


|  |
Big food of Big Mac?
Karel Osstyn
In dit fragment uit nog onuitgegeven proza bereidt Servaas Denkmal, hoofdredacteur van de Zevenberger Bode, zich voor op een demonstratie die zijn gemeente moet behoeden voor de komst van een fastfoodketen - en het verlies van haar enige natuurrestaurant, de Big Food. Maar het is niet alleen de eigenheid van Zevenbergen, een fictief plaatsje in de Brusselse Rand, die op het spel staat. Na de dood van baron Eugeen de Genode aast de plaatselijke mediamagnaat Vincent Dhooghe ook op diens Zevenbergenfonds en het bijbehorende kasteel. De mars zelf valt natuurlijk in het water. Of wat had u gedacht, op een zondagmiddag laat in de lente van 1996, het jaar van de kering?
Het was een drukke week geweest. Servaas Denkmal had op maandagochtend de extra kopij die de avond tevoren binnengelopen was nog zitten redigeren, was ermee naar de zetterij gestapt en was Achille en zijn knecht Milo blijven helpen tot de antieke cilinderpers de laatste exemplaren van de extra oplage uitgespuwd had. 'Voor de Bode steken we altijd een tandje bij, jongen,' had Achille vanuit zijn mondhoek gemompeld. 'Vooral als ons voortbestaan ervan afhangt.' Servaas hoorde perfect wat hij zei, ondanks het helse lawaai van de machines. Hij keek toe hoe de oude Achille keurend de krant doorbladerde en hielp Milo bij het laden van de bestelwagen die woensdagochtend vroeg zijn ronde langs de verdeelpunten zou beginnen. Pas in de late middag, na ettelijke herbevoorradingen, zou Milo de walmende dieselmotor van de Transit het zwijgen opleggen. Het productieproces had altijd iets spannends: het verdelen van de laatste opdrachten, het verzamelen van de kopij, het ophalen van de advertenties en de clichés door Elke, de eindredactie van de teksten, het zetten, de lay-out samen met Achille of Milo en niet te vergeten het proeflezen waarbij Servaas hulp kreeg van de jongste medewerkers, om beurten Benji, Sarah, Sander of Carolien.
Onder dat jachtige tempo was Elke altijd een baken van rust. Met een bewonderenswaardige kalmte en haar zonnigste humeur coördineerde ze de hele operatie, pleegde een paar dringende, vervelende telefoontjes terwijl ze tegelijkertijd de adressenbandjes van de abonnees uitdraaide. Normaal vergde het delicate overredingskunst om de handelaren tot een annonce om te praten, maar het lieve kind hoefde haar stem maar te draaien en ze had een opdracht binnen. Dus nu er met die extra dikke oplage volop ruimte openstond, was haar hulp onschatbaar. Servaas liet haar begaan; hij kon nu maar beter niet te veel met normen en criteria schermen. Was dit niet een soort noodnummer? Voor Elke leek alles vlekkeloze routine. Hij keek er altijd met een zekere afgunst naar. Hij werd soms kregel van de sang-froid die ze bezat in dergelijke emergency-toestanden; hij benijdde haar stressbestendigheid. Hoe kwam het dat sommige mensen het zo makkelijk hadden? Ach, zo eenvoudig was het misschien ook weer niet. Elke werd om haar leuke snoet in het meest selecte gezelschap geduld, wat niet belette dat hij haar op de redactievergadering van de vorige vrijdag weer eens had zien stuntelen. Was ze razendsnel in sociaal gedrag, intellectueel moest ze het onderspit delven. Nou ja, ze kwam er wel.
