


|  |
Frans Roggen
Broeder onheil, zuster kwaad
In hete nachten barsten duivels uit
hun ei. Zij had moeten weten, dat haar
bescheidenheid geen schild was tegen
mij. Tegen mijn klauwen in bleek dons
tussen vage rodondendrons. Ik ben de
meester van haar gil. Geen ondaad die
ik vannacht niet wil begaan. Wie houdt
mij tegen als ik het licht uitmaak?
Beloof het In Paradisum te zullen neuriën,
mij aan haar stervenskramp te laven.
Je kent Het Besluit. Het leven is een
schoen, schop 'm uit, je wordt begraven
of had je eerst iets anders willen doen?
|