de deur op slot. Maar de draden van haar web waren ragfijn en sponnen zich door alle kieren. Dan voelde hij zijn bloed wegtrekken en was ervan overtuigd dat zij het uit hem zoog.
's Morgens voelde hij zich dan minder krachtig en elke morgen iets minder daadkrachtig. Eén keer stond hij nog vroeg op om de haan de nek om te draaien. Maar ook de volgende ochtenden sliep hij geen gat in de dag. De dag zelf sloeg hem in een gat, een hel licht gat van leegte.
En dan zat hij daar op de rand van het bed te wachten op niets, terwijl zij een paar stappen verder zat te wachten op God.
Rond de middag trok hij toch zijn werkkleren aan en sloop door de woonkamer, waar zij zat, naar de keuken.
Ze bekeken mekaar stiekem vanuit de ooghoeken, maar geen van beiden gaf een blijk van herkenning.
Hij at een boterham en ging een wandeling maken.
Het land, dat vroeger warm aanvoelde en van zijn ouders was, leek nu afgestorven met de kraaien als lijkbidders op de omheining. Er hingen sluiers nevel over de weiden en hij miste zijn kindertijd. Gemis en kou persten zijn leven samen tot een sneeuwbal waarin hij, verkild, zat opgesloten.
Hij zette zijn kraag omhoog en ging het café binnen, al wist hij dat de drank hem niet meer kon verwarmen.
Toen hij uren later buitenkwam, was hij vergeten dat hij te voet was gekomen. Hij sprong op zijn fiets en brak zijn nek.
En zij?
De rook van haar offer had het leven van haar gezin verstikt.
Zijzelf zag nu nog enkel de rook en kon met geen middel de betekenis van het offer nog onderscheiden.
Terwijl ze haar leven toch aan die versterving had opgehangen. Ze had zich beter verhangen.
Maar ze verstierf.
|
|