Zag Servaas niet overal hoe piepjonge mensen allerlei functies begonnen in te palmen? Dat was al zo toen hij op het Dagelijks Nieuws door Vincent Dhooghe buiten gebonjourd werd, maar sindsdien viel hem almaar meer op hoe onbekende gezichten zijn weg door kantoorgebouwen versperden. Hij werd oud, dat was het. Hoewel - veertig, was dat oud? Het zou dan wel. Wat hem opviel, was dat al die nieuwelingen net zoals Elke evenmin onder de stress leken te bezwijken. Hij wist wel beter, ze beseften het gewoon niet omdat ze het nooit anders hadden gekend, maar ze namen toch maar hun tijd om door de gangen te flaneren en trokken rustig een pauze uit voor een babbel. Goed, dan werkten ze ongetwijfeld snel en geconcentreerd, maar hoe zat het met de kwaliteit? Maakten die jongeren die als kind alles voorgezet gekregen hadden, meer of minder fouten dan in zijn tijd? Als hij Elkes werk bekeek, moest hij toch altijd een soort controle incalculeren. Maar dat was zijn tweede natuur. En wat waar was: erg royaal werd ze voor haar inspanningen nu ook weer niet betaald. Misschien hadden de bedrijfsstrategen wel gelijk en zat er op eerbiedwaardige instellingen als het Zevenbergenfonds een te oud en te duur werknemersbestand en konden jongere werkkrachten alvast voor wat meer evenwicht in de cijfers zorgen... Bedrijfsresultaten tegenover werkloosheidsstatistieken, verleggen van de demografische curve... Men sprak van een tijdbom. Dat deze samenleving, die serieus aan het vergrijzen was, zijn ogen sloot voor de realiteit en straks met een huizenhoog probleem zat: waar al die oudgedienden onder te brengen. Straks kunnen ze niet anders dan de leeftijd voor het brugpensioen weer omhoogtrekken, dacht Servaas. Hebben zij die ervan hebben kunnen genieten gewoon mazzel gehad. Maar denk je dat je als achtenvijftig- of tweeënzestigjarige nog inspraak zult hebben? Je zult gewoon gedoogd worden, ergens naar de kelders verwezen waar je het archief zult mogen sorteren. Dat doen ze met die probleemgevallen...
Zover was het intussen nog niet. 's Zondags omstreeks halftwee op de carpoolparking bij de Ring zag Servaas dat Robert de Burchgraeve in ieder geval woord gehouden had en voor een buslading behoorlijk kranige senioren had gezorgd. Samen maakten ze, zo vernamen Edith en hij, zowat het gros uit van de wandelsportvereniging Door Berg en Dal die minstens eens in de maand kriskras het Pajottenland doorkruiste met het busje van Gerard van Taxi's de Verwoeste Gewesten. Die dumpte ergens vroeg op de middag zijn lading en ging ze dan twee of drie uur later weer oppikken waar Robert of iemand anders van de wandelaars hem gewezen had op de stafkaart. Gerard genoot van deze uitstapjes midden in de week. Het was doorgaans kalm en zijn vrouw reed uit met de Mercedes als er een telefoontje kwam, terwijl hij rustig een pint kon pakken en zijn krant lezen of mijmeren over zijn stamboom die hem terugvoerde naar de IJzerstreek, waar zijn grootvader na de eerste wereldoorlog met een taxi begonnen was. Toen hij in 1964 naar het centrum van het land verhuisde om er te trouwen met een jonge Brabantse die hij een jaar eerder wegens een spoedgeval van zee naar huis gereden had, had hij de naam van het familiebedrijf meegenomen. Klinkt lekker surrealistisch, vond hij, en daarin had hij groot gelijk. Dat was trouwens ook het woord dat paste bij deze glunderende menigte in excellente staat verkerende oudjes, vond Servaas. Straks stond hen een haantje of een pan mosselen te wachten; bestond er een betere manier om een zondagmiddag te slijten?
Het enige wat zorgen baarde waren de dreigende grijze wolken die in het westen samenpakten. Het had die ochtend al geregend en er stak duidelijk nog meer in het vaatje. Maar geen nood: niet alleen aan de oudjes was te zien dat de stemming opperbest was, ook de andere auto's die een voor een het parkeerplein kwamen oprijden en de bus van de Lijn die voor de steenweg halt hield, spuiden deelnemers uit die hun huiver voor het avontuur snel afwierpen. Een en ander kwam door de gemeentelijke fanfare, die zo te zien ook opgetrommeld was. Een twintigtal majorettes met gespierde benen in glimmende panty's stonden schutterig hun sticks op te gooien, zodat ondanks het ijle getetter en geroffel de bijeenkomst toch iets feestelijks had. Tot Servaas' verbazing bracht een tweetal clowns zelfs een kleine samenscholing van kinderen teweeg. Tja, de ernst was ver te zoeken; misschien was dat nog zo slecht niet. Hij haatte per definitie alles wat naar kleuring en beïnvloeding rook, maar aan de andere kant was het nu eenmaal een feit dat schermen met kindvriendelijkheid en andere gezinswaarden wellicht de beste strategie was om de openbare opinie te strikken. Trouwens, ze waren nog lang niet vertrokken.
