Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel

Het concert des levens

Joris Note

als ob ich fröhlich sei

De hemel werd bleek en de maan verdween. Op een vroege augustusmorgen stierf Aimée Verstraelen in haar slaap. Een ziel fladderde naar de Allerhoogste, die moest toegeven dat het zeer goed geweest was. Ze had Hem op velerlei wijze gediend. Als schooljuffrouw leerde ze de kinderen lezen en schrijven en bidden. Ze lachte dikwijls. Ze droeg opgewekte jurken, fel gekleurd en glanzend. Ze schilderde, ze zong. En ze bakte. Wie bij haar over de vloer kwam, kon bij de koffie kiezen uit twee of drie soorten zoetigheid. De rijstvlaaien van Aimée. Haar mattentaarten, haar appelflappen, haar flan. Haar biscuit, met dikke lagen crème au beurre. Chocolademousse, bijgenaamd koninginnentaart, bereidde ze met overdadig veel eieren, smeuïg en kleverig, uiterst machtig voor de maag; de grote kom was rondom gegarneerd met lange vingers.
Toen Frederik voor het eerst aan haar tafel zat en haar het genoegen deed drie stukken te eten, dacht hij terug aan de tijd dat hij als student boven de brood- en banketbakkerij van Jonas en Leentje woonde. De houten deurknop had de vorm van een baguette. Om drie of vier uur 's nachts toog Jonas aan het werk, het gebeurde dat Frederik hem ontmoette na een uit de hand gelopen kroegentocht, en om negen uur nam hij zijn ontbijt, onveranderlijk een enorme omelet. Na sluitings-tijd kwam geregeld Leentje naar boven met overgebleven soezen of taartjes. Ze bleef dan wat hangen om haar kostganger te onderhouden over het harde bestaan ener bakke-rin, men moest het stellen met een man die sliep en waakte op de verkeerde uren. Tenzij hij er de kantjes afliep, zoals Wittockx, die leverde dan ook geen vers brood voor het middag was; dat zou niet lang duren. De echtgenote van de ijverige Veldeman daarentegen had in de winkel te nauwe kennis aangeknoopt met een wulpse werkloze, ergens tussen de pistolets en de sandwiches had ze zich laten beboteren, en nu was ze ervandoor. Ik kan dat niet goedpraten, Frederik, maar ik begrijp het, jongen. Terwijl Leentje dat zei, zittend op de bedrand, liet ze zich diep en hoog bekijken. Het koppel had geen kinderen, je weet niet wat wij moeten missen. Maar meer gebeurde er niet. De ongetwijfeld appetissante navel van de vrouw van de patissier heeft Frederik nooit gezien.
Aimée stierf in een ziekenhuisbed, zonder iemand bij haar, maar tot daags voordien was ze geknuffeld door Louis. Hij had voor haar gezorgd, sinds haar geest aan het dwalen sloeg, jaren, had haar opgedirkt en meegenomen naar feestjes, was met haar blijven spreken alsof ze alles begreep. En misschien begreep ze alles, van hem toch, onmerkbaar. Toen ook haar lichaam het begaf, ze zakte door haar benen, zat hij naast haar en kwebbelde over als ze weer beter werd en naar huis zou komen. Hij ginnegapte vriendelijk tegen het verstarde gezicht en bepotelde haar amoureus. De meeste bezoekers keken droevig, de verpleegsters verbaasd, maar Louis bleef monter schijnen. Het kwam in orde, vandaag was ze al wat beter, haar zinnekens zouden wakker worden, hij zou gearmd met haar de grijze kliniek verlaten. Onverhoeds stonden zijn ogen soms vol tranen. Neenee, ik voel me prima, merci, alleen een beetje moe. Dit moet nu de liefde zijn, dacht Frederik, hij durfde Louis niet recht aan te kijken. Aimée stierf met kussen overdekt. De dood moest 's nachts zijn kans grijpen, en dan nog schrok hij van de sporen, een zuigvlek, een opgedroogde druppel speeksel, tekenen van streling.
