


|  |
Frans Roggen
Turnhoutsebaan
Hoe ze er ook mag uitzien, deze stad, dit onheil
met een ver verleden, gij kent Antwerpen aan zijn rede,
van op 't Sint-Anneke-Mosselen-Linkeroever, ter hoogte
van 't Vlaams Hoofd en Galgenweel. Het stemt u almaar
droever, dit zinneloze wachten op de bus en op de dood.
Nog staat het licht op rood. Gij ijsbeert af en aan, knoopt
uw Nikes voor Ispahaan, niet ver van Wijnegems Shopping-
center. Op de lange weg naar Turnhout wordt gij ongezien
stokoud. Gij hebt altijd geloofd aan dat kloek formaat
van de toren onzer kathedraal, zoals maximaal om de vijf
seconden uw paal zich roert in zeer bestemd verlangen
naar Lieve-Dames en Heren in dit bedevaartsoord
van Onze Lieve Vrouw der Gemiste Kansen en Schotense
volkse Poolse dansen. Stad waaruit zo menig weg wegvlucht,
naar Utrecht, naar Breda, naar Vught en naar die ene halte
verder. Heel ver zult gij niet komen. Bestijg dus deze bus
niet zonder één handjevol met dromen en keer terug van waar gij vlucht. Er staat een zon achter iedere grijze lucht. Gij zucht?
Ach nee: het is de bus, hang u gauw in een comfortabele lus. Gij zijt gezegend, want gij kunt hier schuilen als het regent.
|