|
|
1
Het is vijf over vijf. De laatste druppels mensen zijn verdampt. Een dauw op de tafels wacht de nog brandende kaarsen geduldig op. Daarnet gleed de laatste klant van zijn kruk en trok met de grootste moeite zijn jas aan. Nadat de deur voor de laatste keer moe in het slot is gevallen, wandel ik naar mijn stereo en zet de plaat op die ik elke nacht opzet. Closing Time van Tom Waits. 'Ol' '55' komt langzaam op gang, terwijl ik traag naar de deur loop om die te sluiten. Ik kijk het hele liedje lang het raam uit, en laat de kille lucht aan de randen van het raam mijn gezicht verkoelen. 'One, two, three, four,' zucht Waits. Ik loop naar een tafeltje in de hoek. Hier had een jongen gezeten; hij hield de hand vast van een meisje met sneeuwwitte krullen dat tegenover hem zat. Ik ga rustig zitten op zijn plaats, en bekijk wat ze hebben achtergelaten. As omringt de asbak. Uit het papier van een leeg pakje L&M heeft een van beiden een hartje gescheurd. Ik laat mijn vingers spelen met het hartje. Aan een kant staat de rode letter L van de merknaam. Op de achterkant staat geschreven: Liefde is... as. Het geschrift is poëtisch en verzorgd. Van iemand die aandacht heeft voor de schoonheid van letters. Ik heb de hele avond naar ze gekeken. Ze waren verliefd. Ze zijn verliefd. Ik ben verliefd. Op jou. Waits hoopt dat hij niet op mij verliefd zal worden. Af en toe, tussen de liedjes door, als ik in de buurt was, probeerde ik enkele woorden op te vangen van wat ze elkaar toefluisterden. Eén keer hoorde ik haar zeggen: 'Liefde is... as.' Ik hou van de stilte tussen de liedjes. En van de restjes op de tafeltjes. Soms spaar ik ze; kleine dingetjes, zoals dit hartje. Zoals de oude man en zijn vliegtuigje. Ik heb mijn eigen museum. Prutskunst. Ondertussen bezingt Waits zijn eeuwige liefde voor Rosie. Daarnet deed hij hetzelfde voor Martha. Ik begrijp die man zo goed. 'All that you left me was a melody...' Eenzaam kijk ik voor me uit. Eenzaamheid is een kwestie van seconden. Ik sta minuten later weer op en loop terug naar de bar. Ik pak een blaadje en schrijf traag: 'Eenzaamheid is een kwestie van seconden.' Het werk dat mij te doen staat, boeit me maar stoot me tegelijkertijd ook af. Alles ligt er vies bij. Gezelligheid eist vuiligheid, zo blijkt. Mijn gedachten dwalen af en vinden hun weg naar een vrouw die in een hoekje aan de bar had gezeten. Zelfs in het licht van mijn kroeg had ze er slecht uitgezien. Een ouder wordende vrouw die uitgaat. Zoals een kaars. Ze vertelde me over haar zoon. Ik krijg hier veel verhalen te horen. Ooit ben ik die verhalen beginnen op te schrijven in een klein bruin boekje. Sindsdien doe ik dat elke avond. Naast mijn museum voor prutskunst staat mijn bibliotheek van vertellingen. In mij huist een voyeur, een onschuldige fetisjist. Het verhaal van de vrouw van vanavond zal ik straks wel opschrijven. Tijdens de tweede keer Tom. Ze woont enkele huizen verderop. Ze had die dag gevochten met haar zoon. Voor ze wegging, gaf ze me een briefje. Of ik het aan haar zoon wou geven als hij die avond nog langs zou komen. Op het briefje had ze een tekeningetje gemaakt van een kat. Minoes. Haar poes. En de reden van de ruzie met haar zoon. Naast de tekening de tekst: 'Neem jij ze maar mee, mijn jongen, als dat je gelukkig zal maken.' Haar zoon was niet gekomen. Het papiertje gaat naar het museum voor prutskunst, en haar verhaal