Toen hij weer eens bij Aimée op de koffie was, las Frederik, bij wie alles door de boeken ging, haar voor uit Streuvels' verhaal over Jantje Verdure, het verschrompelde bakkertje met het kreupele kind en de tirannieke vrouw en de kwade tuimen, het brave ventje dat een duivel in het lijf had. Het bleek maar een duivelken te zijn van de kleine soort, een zwart beestje dat bij stonden veranderde van gedaante: nu eens was het iets als een hondje met zwijnssnuit, dan weer een konijntje met vlerken, een vogelken met een hoedje op, eene spin met hoornen, een duizendpooter, een koolbrander, een eekhoorntje, of een vreemde gedaante die op niets geleek en waar hij geen naam aan geven kon, - maar altijd iets met vinnige oogen, dat op hem te loeren zat en zijn steertje wikkelde. Aimée nam het heel serieus maar geloofde het niet, een mens die bezeten was, dat druiste in tegen haar klaarheid. Misschien geloofde ze niet eens in de duivel, zijn tegenvoeters waren haar te vanzelfsprekend. In alle kamers van het huis hingen her en der haar eigen schilderijtjes, idyllische landschapjes, tafereeltjes met kinderen. Er stond een jongetje voor het raam, naast hem een engeltje, even klein maar met twee vleugels; het heeft zijn linkerarm warm om de schouder van het kind geslagen en wijst met de rechterhand naar de schitterende sterren. Frederik herinnerde zich het oude versje: 's Avonds als ik slapen ga, volgen mij veertien engeltjes na: twee aan mijn hoofdeind, enzovoort, twee die mij dekken, veertien, wat een veiligheid, en tenslotte twee die mij wijzen naar 's hemels paradijzen, hij werd zeer nostalgisch. In de hal hing iets met vogels, het leken vage meesjes. Twee jongen in een nest, een grotere vogel zit terzijde, zeker de moeder, een andere komt eraan met een worm voor de gesperde bekjes, 't is vader. Aimée lachte, je zit zo te dromen, neem nog een stuk, en er is nog, neem wat mee naar huis, misschien krijg je straks weer honger. En ik, dacht Frederik, o, en hij dacht aan zijn eigen moeder, mijne moeder, die niet blij was. Boven de voordeur zat een inscriptie, Anno 1917, hoe gerust van gemoed waren de bouwheren wel, men had dit huis gezet terwijl de grote oorlog woedde, het paste uitstekend bij Aimée en Louis.
Een andere keer vertelde Frederik over de bakkersgast die een koningsdochter uit een rovershol verloste; een bedrieger drong zich in zijn plaats, gaf zichzelf als redder uit en verwierf haar als bruid; op de dag van de bruiloft kwam de bakker in het paleis met taarten waarop hij in suikergoed de werkelijke gang van zaken had uitgebeeld, en zo kreeg het meisje toch nog de juiste gemaal. Dat vond ze ontroerend, Aimée.
Zij speelde piano, en een enkele keer haalde Louis zijn viool tevoorschijn en voerden ze een duet uit, een stukje Bach. Maar zij zong vooral, aan de piano en overal en in alle houdingen. Ave Maria van Schubert, en Ich weiß nicht was soll es bedeuten. En het weke oubollige lieve Vlaamse repertoire. Door mijn woning speelt een zonnig licht, wees mijn zoetste troost, frisse levensbloemen, krachtig kroost. 't Zijn weiden als wiegende zeeën. En wie zal er ons kindeke douwen? Van de schlagers op de radio negeerde ze de idiote tekst, ze verving hem door de namen van de noten, dat kon ze moeiteloos. Als moeder zong, was heel het huis in vreugde. En op familiereünies, en in de kerk.
Schoksgewijs was ze de woorden verloren. Rita vroeg naar een recept, en ze wist het wel maar kon het niet zeggen en huilde een beetje. Hoe was de vakantie? Goed - maar ze kon niet terugvinden wat ze gedaan hadden, ginds, daar - waar, in welk land? Goed - zelfs dat kon ze later niet meer uitbrengen, ze zei alleen nog ja en nee, willekeurig. En geen namen meer, bij begroetingen lachte ze, uit hoffelijkheid, om te tonen dat ze aanwezig en aandachtig was, ze wilde graag aan de verwachtingen tegemoetkomen, ze lachte heel hard. Het bakken lukte niet meer en de piano vertrok uit haar vingers. Maar alle liederen die ze gekend had, bleef ze kennen, iemand hoefde maar Kempenland aan te heffen of Wilt heden nu treden, zij zong het vervolg. Zolang het kerkkoor bij zijn oude nummers bleef was zij er de pijler van. Geen uitvaartmis zonder haar, de doden van de buurt hadden niet in hun graf gewild. Haar stem klonk zuiver boven de anderen uit, zorgvuldig articulerend. Ze veranderde in louter muziek. Een beproefde, aangetaste mens met een lied.