'Ha, meneer en mevrouw Denkmal. Mooie wagen,' groette Benny Catoir.
'Eh, zeg maar Edith en Servaas.'
'Wat vindt u ervan? Twintig voor twee en toch al aardig wat volk, hè?'
'Niet slecht. En die majorettes en die clowns, al bij al ook niet zo'n slecht idee.'
'Voor de fanfare is slager Roger verantwoordelijk. Een of andere weddenschap, te lang om uit te leggen. Tja, en voor die clowns heeft mijn dochter Tania gezorgd. Een hobby van haar. Ze doet toneelacademie. Is ooit begonnen met een zomercursus op het kasteel, trouwens. Spreekt er nog over. Ze doet af en toe straatwerk in Brussel.'
'Pardon?'
'In de Nieuwstraat. Op de Grote Markt. Gewoon, handigheidjes met ballen en zo. Niet mijn idee, maar ja...'
'Hmm. Ik wist niet dat u al zulke grote kinderen had.'
'Toch wel. We proberen jong te blijven, hè.'
'De Boterbergwijk is toch jonger dan Tania?'
'Tja, we hebben wat later gebouwd. Als jong gezin zet je niet meteen je droomhuis neer. Maar het voelt wel als een jonge buurt, toch wel, ja.'
'Concreet, wat staat er allemaal te gebeuren?'
'We zullen wel starten met enige vertraging. Maar straks op de wei achter de Klaproosstraat moet het gebeuren. Een beetje kinderanimatie: de klas van juffrouw Burlet van de Gemeenteschool doet een sketch. Een paar korte speeches. Daarna de lange tocht naar het centrum; aankomst voorzien rond vier uur, halfvijf. Ontvangst door de burgemeester op het gemeentehuis, en daarna de feestzaal in. De haantjes zullen smaken.'
'Vergeet de Big Food niet halverwege.'
'Nee, nee. Dat staat op het programma. Maar ik moet ervandoor. Ik zie de politiebegeleiding aankomen. Even gaan overleggen met de wijkagent. Bedankt voor de komst en veel plezier.'
'Ook niet gewoon zulke dingen te organiseren, dat zie je zo,' zei Servaas. 'Misschien juist goed dat hij er een circus van maakt.'
'Toch typisch dat mensen als je hun erfje betreedt meteen gaan steigeren en tot alles in staat blijken,' opperde Edith. 'Terwijl als het ver genoeg van hun bed gebeurt, ze alles gelaten dulden.'
'Dan is dit duidelijk de dicht-bij-mijn-bed-show.'
'Benieuwd of het inderdaad een show zal worden. We krijgen beslist regen.'
'Dat geldt ook voor die middagwandeling vanuit de Big Food.'
'Ja, benieuwd of die doorgaat. Hoeveel man zou Wien te eten hebben gekregen op haar laatste dag?'
'Hoeveel zullen er haar straks uitzwaaien, bedoel je.'
'Ze hadden beter die senioren mee laten stappen met Henri. Het tempo zal laag genoeg zijn.'
'Let op, die oudjes stappen door. Is er trouwens een bezemwagen voorzien voor de mensen met blaren?'
'Geen idee. Nog goed dat de wielertoeristen niet meerijden.'
'Die trekken er 's ochtends op uit en zijn nu te lazarus om nog recht te blijven op hun fietsen.'
'Precies.'
'Hola, wat krijgen we daar?'
Een groepje ruiters van een man of vijf kwam de parkeerplaats opgereden. De paarden reageerden schichtig op het aanhoudende valse geblaas van de fanfare, die de zoveelste potpourri ingezet had. Het leek wel een scenario voor een soap. De twee jonge meisjes in rijbroek hadden bijna meer bekijks dan de majorettes, maar dat kwam wellicht door het sluike blonde haar dat vanonder hun pet kwam - duidelijk upper class. Kwamen die ook mee betogen? Aan hun blikken te zien voelden ze niets dan minachting voor het gepeupel dat hier binnenkort de afval van hun hamburgers zou komen dumpen. Wellicht was hun moedertaal Frans; in Zevenbergen voelde iedereen zich thuis. Hoe dan ook, dit werd een optocht van alle kleuren en alle gezindheden.
'We hebben er ons op verkeken, denk ik.'
'Hoe bedoel je?'