ernaast, in een van mijn bruine boeken. Ik neem mijn vaatdoek in de ene hand en een handdoek in de andere, en trek ten oorlog. Op een tafeltje ligt een plasje kaarsvet. Ik kan me uitzonderlijk niet herinneren wie daar zat. Ik bekijk opnieuw het plasje. Iemand heeft er, voor het vet stolde, een woord in gekerfd. Dekhengst. Ik glimlach en denk opnieuw aan de oude man aan het raam daarnet. Ik denk aan gelukkig zijn. Wie heeft dat woord geschreven? Een tevreden jongen? Een gewillig meisje? Een slechte verleider? Heel voorzichtig maak ik het vet van de tafel los, zonder dat het breekt. Ik hou het op naar het licht. Dekhengst. Gepruts zonder verhaal. Een woord zonder buren. Het staat alleen. Ik kijk rondom me; dit is een kamer in mijn huis. In de kamer ernaast kook ik mijn eten. In de kamer ernaast heb ik ooit de liefde bedreven, ik heb verdomme in déze kamer ooit de liefde bedreven. Met de muzikale begeleiding van Tom Waits: 'Midnight Lullaby.' Een woordspeling dringt zich bij me op. Een mopje dat ik aan niemand kwijtkan. Tenzij aan jou. Elke avond komt in deze kamer een hele horde onbekend volk zitten. Soms voelt het aan alsof ik elke avond bezoek krijg, zoals een pasgetrouwd stel bij je op de sofa komt zitten en de hele avond tegen elkaar praat over mensen die jij niet kent. Ik loop naar mijn oude piano en druk op één van de witte toetsen. Mijn vrouw komt in een lang hemd de kamer binnen. Heel af en toe, als ze wakker is, komt ze naar beneden; en als ze Waits hoort, duwt ze loom de deur open. Ze blijft eventjes in de deur staan wankelen. Ze houdt haar hand boven de ogen als een dronken indiaan. Ik ben bang dat ik niet meer van mijn vrouw hou. Waits is uitverteld. 'Let's do this one,' verzucht hij moe, 'for posterity.' Instrumentaal. Ik ga zitten op een kruk en wacht op de eerste woorden van de vrouw van wie ik niet meer hou. Haar hand gaat traag naar beneden, terwijl haar ogen wennen aan het licht. Ze kijkt me aan door een kiertje tussen haar oogleden, en ik weet niet wat ze denkt. Ik steek een sigaret op. Ik blaas de rook van de laatste trek uit, samen met de laatste noot uit de trompet. Ik neem mijn vrouw zachtjes bij de arm en leid haar naar de slaapkamer. 2
3 Het is vijf over vijf, en ik ben weer klaarwakker. Het kwijl uit de mond van mijn lief druppelt op mijn schouder. Ik draai langzaam mijn hoofd naar hem toe en hoop dat hij niet wakker wordt. Mijn neus komt in zijn haar terecht. Een enkele traan rolt over mijn wang, terwijl ik de onaangename geur in mij opneem. Mijn gedachten zweven rond in ons verleden, en zoals altijd strijken ze neer op de eerste dag van onze liefde. Hoe we als gloednieuw stel in een cafeetje terecht zijn gekomen dat De Oude Piano heette, en hoe we daar de hele avond lang hand in hand hadden gezeten. Dat is nu welgeteld 364 dagen geleden. Morgen zijn we precies één jaar samen. Hij wordt onrustig en blaast en kreunt en ik voel zijn adem op mijn natte schouder. Hij draait zich met een ruk van me weg. Ik luister naar het zoemen van mijn ijskast. Ik ben bang dat ik niet meer van mijn lief hou. Een jaar geleden kuierde hij nonchalant mijn wereld binnen. Zijn hand gleed over mijn gezicht en maakte het leeg. Met de spons over mijn leven daarvoor, tabula rasa. Zal ik het verhaal opnieuw vertellen? Mijn ogen doorzoeken de halfduistere kamer op zoek naar een begin. Ik zoek en vind de asbak op ons nachtkastje.