Frederik van Cauwenbergh is haar schoonzoon, hij is getrouwd met Rita, haar jongste dochter. Hij bezocht haar niet vaak, die laatste weken, verdroeg de aanblik niet. En Frederik was geen zanger. Louis en zijn kinderen bestormden moedig haar pantser, altijd liedjes, die minder en minder groots werden - Wij zijn de mannekens van plezier, Zichem dat is boven! Het plezier schrijnde nogal, en het zag er absurd uit, dit frivole gezelschap in een ziekenkamer, maar ze wilden haar met alle macht vasthouden. Soms zong ze nog mee, heser nu, stemloos, aamborstig. Vaker sloeg ze slechts de maat, of zelfs dat niet. Ineens gluurde ze weer guitig naar Louis, en hij nam haar hand. De deur stond open, ginder ver op de gang lag er een die het onverstaanbaar uitbrulde, ook heel ritmisch. En in nog een andere kamer lag een vrouw die haar bedeesde en bezorgde man aanhoudend voor zeikerd en klootzak uitschold, ten aanhoren van iedereen, en hoe durf je hier nog binnen te komen na alles wat er gebeurd is, zwijg, ik heb reden genoeg. Dat was toch allemaal erger dan de stilte van deze beminde. En toen ze dan dood lag, was alle dwaasheid en verschriktheid uit haar trekken geweken. Alsof ze gereed is om opnieuw te beginnen, zei Rita.
In de lijkdienst vergeleek de priester de gestorvene met de vogelen des hemels en de leliën des velds, hoewel zij de zorg voor kleding en voedsel toch niet aan de hemelse Vader had overgelaten. De maaltijd achteraf was in haar geest, bood naast de broodjes met ham en kaas een brede keur aan geglazuurde en gevulde koeken, alom suiker en gekonfijte kersen en chocola en krenten en pudding. Al zwelgend prezen de gasten Aimées gulheid en goedmoedigheid, kundes en kunsten. Frederik maakte kennis met een verre achterneef van haar, een korte dikzak met lange handen en een listige bril, Pablo de Sutter, de voornaam wees naar een Argentijnse moeder. Hij was pianist en musicoloog, genoot een zekere faam als begeleider van liedzangers, en spendeerde veel tijd in grote Europese bibliotheken; daar verdiepte hij zich in de oorspronkelijke partituren van bekende en onbekende negentiende-eeuwse werken, die hij naderhand wetenschappelijk editeerde. Dat vertelde hij allemaal uit eigen beweging, gretig. Ten behoeve van Louis beweerde hij dat Aimée beslist een professionele zangcarrière had aangekund.
Toen er na de koffie cognac ter tafel kwam, werd de conversatie protserig en ruig. Pablo bracht details over Schuberts liefdesleven. Er was een oom die de romantiek misprees, geef mij maar de fiamminghi. Als ik het eens radicaal filosofisch mag stellen, balkte hij, polyfonie is het beste middel tegen racisme. Maar Eric, Rita's broer, zelf leraar aan een muziekschool, had ergens gelezen dat de componist Nicolas Gombert aan het hof van Karel V in ongenade gevallen was omdat hij een koorknaapje verkracht had. Zeveraar, dacht Frederik, godweet is het waar, maar heeft iedereen niet genoeg aan zijn eigen kwaad, waarom niet? Er heerste in die dagen een verstikkende opwinding over vermoorde onschuld, men ijverde voor de algehele afschaffing van de slechtheid, menen en oordelen was een lieve lust geworden. Die Gombert mocht op een radioboycot rekenen.
Tegenover deze uitbundige wijsheden en wetenswaardigheden kon Frederik met weinig uitpakken, hij had oppervlakkig en enggeestig gestudeerd, schreef moeizame verzen en gaf stroef en deeltijds les, voelde zich amper de schim van een maatschappelijke burger. Er werden adressen uitgewisseld, de muzikant beschikte over een heus visitekaartje, maar het werd nooit teruggevonden, later, want Frederik was vrij dronken geëindigd. Tot ziedende woede van Rita. Op de begrafenis van mijn moeder!

2.