'Dat hier meer volk op afkomt dan ik gedacht had.'
'Ach, ze mogen er nog wel wat meer hebben als ze indruk willen maken.'
'Ik bedoel van alle lagen van de bevolking. Jong en oud, arm en rijk.'
'Rijk en minder rijk.'
'Nou ja.'
Op dat ogenblik - Servaas schatte de aanwezigen al op zo'n paar honderd man, de parkeerplaats stond vol en de auto's die nu nog aanschoven, moesten op de berm parkeren - kwamen er drie lijnbussen ineens piepend tot stilstand. Het leek fenomenaal georchestreerd, want uit de andere richting kwam net een camerawagen van TVV aanzetten. Servaas had Sander al in de weer gezien bij een wagen van Randmerk, de regionale omroep, dus de grote concurrentie kwam ook beelden schieten - op zich mooi, maar hun timing kon zoals altijd weer niet slechter uitkomen. Met hun neus voor sensatie hadden de commerciëlen meteen een topitem voor hun lens, want uit de eerste lijnbus kwam een delegatie van het Vlaams Bloed gestapt. Servaas herkende zelfs een van de kopstukken van de nationalistische partij; het was duidelijk dat ze de Rand een offensief waard vonden. Achter hem een dreigende schare volgelingen die stonden te dringen om in de nabijheid van de kopman te vertoeven. Het was al een tijdje in de verte beginnen rommelen, maar het werd ineens nog een stuk donkerder aan het begin van de steenweg naar Terelst.
'Niet te geloven, we zijn gezien. Kom mee,' zei Servaas en hij trok Edith met zich mee. In hun haast botsten ze op allerlei zich van geen kwaad bewuste mensen; het leek wel of de apocalyptische wending die de nieuwgekomenen aan het gebeuren gaven niet tot hun wou doordringen.
'Natuurlijk moeten die kerels profiteren van elk gezond protest. Zo is het ook met relletjes: die beginnen meestal heel onschuldig, met een rustige massa die er vast van overtuigd is dat ze alleen met waardigheid wat bereiken kan, tot een oproerkraaier de goeie zaak komt uitbuiten, de lont aan het kruitvat steekt en tenslotte beide kanten heilige verontwaardiging roepen.'
'Dat veronderstelt natuurlijk dat er al iets heeft zitten gisten,' suggereerde Edith zo langs haar neus weg.
'Hoezo?'
'Ik bedoel dat zo'n partij maar succes boekt als er iets leeft onder de bevolking. Het Vlaams Bloed doet beroep op het clangevoel van de mensen, voorzover dat nog bestaat. Blijkbaar gaat het in stijgende lijn, alleen durft niemand toegeven dat hij diep in zijn hart zijn eigen soort wil beschermen en dus een racist is.'
'Weet je dat je nu beweert dat als er zoiets als een Vlaamse identiteit bestaat, die onvermijdelijk van extreem-rechtse sympathieën getuigt?'
'Dat geldt voor alle Blut- und Bodentheorieën.'
'Maar het is wel het tegenovergestelde van alles wat baron de Genode verdedigd heeft. Dat identiteit voortkomt uit een gevoel van eigenwaarde.'
'Voorzover dat gevoel authentiek is. Zoals je weet zit de angst erin en kampt het volk met de frustratie dat de uitverkoop allang begonnen is. Dat uit zich onvermijdelijk in het stemhokje, willen of niet.'
'Hallo, Servaas,' klonk het achter onze stilletjes kokende hoofdpersoon. 'Jij kent geen mensen meer, zeker? Heb je de duivel gezien of zo?'
Servaas keek in het gezicht van Bavo Baeyens, journalist bij het Dagelijks Nieuws en ex-collega uit zijn pijnlijke laatste dagen bij die krant. Hij was altijd op zijn hoede geweest voor de man; sympathiek als hij was wanneer hij je zag staan, kon hij je als lucht behandelen als hij je niet van doen had. Juist, Vincent Dhooghe moest net deze kerel laten uitrukken. Die schreef immers precies wat hij wou. En Bavo was natuurlijk te zeer zichzelf om zich van enige argwaan bewust te zijn. 'Dus jij komt de boel hier ook verslaan, hè?' dampte hij de woorden voor zich uit. De man had de gewoonte om altijd enorm veel lucht te verplaatsen, met zijn lijf, met gebaren. En toch was hij daarbij nooit indrukwekkend aanwezig. Hij leek altijd en overal uit het niets te komen en weer te verdwijnen, een typische grijze reporter.