Ik zat in een bushokje te wachten op niets. Ik zat helemaal alleen op dat kleine bankje dat eraan vasthangt, en ik was blij omdat het buiten het hokje stormde. Het vooruitzicht van een hevig wiebelende bus zond kriebels door mijn buik. Mensen praten meer als ze bang zijn. En soms heb ik dat nodig... bange mensen om me heen. Mijn handen speelden met een plastic zakje en ik keek toe hoe ze dat deden. Opeens voelde ik de mouw van iemand die zich naast mij probeerde te nestelen en ik durfde niet op te kijken. De figuur schoof zover mogelijk van mij weg. Rook dreef tussen mijn handen en mijn gezicht. Ik zette het zakje neer op de grond en legde een hand op het bankje. Ik bleef die hand bestuderen, om een blik te kunnen werpen op de handen van mijn buur. Ik wil alles altijd in kleine schijfjes in mij opnemen. Ik zag de handen van een zenuwachtige roker. Met een hand hield hij de sigaret vast, met de andere prutste hij aan zijn jas. Hij hield de sigaret tussen wijs- en middelvinger, en zijn duim tikte ritmisch tegen de filter aan. Ook zijn hand zocht toen eventjes het bankje op, en zijn duim bleef tikken. Kleine deeltjes as vielen van de sigaret en kwamen op mijn hand terecht. Ik had toen mijn hand kunnen wegnemen, maar ik deed het niet. Na een tijdje was de rug van mijn hand wit geschilferd. In de verte kwam de bus aangereden. Hij pakte de sigaret met drie vingers vast, klaar om hem weg te gooien, en toen zag hij wat hij had aangericht. Voor het eerst durfde ik hem in het gezicht te kijken. Hij werd voor mijn ogen bloedrood en mompelde zachtjes hoe het hem speet. Hij keek me zo hulpeloos en verwaaid aan dat ik niets kon uitbrengen. Ik ben veel te emotioneel, ik weet het. Toen pas zag ik dat hij L&M rookte (wat voor mij liefde en magie betekent), ik zag het boek in zijn jaszak, ik zag de blik in zijn ogen, mijn lichaam schreeuwde om affectie en hij heeft mij die nacht nog versierd. En hier ligt hij nu nog altijd, te kwijlen op mijn hoofdkussen. De staat van zijn lid verraadt de aard van zijn dromen. En morgen is het feest. Het grote feest, zoals hij het noemt. Van ons gelukkig samenzijn, zoals hij dat noemt. Twee demente kaarters met een neus-verkoudheid, dat is een gelukkig samenzijn, ik wil godverdomme passie en rijm. Wat moet ik doen? Het is lang geleden dat ik me nog zo eenzaam heb gevoeld. Zijn hand rust op mijn blaas en het is lang geleden dat ik me nog zo eenzaam heb gevoeld. Ik kan de slaap niet vatten; hij bevuilt mijn bed. Vroeger was hier alles van mij, onbekwijld en onbezoldigd.
Door al dat gesnotter krijg ik zin om te dichten. Het is moeilijk om in stilte uit dit bed te kruipen. Het lukt me toch. Ik sluip naar mijn bureau en leg een wit vel papier voor mij. De koude lucht aan de randen van mijn raam verkoelt mijn gezicht. Buiten ligt de eerste sneeuw. Mijn muze laat met tegenzin één zinnetje los, dat ik meteen opschrijf. Ik weet wat hij van plan is voor morgenavond. Er schijnt een goeie film uit te zijn, en hij wil die morgen gaan bekijken. Hij zal mij 'meelokken', zo noemt hij het. En dan lekker naar huis, zo noemt hij Het. Het is tijd dat ik eens iets verander aan mijn leven, lijkt mij. Morgenavond ga ik naar De Oude Piano om mijn hart terug te vragen. Mijn lief heeft het geheugen van twee demente kaarters met een neusverkoudheid, hij zal er nooit opkomen dat ik terug ben gegaan naar de plaats waar alles is begonnen, om alles af te sluiten. Ik blijf er de hele avond en de hele nacht zitten, als het moet. Het is twintig over vijf en ik ben zo moe. 4 Trap het af 5 Het is vijf over vijf en voor mij op de tafel ligt mijn dode kat. De gijzelaar is overleden. De gijzelaar is Minoes, de poes die ik een jaar geleden ontvoerde uit het huis van mijn ouders. De pootjes heb ik zorgvuldig naast de juiste knietjes teruggelegd. Het heengaan van dat schepseltje sluit een hoofdstuk in mijn leven af. Vannacht heeft de laatste veldslag plaatsgevonden, ik heb de oorlog gewonnen. Ik pak een plastic zakje van de Unic, hou het met een hand tegen de tafel en veeg met mijn onderarm de pootjes erin. Ik maak er een knoop in en zet het zakje naast het lijkje neer. Ik pak de