Ze is zeker geen moeilijk mens, Rita, veeleer een soort volledig herziene uitgave van Aimée. Maar daarom juist. Zij treurde, en Frederik, zelf sinds jaar en dag verweesd, bevatte die treurnis niet. Want zijn schoonmoeder had toch bijna de tachtig gehaald, dat was hoe dan ook een tijd van vertrekken, zo was de loop des levens, en patati en patata: verstandige praat, dom en harteloos, hij wist het maar kon het niet laten. Zo kroop deze dood besmettelijk en giftig in hun organen. Ze keken onbegrijpend in onbegrijpende ogen, in hun al te brede bed lagen ze met de ruggen naar elkaar. Het was een voltrekking van sinds lang aanwezige, langzaam gewassen afstand.
Rita's gewone blijmoedigheid, die nu haperde door de rouw, uitte zich niet in de olieverf en de oven en nauwelijks in gezang. Maar de natuur! Ze raakte nooit uitgemijmerd over de tuin van haar grootouders, waar ze zomerslang gezeten en gelopen had tussen de boontjes en de bloemen en de vlucht van de vlinders. In plaats van vlinders zei ze graag pimpels, en zo kon Frederik ook weer mee, het klopte, zo noemden ze dat in haar streek; elders spraken ze van bijvoorbeeld flikketeer, mottevijvere, wiewouter. En fliefflodderke natuurlijk, Gezelle, Kom e' keer, fliefflodderke, dat kon hij reciteren - 't wipte, 't wupte, 't en wachtte niet, en 't liet mij alleene zijn... Alleene ja, Rita luisterde niet. In haar vrije tijd, ze had een drukke baan in een kinesistenpraktijk, maakte ze lange wandelingen met een vriendin, en in de zachte maanden zorgde ze neuriënd voor haar eigen balsemienen, hortensia's, floxen, heliotropen. En voor de vlinderstruik. Zij vloog Frederik helemaal te hoog. En nochtans, ook dit staat geschreven, hij die niet om een bloem geeft is verloren voor alle liefde en voor de vreze Gods.
Meer nog dan vroeger werd Rita de lievelingsdochter van Louis. Ze ging vaak naar hem toe, 's avonds, hij had dan last van verlatenheid. Ze bekeken samen oude foto's en herhaalden verhalen. Op een keer gaf hij haar een handvol sieraden van de dode. En de anderen, papa? (Haar zussen, haar schoonzus.) Nee, zij krijgen later wel wat, jij lijkt zo op haar, die dingen horen bij jou. Maar hij is geen flauwe man. In zijn sentimentaliteit bleef hij zakelijk: Rita moest niet alleen een paar herstellingen en aanpassingen laten uitvoeren, ze moest van de hand doen wat haar niet beviel, en koop daar iets nieuws voor. En hou het stil, ze hoeven niet alles te weten. Ach, het lekte uit, hoe kon dat nu. Op de verjaardag van Louis lispelde Eric stuurs over verhaaste erfenissen, de zussen Hilde en Mirjam gromden dat zij zich het hardst voor hun moeder hadden uitgesloofd, en zij hadden zelf kinderen. Louis antwoordde dat zij dichterbij woonden, en ze hadden het toch zeker niet gedaan om iets te krijgen, en wat kwamen die kinderen erbij doen, en hij mocht weggeven wat hij wilde, begot. Rita en Frederik zwegen, je kunt je niet verantwoorden voor wat je krijgt. Toen de anderen weg waren, meende Frederik te moeten opmerken dat ze eigenlijk wel gelijk hadden, papa: Wij hebben daar geen recht op. Recht, wij, hoor hem! Nu werd Louis pas goed kwaad: Jij hebt er niets mee te maken, het is voor haar! Zo werd de schoonzoon onverwachts eens op zijn voorziene plaats gezet, een bijwoner mee-eter onderkruiper.
Hij sliep slecht.