'Zeg me niet dat je zelf gaat betogen, man. Ik heb de Bode gelezen. Fraai stukje journalistiek, zeg. Denk je dat dat indruk zal maken?'
'Over welk stuk heb je het, over de bouwgrondpolitiek te lande of over de overnamepraktijken in de bedrijfssector?'
'Ha, ha. Juist, over de bouwgrond. Hoe staat het met die keet van je buurman in jouw tuin? Ha ha, ook gelezen.'
'Die keet staat er natuurlijk. Iets later dan voorzien, dat wel.'
'Man, jij steekt je ook altijd in de nesten. Ik had je desnoods wel een contactje aan de hand kunnen doen. Maar ja, te laat. Tant pis.'
'Als je dan zoveel mensen kent, waarom doe je dan hier niks aan, nu het nog kan? 't Is voor het algemeen welzijn.'
'Ha ha, juist, die hamburgers zijn ongezond. Waar moeten we weer gaan eten, in dat Neanderthalerrestaurant? Of zijn we al te laat daarvoor, kunnen we ons niet meer met de holenmensen verenigen? Juist, verenigen, ho ha. Geef mij maar een lekker kluifje prehistorisch vrouwenvlees, ho ha ha. Pardon, mevrouw.'
'Kijk uit, of we gaan van u en uw krant gehakt maken en invriezen tot het jaar tweeduizend, meneer van het Dagelijks Nieuws,' dreigde Edith.
'Die is goed, die is goed. Doe er nog maar meteen een paar jaartjes bij. Kwestie van het perspectief, goed voor elke journalist. Nietwaar, Servaas? Whoa.'
'Alle gekheid op een stokje, Bavo, beste, brave vriend. Wat denk jij van jouw idolen die hier net aangekomen zijn? Zie ze nog wat onwennig kijken. Zie die Dirk van Soom eens acteren. Staat de boel in ogenschouw te nemen, zet breed zijn borst op, dat de mensen hem zouden aangapen. Vertrouwen inboezemen, heet dat. Stemmen ronselen. Wat denk je, gaat hij hier een relletje schoppen? Gaat hij het woord willen voeren? Hij is hier niet eens uitgenodigd - hij komt hier onuitgenodigd aanzetten en wil dan de massa toespreken, kan dat zomaar? Wat denk jij?'
'Zoals je ziet, ik kom ook pas aan. Net op tijd. En de cameraploeg van de collega's is er ook... Ik denk dat dit een vies betoginkje wordt. Daar houden de mensen niet van. Slecht voor de naam van Zevenbergen. Willen eerst een perfect legitiem bedrijf als McDonald's buitenwerken wegens zogezegd ge-sjoemel met bouwvergunningen en lokken nu de meest rechtse partij naar hun stad - van gedoogbeleid gesproken.'
'Wel ja, verdraai de feiten maar weer even. Breng de bevolking maar op de hoogte. Is dat journalistiek?'
'Maak je niet druk, Servaas. Elk zijn opinie, elk zijn publiek. Ho ha.'
'Dat begint langzamerhand naar samenheulen met de vijand te ruiken, beste Bavo. Trouwens, wie heeft die Bloedmensen naar hier gehaald? Wie heeft die verwittigd?'
'Ze lezen allicht jouw krantje, Servaas. Hè hè. A propos, waar staat je nieuwe auto waar de hele Rand het over heeft? Ha woha. Ajuus, man. Ik moet werken.'
En weg was de sterreporter, zich een weg banend naar Dirk van Soom die meteen ernstig en welwillend in zijn microfoon begon te articuleren. Servaas en Edith stelden tot hun ontzetting vast dat camera's en spots gericht werden op personen die hier duidelijk profijt wilden trekken uit andermans miserie. Terwijl zij om wie het te doen was, nog geen kans van spreken hadden gehad... Maar de indringer had buiten de waard gerekend. Die dacht niet aan zijn klandizie, maar aan orde op zaken in zijn lokaal. Pijnlijk scherp, als in slowmotion, zag Servaas hoe een cordon sanitaire van vakbondsmensen met groene en rode vlaggen naderde en, weliswaar geweldloos, begon te scanderen: 'Op de bres, te-gen-'t-fast-food; op de fles, de-jon-gens-van-'t-Vlaams-Bloed.' Verder tumult werd voorkomen door een snelle interventie van het stel agenten dat de optocht ging begeleiden; met een korte stoot van de sirene werden de oproerkraaiers op andere gedachten gebracht. Die van het Bloed stonden verbaasd met de hand op het hart elkaar ervan te overtuigen dat zij niemand geprovoceerd hadden; hun leider, Van Soom, probeerde tevergeefs weer de aandacht te trekken van de pers, die om voor de hand liggende redenen momenteel bezig was de organisatoren te interviewen. Als honden aan een leiband stonden de twee groepen tegenover elkaar, slechts gescheiden door de denkbeeldige macht van een wetsdienaar.