kat vast en speel met het hoofdje. Ik leg beide handen op de rug, en probeer de ruggengraat te breken. Zweetdruppeltjes dansen op mijn voorhoofd tot ze te zwaar worden en op mijn vingers vallen, en in de pels van Minoes. In de ruggengraat is geen beweging te krijgen. Het zachte lichaam glijdt uit mijn handen en met een doffe klap valt het op de plastic zak. Een kat komt altijd op zijn pootjes terecht, zegt men. Ik pak een schaar en knip een stukje uit het linkeroor. Ook al niet makkelijk. De schaar raakt niet eens aan de andere kant van het oor. Woedend gooi ik de schaar weg en verbrijzel met mijn vuist de schedel. De tong van het dier hangt uit de bek, en uit de oogkassen stroomt langzaam bloed. Mijn vingers strelen het heft. Met het topje van het lemmet duw ik zachtjes in de buik van het kadaver. Ik laat het mes over het hele lichaam glijden tegen de richting van de pels in. Op tal van plaatsen zijn er kleine wondjes in het vel. Meer dan de helft van de wondjes zijn nooit genezen. De kat heeft afgezien. Hoewel ik al die verwondingen zelf heb aangebracht, spijt het me dat ze dood is. In al mijn eenzaamheid leg ik een hand met gespreide vingers op de buik. Rustig doorprik ik de ruimtes tussen mijn vingers, één voor één, en dan dezelfde weg terug. Mijn moeder hield van die kat. Mijn moeder heeft me ooit anderhalf uur lang in de wc opgesloten, omdat ik Minoes van de tafel had geduwd. Een kat komt toch altijd op zijn pootjes terecht, had ik geroepen. In mijn eigen stront schreef ik op de deur een oorlogsverklaring. Sindsdien kwam er geen einde meer aan de vijandelijkheden, tot ik op een dag, ongeveer een jaar geleden nu, het huis ben uitgestapt. Met Minoes onder mijn arm. En nu cirkelt mijn mes als een pendel boven het verminkte lichaam van mijn moeder. Het is twintig over vijf. Het is tergend warm in de kamer. Ik zoek verkoeling door mijn gezicht langzaam langs de randen van mijn raam te bewegen. Door de pootjes uit elkaar te duwen leg ik de kat op zijn rug en zet mijn mes aan de onderkant van de hals. Het lemmet glijdt verrassend gemakkelijk door het vel. Heel traag en zorgvuldig laat ik het mes langs een rechte lijn naar onderen zakken. Met kleine rukjes maak ik de opening zo wijd mogelijk. Ik kijk geboeid naar de bloederige onderdelen van de kat. De bedoeling is dat alle organen eruit gaan, en de videocassette die ik eerder vannacht heb gemaakt, erin. Dan ga ik morgennacht voor de laatste keer de sleutel van mijn oude huis gebruiken, om Minoes op de keukentafel achter te laten. Ik kijk naar wat voor me ligt. Zoveel werk... Daarna pas kan ik gaan slapen. Het is vijfentwintig over vijf en ik ben zo moe. 6
7 Het is vijf over vijf en achter mij valt de zware deur van het café De Oude Piano in het slot. Mijn gedachten gaan eventjes naar de kille buitenlucht maar net niet lang genoeg om zich er een mening over te vormen. De straat baadt in een ongezellig geel licht. Een van de vele aspecten van de nacht die me niet bevallen. Ik wandel gehaast in de richting van de grootste uitgangsstraat van Gent. Onderweg loop ik in mijn verstrooidheid bijna een oude man tegen het lijf. Ik schrik op en kijk ontsteld in zijn oude ogen. Hij ziet er afgeleefd en moe uit. Zijn kleding bestaat uit dampende zwachtels, lompen die er zo versleten uitzien als de man zelf. Hij houdt zijn hand naar mij uitgestrekt. Geïrriteerd graaf ik in mijn zakken. Hij fluistert me toe op een rijmerige manier: 'Bekijk, meneer, de vleugels van mijn engel.' Ik haat mijn haatgevoelens tegenover die man. Ik kijk naar de grond en stap verder. Slecht geïsoleerde beatmuziek nodigt mij vanuit de verte uit. De mensen van de ochtenduren zijn minder vriendelijk. Ik loop altijd angstig rond, zoals nu. Een groepje dronkaards roept me toe dat ik een vuile nicht ben. Ik ben geen vuile nicht, denk ik zo luid ik kan. Ik verkies mezelf als een dekhengst te zien. Dekhengst, dat woord staat me wel. Jammer genoeg sta ik op stal. Ik loop hier nu wel in de wei rond, en de wei maakt mij blij, maar ik ga niet van de grond. Ik vind niemand waar ik een stukje van mezelf in kwijt kan. Testosteron is een veeleisende minnares.