Midden in de nacht ontwaakte hij, steeds weer, en dan was zijn wanhoop niet erger dan anders maar minder amorf en daarom ondraaglijker. Stekende formules kwamen met grote precisie en snelheid in hem op, op hem af. Ik ben de kleine misdaad van mijn brave ouders, dacht hij - waar kwam dat vandaan? Men had hem onweerlegbare verwijten gemaakt. Uw laatste brief was bot en lomp! Ik meen dat ik veel geduld met u heb betoond, maar dit doet de deur dicht! Als ik aan iedereen zoveel tijd moest besteden! Voelt u niet aan hoe kwetsend u bent, dat verbaast mij! Uw werk heeft ons helaas niet kunnen overtuigen, het komt erg zielloos over! Emotioneel bent u nooit volwassen geworden! U neemt het blijkbaar niet zo nauw met de reinheid! Ik zal meneer de directeur voor de keuze stellen, Van Cauwenbergh, u eruit of ik! Als u wilt kunnen we nog eens praten, maar dan als grote mensen onder elkaar! Meer kan ik niet voor u doen, ik ben geen ziekenverzorger! Nee, dat had hij ook niet nodig, maar waar waren de engeltjes gebleven? En dan die humorist: Woon jij gerust in dat boerengat, ik blijf in Brussel, haha, ieder op zijn plaats! De engeltjes die hem de weg zouden wijzen.
De malle herinneringen, liggend op zijn linkerzij. Hij had een nieuwe jeans gekocht, die leek iets te lang, maar de verkoper adviseerde om hem niet te laten inkorten voor hij gewassen was. Trouwens, meneer, als je kleding koopt moet je die áltijd eerst wassen, dat doe ik altijd, want je weet toch nooit wie dat allemaal in zijn handen gehad heeft; zo zal ik ook nooit ijs aan een karretje nemen, want tussendoor gaan die venters wel eens wateren en dan kunnen ze hun handen niet wassen, en dan pakken ze weer een horentje, dat is toch vies, meneer. In een naburig dorp bezocht Frederik op een zondagmiddag het graf van een schrijver bij een oud kerkje, de beiaardier nodigde hem uit om mee in de toren te gaan, hij zou met zijn vuisten liedjes spelen, Klokke Roeland en 't Ros Beyaard, maar hij speelde iets anders dan hij zei, of de melodieën vergingen daarboven in het te dichtbije helse lawaai, in elk geval herkende Frederik ze niet en toen hij weer afdaalde viel hij bijna van de steile trap, bezeerde zijn hand aan ruwe steen. Zijn grijze eerste onderwijzer droeg altijd een hoed, ook binnen, en een stijve boord met twee vooruitpriemende punten. Waren dat vadermoorders, dat kan bijna niet, ik ben toch niet zo oud! Ooit had een jongen met zo'n boord zijn vader doodgestoken door hem te omhelzen, per ongeluk natuurlijk.
Had hij toch de vrede des harten van Jan Malbroek, die passeerde de nacht in een griezelkasteel en bakte pannenkoeken tegen de verveling, en er viel een knook in de pan en nog een enzovoort en op den duur stond daar een heel geraamte, maar Jan raakte niet van de wijs, hij gaf het spook te eten en ze speelden kaart. En het gelukkigste uur tussen avond en ochtend, dat was tussen een en twee, dan is alle kwaad van zijn macht beroofd, dan kun je zelfs de duivel een loer draaien. Zover bracht Frederik het niet.
Op een van zijn nachtelijke rondgangen vond hij het deelnameformulier terug voor de wedstrijd koetje kakt, georganiseerd voor een liefdadig doel. 'Een koe wordt op een vooraf afgebakend veld gejaagd. Dat stuk is in kleinere delen opgesplitst, die op voorhand aan de man gebracht zijn door leden van onze vereniging. Winnaar van de hoofdprijs is degene op wiens deel de koe haar eerste vlaai dumpt.' Troostprijzen voor de aangrenzende percelen; prijzenpot 50 000 frank; bij elke deelname recht op één gratis consumptie. De formulieren waren aan de deur verkocht, hij had niet durven te weigeren. Het evenement was al voorbij, kennelijk had hij niet gewonnen, of had zijn naam ergens uitgehangen? Waarom geneerde hij zich zo?
Hij droomde weinig in die tijd. Eens bevond hij zich met een groep in Zuid-Afrika, men wilde naar huis, maar om smokkel van diamanten te verhinderen moesten er eerst formaliteiten vervuld worden: een schriftelijk examen fysica. Het was minder lastig dan Frederik verwachtte, hij kon het, maar hij werd beschuldigd van gekonkelfoes en samenwerking met een vrouw, door tekens met de vingers. Handjeklap gespeeld. Hij vertelde aan anderen over de onterechte aantijging, maar ze besteedden er geen aandacht aan, tot zijn spijt, iedereen moest weten dat zijn goede naam was aangetast, dat wilde hij erg graag! Toen overwoog hij weer om te smokkelen, maar iemand zei dat het de moeite niet loonde, dat je die dingen ook kon vinden in de winkels thuis, gewoon, doodgewoon, simpelweg. Gewoon - daar had Frederik niet aan gedacht.