Servaas bedacht dat hij niets meer gehoord had over de verkoop van het Zevenbergenfonds. Het ging allemaal veel subtieler in zijn werk: niet met slaande deuren, maar met een 'toevallig' interview die zaterdag met Vincent Dhooghe op de economische pagina's van het Dagelijks Nieuws, zijn eigen krant. Dhooghe had het niet alleen over positieve bedrijfsresultaten gehad, maar had op het einde van het gesprek ook kort geantwoord op de vraag wat hij van de onrust in en rond de Mediavallei vond. 'Het is altijd betreurenswaardig als er banen sneuvelen,' verklaarde de manager. 'Maar ik vind het wel bizar dat men tegen het creëren van arbeidsplaatsen zou gaan betogen. Ik zie niet in wat de inplanting van een McDonald's bij de Ring voor uitstaans heeft met het lokale horecagebeuren dat zich kilometers verderop aan een marktplein situeert. En evenmin wat dat voor gevolgen kan hebben voor een instelling als het Zevenbergenfonds.' Daarmee was alles gezegd, en natuurlijk ook niks. Over eventuele overnameplannen geen woord. Maar Ines de Genode, de dochter van de baron, had geen duidelijker boodschap kunnen achterlaten. Wat ze ervan vond dat Servaas vertrouwelijke informatie naar buiten had gebracht, deed niet eens terzake. Misschien had ze het zo zelfs gewild en kon ze zijn verraad als de spreekwoordelijke druppel gebruiken. Haar verontwaardiging dat haar eigen huis zich vereenzelvigd had met het rapaille kon niet anders dan gespeeld zijn. Nou ja, zo stelde Servaas het zich voor. Ze had nu in ieder geval argumenten tegen zijn beleid in handen; dat hij zijn belofte dat hij de Bode een paar supernummers zou bezorgen, op die manier beslist niet hard maakte. Maar ze kon denken wat ze wou. Hij kon niet meer terug. Hij, de man die zich nooit achter vaandels schaarde, omdat dat in deze tijd toch niet meer kon; hij, de man die nu desalniettemin als in een soort déjà vu ervoer wat de kracht van de groep was: niemand zou hier alleen ooit deze tocht hebben durven beginnen. En wie er nog uit wou, durfde niet meer - dat was ook gezichtsverlies. Het was trouwens te laat daarvoor. Schokkend was de stoet op gang gekomen; voor de deelnemers het goed en wel beseften zagen ze vooraan, tussen de vlaggen van de syndicalisten door die strak stonden in de alsmaar feller jagende wind, al het geflits van de majorettesticks in de verte verdwijnen. Ondanks het geschetter van de fanfare, dat in flarden doorkwam, zat er een domper op de stemming. De dreiging in de lucht leek de indruk van grimmigheid op de gezichten nog te versterken. Servaas en Edith wachtten een poos, tot ze een bekende zagen met wie ze mee konden opstappen. Toen ze het Bloed zagen aanschuiven, wipten ze gauw met de senioren mee.
''t Ziet er niet goed uit,' zei Robert de Burchgraeve bedrukt.
'Nee, dat wordt onweer,' beaamde een dametje dat Servaas en Edith verder niet kenden.
'Letterlijk of figuurlijk?'
''t Hangt ervan af hoe je het bekijkt.'
Het zwart aan het zwerk kwam inderdaad dreigend nader. Bliksemschichten aan de einder werden na een paar seconden opgevolgd door een rake slag. Maar het was niet ver naar de wei aan de Klaproosstraat. Toen de majorettes al aan een nummertje pas op de plaats begonnen waren, was het staartje van de optocht net van de carpoolparking vertrokken. Vanop zijn strategische plaats zowat in het midden, schatte Servaas de opkomst toch ruim op zo'n vijfhonderd man, onder wie minstens een vijftigtal hele jonge kinderen. Toen de eerste, zware druppels neervielen, werden ze bijgehaald door nog een delegatie van de Bode. Sander en Sarah, licht opgewonden door het hollen, deelden hun laatste vlugschriften uit aan de oudjes.