Elke avond opnieuw ga ik grazen. Tot ongeveer vijf uur 's morgens, sluitingsuur, vegeteer ik in De Oude Piano, op zoek naar de vrouw van mijn leven; een gevoelig en intelligent meisje, en na sluitingstijd ga ik dan naar de Overpoort, op zoek naar alles wat mijn onderdekbed biedt. Maar het wil maar niet lukken. Misschien ligt het wel aan mijn strategie. Ik heb verschillende strijdplannen. Ongeveer een jaar geleden had ik een duidelijk plan. Ik ging zitten aan een tafeltje in De Oude Piano, helemaal alleen. Ik pakte de kaars die op de tafel stond, en liet het kaarsvet op de tafel druppelen tot er een plasje was ontstaan dat groot genoeg was om er een woord in te krassen: Dekhengst. Het was een soort naamkaartje, als het ware. Het was de kaas in mijn muizenval. Ik keek de hele avond uit-nodigend rondom mij. Hebben vrouwen dan echt geen animale driften? Al bij al bleek het een waardeloze strategie. Bovendien kreeg ik het toen aan de stok met de baas van De Oude Piano. 'Prutser,' noemde hij me, geloof ik. Kleine kliekjes studenten schieten me voorbij. Hele groepen mensen staren samen naar de grond. Ik voel de drang om te schreeuwen, naar al de vrouwen van de wereld. Gebruik mij. Ik ben de ultieme one night stand. Met mij kun je nog eens lekker zonder condoom, wil ik roepen, want ik ben toch zo onvruchtbaar als een dode kat. Geloof me, wil ik schreeuwen, ik ben getest. Mijn troepen staan klaar om bij u binnen te vallen. Ze hebben genoeg kanonnen maar het is munitie die ze missen. Neem mij, in godsnaam. Ik ben wanhopig. Wanhopig.
Misschien moet ik vannacht eens ingaan op de tip die ik ooit kreeg van een vriend van me. Een vriend die me ooit heeft verteld dat er boven het café De Décadance een prostituee werkt. Prostitutie is prachtig. Ik ben er al talloze keren voorbijgewandeld. Telkens, hoe laat het ook is, zie ik het licht van tientallen kaarsen door het raam. Op de tweede verdieping, bedenk ik, dus ik zou van de grond gaan. Een hoer boven De Décadance. En vanavond een dekhengst boven een hoer boven De Décadance.
Door de zenuwen wacht ik nog enkele seconden voor ik bel. Mijn vingers prutsen aan haar bel. De ronde drukknop is vuil aan de randen. Hoerenlopers wassen hun handen blijkbaar nooit. Ik neem de knop tussen duim en wijsvinger, terwijl ik met de andere hand tegen de muur tik. Ik ben een dekhengst. Mijn zelfmoordtroepen moeten ten oorlog. Ik fluit mezelf moed in, terwijl ik steeds vlugger aan de drukknop ga draaien. De knop draait en draait en kraakt lichtjes en valt op de grond.
'Hallo,' klinkt het. Het is twintig over vijf en ik ben zo moe. 8 Godverdomme. 9
10
Het is vijf over vijf.