Lange stukken van nachten zat hij beneden in een fauteuil en luisterde door de koptelefoon naar muziek. Hij had een nieuwe opname van Don Giovanni, door Georg Szolti, die kort na Aimée gestorven was. Maar opeens begon hij overal waar stilte heerste zijn hartslag te horen, gedurig een stampend geruis. Na een paar dagen ging hij naar de dokter, er zat wat oorsmeer tegen zijn linkse trommelvlies, het werd schoonge- spoten, geen erg, en uiteraard had het niets met Don Giovanni te maken. Maar Frederik vergat het onveilige gevoel niet, en misschien had hij onbewust weer met het achtereind van een potlood in zijn oor gekoterd? Hoe dan ook, zoals meestal bij zijn kwaaltjes meende hij dat het zijn eigen schuld geweest was.

3.

Frederik en Rita waren habitués in een Antwerpse concertzaal. Ze beluisterden de cellovirtuoos die telkens weer met angeliek gelaat omhoogstaarde alsof hij visioenen kreeg. Bij het beroemde Beierse knapenkoor was Frederik alleen, en de koralen uit de passies van Bach waaiden kil door zijn hersens. Hij bleef tijdens de pauze in de zaal, staande met de rug tegen de muur. In de bijna verlaten ruimte, dicht bij hem, zaten naast elkaar twee meisjes. Geen moment hielden ze zich stil. Hulpeloos trachtten ze hun verschrikkelijk korte rokjes wat naar beneden te trekken, dan weer kruisten ze hun benen, of ze zetten hun voeten op de rand van de stoel voor hen, staken hun gesloten dijen omhoog naar hun kinderknieën. Blote voeten in zwarte schoenen met geraffineerde gaten, witte sokjes in bruine daim bottines. Hun verwonderde koeienblikken zwermden in alle richtingen, alsof ze belagers verwachtten, ze leunden tegen elkaar om houvast. Ze voelen zich niet thuis in gewelven als deze en ze durven niet wandelend met een glaasje tussen de massa te dringen. Om niet te zwijgen fluisteren ze toevallige woorden, ze tonen hun grote sterke tanden als ze trachten te lachen. Door hun gewriemel verschuiven hun kleren, ze slagen er amper in hun bloesjes laag genoeg te houden, al zijn hun armen te lang, daar scheurt iets, een knoop springt weg. Tussen deze bruine benen zou je dankbaar willen versmachten, die andere zou je met zeer tengere vingers kunnen spreiden. Ze lijken niet te weten waarom ze hier zijn, ze wachten op een wildvreemde, het is een straf. Elke elegantie ontbreekt hun, ze zijn onbehouwen en onvoltooid. Frederik kijkt even niet, dan ziet hij de deernen naakt. Hij ziet nu dat ze met al dat onge-durig beweeg er slechts op uit zijn hun geslacht te bedekken, maar daardoor woelen hun borsten in het opene, veel te dikke borsten voor hun schrille lijven, en hun donkere navel en reet. Luister, hij zal hen aanspreken, het zijn studenten in de rechten die aan cultuur wilden doen, ze nemen hem mee naar hun gemeenschappelijke kamer, daar wordt wel een glas gedronken, de ene knielt voor hem terwijl de andere hem, hij zal betalen... Na de pauze zongen de jongens genoeglijke en vrome Duitse volksliedjes.
Een paar weken later vond het liedrecital plaats, half november. Pablo de Sutter zou de vrijwel onbekende zanger begeleiden, van wie de aankondigingen meedeelden dat hij zich volledig toelegde op oratorium en lied, omdat hij 'wegens een fysieke handicap' niet in opera's kon optreden. Ze hadden er niet bij stilgestaan - die mens had wellicht een slechte rug, liep misschien moeilijk? Portretfoto's lieten niets vermoeden. En toen ze binnenkwamen schonken ze geen aandacht aan de eigenaardige constructie op het podium.