'Het lijkt wel een begrafenisstoet,' hijgde Sander.
'Dat komt natuurlijk door de komst van het Bloed,' antwoordde Sarah. 'Mijn vader had er nog voor gewaarschuwd dat er wel eens een tegenbetoging van kon komen.'
'Zei hij dat?' vroeg Edith. 'Maar dan dacht hij wellicht meer aan een reactie van een of andere middenstandsgroep dan van een politieke partij.'
'Nee, dat had hij nu ook niet voorzien.'
'We hadden er allemaal wel aan kunnen denken,' zei Edith. 'Nu lopen we hier eigenlijk voor aap. Ook al hebben we allemaal een vleugje racisme in ons, hiermee willen we toch niet worden gezien.'
'Vreemd hoe een paar vlaggen de sfeer kunnen veranderen,' mijmerde Robert de Burchgraeve. 'Dan heb ik het niet over die vakbondsvlaggen, maar over die denkbeeldige, die hier ergens achter ons wapperen. Dat doet me denken aan '44, toen...' Maar hij ging niet verder.
'Ze zeggen dat het vanuit de Ville de Gand zou zijn dat het Bloed lucht heeft gekregen van de manifestatie,' opperde Sander. 'Niet dat Mariette Bulté er iets mee te maken heeft, maar ja, ze zet natuurlijk geen klanten buiten. Stef Ollieux komt er al eens eten en dat is een notoir aanhanger van het Bloed.'
'Het maakt ook weinig uit,' zei Servaas. 'Gedane zaken nemen geen keer.' Zijn hele deelname aan de affaire, het was eigenlijk één sof. De euforie van de vergadering van 's vrijdags de week tevoren was ver zoek. Het stelde hem teleur dat lang niet iedereen die toen aanwezig was, was komen opdagen. Waar was Tine? En Carolien, en Janet Claeyssens? Ach, hij begreep het wel. O ja, er was nog iemand die hij de hele tijd gemist had - nu wist hij ineens wie. Elke. Elke de Prins, die alle mensen hier verzameld zowat persoonlijk kende maar zich duidelijk niet wilde laten zien. Wat moest hij daarvan denken? Vooraan begon een megafoon te reutelen. 'Kom mee, mensen, het zeepkistenhalfuurtje begint. We gaan iets dichterbij, dat we horen wat er gezegd wordt.'
Het was of alles ineens in een stroomversnelling kwam. De regen, die voorlopig nog te harden was, deed mensen jekkertjes bovenhalen en paraplu's opsteken. Niemand lette echt op wat hen toegeroepen werd; Benny Catoir richtte zijn hoorn wisselend op de linker- en de rechterhelft van het publiek, de wind deed de rest en joeg flarden nu eens die, dan weer die kant op. Terwijl Servaas, Edith en hun gevolg zich, overal excuses mompelend, door de massa wrongen, hoorden ze zinsneden overwaaien als '...veiligheid van onze kinderen... ...in het frietvet gesmoord... ...stormenderwijs door onze straten... ...elk individueel een keuze... ...de elite van de massa...' Het leek een bizarre toespraak, maar voor zich uit hoorden ze toch een zwak applaus en toen was het de beurt aan Marcel Helewaut om de menigte toe te spreken, aan het gekraak en gefluit van de megafoon te horen althans. 'Makkers, kameraden, we zijn hier samengekomen...'