Ze zitten alledrie alleen op een kruk aan de bar. Tussen elk van hen staat een eenzame kruk. Ze zijn kleine eilandjes, en ik veronderstel dat ik ook een eilandje ben. We luisteren samen in stilte naar het eerste liedje. Twee jongemannen en een bloedmooi meisje met sneeuwwitte krullen kijken niet eens op als Waits begint te zingen. Het meisje is ongeveer om acht uur binnengekomen. Ze is gaan zitten op de laatste kruk, in de hoek. Dat plaatsje in de ruimte is symbolisch voor mij, het betekent voor mij 'teruggetrokken anonimiteit'. Deze ruimte is al zo lang mijn leven, dat elke stoel duizend verhalen heeft. Ik verlang ernaar om het verhaal te kennen van het meisje met de witte krullen, dan heeft die kruk duizend en één verhalen. Hoe ze heet, wat ze studeert (als ze studeert), wat haar favoriete smaak roomijs is... Haar gezicht is prachtig. Haar schoonheid is tragisch. In het aangename gele licht aan de bar werpt haar voorhoofd schaduwwolken over haar gezicht als ze naar haar handen staart. Haar huid is bleekjes, maar op haar wangen ligt een lichte rode schijn. Ze heeft haar haar opgestoken, maar met al die krullen is dat een op voorhand verloren strijd. Ik heb tweemaal het vallen van een krul meegemaakt. Het waren grootse momenten. Ik beeld me in hoe het zou aanvoelen. Zou ze al een halve seconde op voorhand weten dat er eentje muisstil zal vallen? Ik wenste telkens dat ik mijn handpalm tegen haar nek had kunnen leggen om op de rug van mijn hand het zachte klopje te voelen toen de witte lok op haar nek terechtkwam. Eerst en vooral wil ik dat de twee jonge heren ophoepelen. Een van de twee ken ik. Mijn trouwste klant. De jongeman die elke avond De Oude Piano sluit. Ik weet niet eens hoe hij heet. Het is een lange magere jongen, maar dat ben ik ook. Wij praten niet zoveel met elkaar. Ik heb ooit eens een aanmerking moeten maken, omdat hij elke avond een plasje kaarsvet op de tafel liet stromen. Het eerste van die plasjes ligt nog steeds in mijn museum voor prutskunst. Maar ja, na een tijdje werd het te veel. Ik heb hem op een avond op heterdaad betrapt en ben wat te kwaad geworden. Sindsdien ben ik er eigenlijk nooit toe gekomen om hem mijn excuses aan te bieden. Sindsdien kabbelt alles koeltjes verder. Het is alsof geen van ons tweeën er behoefte aan heeft te weten wat de ander denkt. Van mijn kant is er zeker geen interesse. Ik heb zo het gevoel dat ik wel weet wat er in zo'n jongen omgaat. En dat is dan voornamelijk testosteron. Het woord dat hij toen elke avond in zijn kaarsvet krabde, was dekhengst. Een lege huls met een vol geweer in de hand, dat stel ik me er zo ongeveer bij voor. Een vertwijfelde rokkenjager. Daarom zit hij ook al de hele avond met rode kaakjes naast het meisje in angstige stilte. Hij heeft geen stijl. Ze is van mij. Ofwel is ze 'van niemand', zoals ze dat zelf noemen, maar dan wordt ze van mij. De tweede plakker ken ik niet. Die is hier voor het eerst, dat weet ik zeker. Hij is ongeveer om tien uur binnengekomen en had een koffertje bij zich dat hij dicht tegen zich aan hield alsof het een deel van zijn lichaam was. Om halfdrie stond hij op en ging naar buiten. Zijn jas, zo zag ik later, hing nog steeds over zijn kruk. Tien minuutjes later kwam hij weer binnen. Hij zwaaide met het koffertje en gooide het in een hoekje alsof het niets meer voor hem betekende. Zijn kleine uitstap, naar de nachtwinkel misschien, leek hem opgebeurd te hebben. Hij dronk de rest van de nacht uitsluitend whisky. Een drankje met klasse maar het past niet bij zijn gezicht. Ik zie in zijn ogen dat hij helemaal niet geïnteresseerd is in het meisje aan de bar. Hij heeft duidelijk andere dingen aan zijn hoofd. Een van die zeldzame aseksuele mannen, waarschijnlijk. Ik onderzoek mezelf: sta ik in bewondering? Ik wil niet weten wat er zich in zijn hoofd allemaal afspeelt. Zeker is dat het er stinkt.