Zo kwam de schok hard aan. De trippelende dreumes die snel het gestoelte beklom, een volwassen man met een aardig gezicht - maar zonder armen, en met kleine handjes, abnormaal korte benen. Uit dit mismaakte lichaam vloeide als een wonder en met een superieure glimlach de bas-bariton. Romantische liefdesliederen kregen een ontstelde bijbetekenis, sommige stukken waren met heel bar sarcasme gekozen. Die alten, bösen Lieder! Het verhaal van de arme Peter die nagelbijtend de bruiloft van zijn beminde bijwoont en neerdaalt in zijn graf. Over de dwerg en de koningin, zij heeft hem versmaad voor de liefde des konings, en nu mag en moet hij haar ombrengen. Du selbst bist Schuld an diesem Leide! Nooit had de stem van de dwerg zo smerig en verscheurd geklonken. Hoewel ik eeuwig mezelf haten zal, alleen uw dood kan me nog bevredigen. Hij verdrinkt haar naar wie hij verlangt. An keiner Küste wird er je mehr landen. Frederik voelde rillingen door zijn armen heet naar zijn hoofd stromen, zweette heftig. Toen het applaus losbrak vluchtte hij naar de toiletten en gaf over.
Rita bekeek hem meewarig en hard. Hij bestelde een glas water. Tijdens het tweede deel liep hij killig op en neer voor het concertgebouw naast de razende auto's. Een die de kinderen doet schreien en de honden doet bassen. Deformed, unfinished, scarce half made up. Er waren twee bultenaartjes, de ene maakte het lied van de heksen mooier en ze ontlastten hem van zijn bochel; de tweede veranderde ook iets aan het lied, maar hij was minder muzikaal, de heksen vonden het een verslechtering, en ze gaven hem de bochel van de eerste, nu droeg hij er twee. De rammelkast, de knobbelvent, die 't hoofd omhoog moet steken.

In de krant zou overmorgen te lezen staan dat de uitstraling van deze enorme persoonlijkheid en de geweldige overtuigingskracht van zijn prachtige stem met haar sonore laagte en gemakkelijke hoogte onmiddellijk zijn gebrek deden vergeten. Onmiddellijk dan nog, zo werkte dat bij de werkelijke mensen, zij waren niet buitengebleven, zij achtten zich niet bedreigd, zagen zich niet gespiegeld.
Een jaar geleden had Frederik bloed in zijn stoelgang ontdekt, dat zouden ze onderzoeken. Eerst kreeg hij liters en liters te drinken van een onsmakelijk rozig goedje, om zijn darmen te ledigen. Met een slang drongen ze diep in hem door, verkenden hem grondig. Net voor hun indiscrete intocht gaven ze hem een spuitje, het diende hem slaperig te maken maar hij werd er vooral loslippig van, lag eindeloos te raaskallen waar hij te kijk lag. De internist was een vrouw, hij vertelde haar zijn angst en dat ze zo streng leek en dat ze een curieus beroep had, zo werd er ook wat zichtbaar van zijn ziel; achteraf wist hij er nog weinig van, gelukkig, maar hij was bezorgd dat hij ontoelaatbaar gesproken had, schaamde zich, overwoog zelfs om aan de dame een brief met excuses te schrijven. Overigens vond zij geen kwaad in hem. En veel langer geleden had een anale fissuur hem doen janken van pijn, hij fantaseerde dat hij een indiaan was met de naam Brandend Gat; de arts vond hem kleinzerig en pochte over zijn rijke jarenlange ervaring in de Kongolese brousse, welke daden had hij niet gesteld met primitieve middelen, en die zwarten klaagden niet zo rap! Van hem had Frederik een helende injectie in zijn hol gekregen, het had zich gedicht.