Voor hij veel verder komen kon, begon er achter de hoofden een andere nasale stem zijn propaganda te sproeien. Iedereen draaide zich om om te zien waar de stoorzender vandaan kwam; paraplu's raakten in de war en her en der rees gedempt gevloek om straaltjes water dat in halzen begon te lopen. Ze hadden het kunnen denken: Dirk van Soom van het Bloed had een krachtiger hoorn en maakte daar dankbaar van gebruik om de rode vakbondsman het woord te ontnemen. 'Sorry, mensen, maar voor we hier uitgeregend raken wou ik dringend van de gelegenheid gebruik maken om jullie te bedanken voor jullie talrijke opkomst. Jullie zijn een voorbeeld voor de Gordel dat jullie opkomen voor eigen...' Op dat ogenblik werd het gezicht van de politicus spookachtig verlicht en zijn woorden kracht bijgezet door een imposante donderslag die tot diep in de maag voelbaar was. Bijna telbaar nu nam de neerslag toe, zodat de mensen, eerst woedend om of benieuwd naar de interventie van de onverlaat die het comité vooraan zo durfde te onderbreken, voelbaar onrustig werden. Langzaam werd iedereen duidelijk dat het onweer de proporties van een wolkbreuk aan het aannemen was en paniekerig begon de massa zich in alle richtingen een uitweg te banen. 'Kalmte, mensen, kalmte,' hoorde Servaas nog heel even de stem van Marcel Helewaut boven het rumoer uit, maar daarna zwegen de megafoons voorgoed en was het elk voor zich. Moeders gilden om kinderen die begonnen te huilen, vaders riepen naar hun gezin, als angstige dieren stortten de betogers zich op elkaar om toch maar als eersten van de drassige wei af te kunnen. Modder spatte op, mensen gleden uit, sommigen die te veel opzij gedrukt werden raakten verstrikt in het prikkeldraad dat ze met bloedende handen van zich af probeerden te duwen. De regen kwam met bakken uit de hemel neer. Servaas oordeelde dat het raadzaam was om zich beter niet in al dat geweld te storten en keek om zich heen. Er viel nauwelijks iets waar te nemen door het watergordijn. Hij zag alleen Edith, die hem drijfnat en met haar dat tot in haar ogen plakte, donker aankeek. Alsof ik er iets aan kan doen, dacht hij. Om het moreel wat op te krikken, schreeuwde hij haar toe: 'Je ziet er net uit als een verdronken parkiet.' Maar ze kon er niet om lachen. 'Kijk naar jezelf,' kreet ze. 'Ik wil hier weg. We kunnen hier niet wég.' Er is maar één manier, dacht Servaas, en dat was over de wei, terug naar de steenweg. Daar was nog een opening in het prikkeldraad, dat had hij daarnet gezien. 'Kom mee,' riep hij, pakte haar beet en begon de andere kant op te rennen. Vlug ging het niet, maar zompend en slalommend om plassen waar belletjes op stonden, boekten ze toch vooruitgang. Er waren nog anderen die hetzelfde idee hadden gehad, maar door de slagregen was iedereen onherkenbaar. Om de zoveel tellen stond het veld onwerelds in lichterlaaie en beukte een geluidsgolf op de trommelvliezen.
Toen ze de steenweg bereikten, was het maar een paar honderd meter meer lopen naar de parkeerplaats. Edith nam voorsprong in het tumult van ouders die met kinderen op de arm of aan de hand voor hun voeten liepen; ze sprong over meterslange plassen en arriveerde als eerste bij de auto, stampvoetend en klappertandend van primaire emotie. Toen Servaas er aankwam, was het eerste wat hij zag de krassen. Een enorme kras over de motorkap, en nog een opzij, meterslang. Als van de hand Gods geslagen bleef hij staan kijken. 'Maak open,' gilde Edith terwijl een nieuwe donderslag boven hen de hemel openscheurde. Servaas nam een fractie van een seconde de tijd om adem te halen. Het had geen zin nu die schade op te nemen, hij trad in actie, probeerde zijn sleutel in het gat te krijgen, liet de bos vallen. Het leek een eeuwigheid te duren, met op de achtergrond het gejammer van tientallen mensen die hun auto's opzochten, geklapper van deuren, motoren die gestart werden. Toen Servaas zich eindelijk naast Edith op zijn stoel liet vallen, stond er voor zijn neus in het regengordijn al een kerel te toeteren. Gekkenwerk.
Naar adem happend zat Edith naast hem te luisteren naar het geroffel op het dak. Ze weerde hem af toen hij haar het haar uit de ogen probeerde te strijken. Even keek ze hem aan alsof ze hem aan zou vliegen. Maar toen zuchtte ze en begon ze hikkend te lachen.
'Met die betoging zal het wel afgelopen zijn.'
'Ja.'
'Wat is er?'
'Hm. Heb je die krassen gezien?'
'Ja, ik heb die krassen gezien. Nou niet aan denken.'
'En al dat nat op dat leer. O, Jezus. Waarom?'
|
|