We wachten samen op niets. Er zit een vreemde tinteling in deze avond. Sneeuwwitje kijkt naar mij. Sneeuwwitje kijkt naar mij. Mijn hart slaat zo hard dat ik bang ben dat ze het zal horen. Zingen, Waits, zingen... Ik sta heel dicht bij haar. Tussen ons gezicht past mooi een meetlat. Ik kijk haar in de ogen en probeer me in te beelden hoe het zou zijn om met haar te vrijen terwijl we een meetlat van dertig centimeter tussen onze gezichten gekneld houden. Ze kijkt me aan alsof ze iets wil bestellen maar ze zwijgt. Ik kan geen inhoud geven aan de blik in haar ogen. Ik ga nog dichter bij haar staan zodat de anderen mij niet kunnen horen en ik zeg: 'Ik zie in je ogen dat wij elkaar al eens hebben ontmoet; het spijt me, ik weet niet wie je bent.'
Voor mijn trouwste klant staat een leeg bierglas. Ik ga voor hem staan en neem het traag van de bar weg. Ik probeer zo duidelijk mogelijk te bewegen. Dat lukt me aardig, want hij kijkt een van de weinige keren die avond op. Hij hield al de hele tijd zijn blik strak op een voorwerp van plastic in het kommetje van zijn hand. Al de hele avond probeer ik het goed te bekijken. Ik hoop dat hij het vannacht vergeet mee te nemen, wat het ook is. De nieuwsgierigheid neemt het eventjes van mij over. Op dit ochtenduur is het toch de gewoonte dat klant en barman wat gaan praten. Iemand van ons beiden moet ooit de eerste stap zetten.
Ik keer terug naar de plaats waar ik thuishoor. Eventjes, heel vlug, bespied ik het gezicht van Sneeuwwitje. Lonely eyes. Lonely face. Lonely in this place. Tom Waits. Nu staat het voor mij vast. De rest moet naar buiten. Als mijn trouwste klant klaar is met de tafels, zal hij weggaan, dat weet ik. De jongeman met de koffer draait nu al een kwartier met het ijs in zijn glas. Het is een prutser, maar een zenuwachtige prutser. Zijn gezicht is vertrokken in een alcoholische grijns van pijn. Nu lijkt hij sprekend op zijn vader, dat weet ik zeker. Ondertussen luisteren we allevier naar de zachte stem van Waits. Nog eentje, voor het nageslacht. Het laatste nummer alweer. Voor mij elke dag het emotionele hoogtepunt. Even laat de ruwe hand het glas met ijswater los. Ik haast me om het weg te nemen voor de ruwe hand dat kan. Een gegrom als dat van een hond stijgt uit de ineengezakte figuur op. Ik had er niet op gelet hoe hij was gezonken. Hoe zijn bochel steeds hoger werd, hoe zijn voorhoofd naar de bar toegroeide. De uiteinden van zijn vette haar hangen op de bar en vloeien naar mij toe als lava. Met een lichte bonk van zijn voorhoofd wordt het haar voorgoed de pas afgesneden. Het zal moeilijk worden om de stijlvolle, hoogst neukbare oudere man te blijven in de ogen van Sneeuwwitje als ik dat hoopje mens eruit moet gooien. De moed zinkt mij langzaam en instrumentaal in de schoenen.
Mijn 'sympathieke' vrijwilliger heeft na enkele minuten de melodie van 'Closing Time' beet, en neuriet uit volle neus mee. Nu wiegt hij zo'n beetje mee met de muziek. Hij zal nooit aan een vrouw raken. Als hij gelukkig is, ziet hij er te gelukkig uit, en dat is niet stijlvol. Als hij depressief is - want zulke mensen zijn altijd meteen depressief -, dan ziet hij er te depressief uit en dat is evenmin stijlvol. Ik doe mijn job en glimlach eventjes als hij wiegend naar me opkijkt. Nu begint hij te zingen. Hij blijft zo min of meer de hele tijd naar mij kijken. Ik moet blijven glimlachen maar als dat nog lang blijft duren, kan het het einde betekenen van mijn prinselijke indruk op Sneeuwwitje.
Voor mijn deur ligt een oude man tussen de glasscherven op het voetpad. Zijn borstkas gaat wild op en neer. Zijn voorhoofd is rood. Zijn ogen zijn open, en rood. Hij hijgt en piept en grijnst naar de maan. Een windstoot bevrijdt een papiertje uit zijn hand en sleurt het mee.
|
||||||||