Toen het recital afgelopen was, liep hij naar de foyer. Rita zat bij een paar kennissen. Tot zijn opluchting en verrassing repte men niet van zijn smadelijke afwezigheid en nauwelijks van het optreden, deze melomanen namen de binnenlandse politiek door en verlustigden zich over een nieuw kindsterretje in het vrouwentennis, heb je die dijen gezien? Pablo de Sutter kwam binnen, hij droeg een diplomatenkoffertje, t'allenkant omstuwden hem feliciterenden, hij zette zich naast Frederik aan het tafeltje en aanhoorde nog wat bewondering, bewondering toch ook voor de zanger die tegen de vernieling in zo groots presteerde. Ja, die mist wel iets, grapte Pablo, maar daar schenken wij geen aandacht aan, nietwaar, wij zijn volwassenen, iedereen kan wat kwijtraken, en hij slurpte zijn wijn. Wist hij al van Frederiks aftocht, dat kon haast niet. Hij stelde dat je na het horen van een zeker lied van Schumann eigenlijk verplicht was om zelfmoord te plegen, en een ander stuk achtte hij 'waarlijk te intiem om beluisterd te worden'. Hij stal de show, men genoot van zijn verhalen en aperçu's, die snel de muziek verlieten en hakketakkend sprongen van een nieuwe theorie omtrent de identiteit van Judas Iskarioth, via het nazi-goud op Zwitserse banken en de schilderijen van Sebastian Stoskopff, over een opdringerig en onweerstaanbaar kamermeisjeskontje in München, naar de desastreuze droge en natte strapatsen van El Niño. Een renaissancegeest, dacht Frederik bitter, van alle markten thuis. Het beviel hem niets dat Rita deze keer zo vlijtig luisterde en lachte, en zelf een essay van Vestdijk over de verrader Gods ter sprake bracht en bloosde toen de speelman haar complimenteerde met de schrandere opmerking.
Het werd nog drukker en benauwder, hij ging weer eens naar het toilet, om water in zijn gezicht te gooien, bleef een poosje staan in de koelte. In de salon van Aimée en Louis hing een blauw-witte tegel met de spreuk:

Van het concert des levenS
Krijgt niemand een prograM

Het betekende vertrouwen - maak je niet te veel zorgen je hebt het niet in de hand er kome wat komt laat Gods water; voor Frederik echter was het een sombere waarschuwing, een advies tot vervaardheid.
Het gesprek liep nog heel geanimeerd, men bleek aan moppen toe. Een joodse dekenverkoper voerde als slogan 'Alleen onder dekens van Moos blijf je kinderloos'; een vrouw beklaagde zich omdat ze toch zwanger was geworden, maar ha, zij had onder een deken van Moos niet alléén gelegen! Vuil spel, zei Pablo. Hij pakte zijn koffertje, nam diep buigend afscheid - Rita kreeg een handkus - en vroeg Frederik even mee te komen. Fluisterend: Ik moet u iets laten zien, mijn vriend van papier. In een artiestenkamertje kwamen schatten boven water: drie bladen met sonnetten van Louise Labé, overgeschreven door Rilke, en een eerste druk van L'éducation sentimentale. Frederik geloofde zijn ogen niet, dat dit nog op de markt was, onbetaalbaar moest het wezen - toen las hij in het boek de beroemde driedubbele naam van een kunstminnende familie. Die deden zoiets niet weg! Pablo sprong verend rond hem als een plagend speelgoedduiveltje, grijnsde: Vivere pericolosamente! Hoe, waar, vroeg Frederik, maar het geestje schudde het hoofd: Iedereen kan wat kwijtraken, bespaar u de details - en ik hoef u toch niet te duchten, u, een liefhebber als ik, een amateur? En zegt u eens dat u dit prachtig vindt? Dit is prachtig, gehoorzaamde Frederik. Al boezemde de man hem weerzin in, hij kon er niets tegen doen, wilde dat niet. Waarom werd hij ingewijd, werd aan hem getoond wat aan bijna niemand getoond mocht worden? Juist daarom, natuurlijk, aan hem viel af te lezen dat hij onthutst zou zijn en waarderen en misschien benijden en verder niets ondernemen. Hij kreeg nog een cordiale klap op zijn rug en de permissie om te gaan, alleen terug naar de foyer. De vingermeester vertrok naar zijn hotel.
Rita stond op en ze reden weg. Zij had zich goed geamuseerd. Het was erg laat, ze paarden nog gauw, want dat scheen erbij te horen, na zo'n avond. De dag daarna spraken ze weer nauwelijks tegen elkaar. Ze verlangden naar een uitgestoken hand maar bleven stom.

4.

Dreef de rouw over? Het werd tijd om iets met de erfstukken te doen, vond Rita. Iemand had haar het adres gegeven van een betrouwbare en goedkope juwelier in het dorp Tielen bij Turnhout. Het was geen gewone juwelier eigenlijk: een ambachtsman die voor andere juweliers werkte, smedend en smeltend en slijpend en inkassend, enkel op rendez-vous bereikbaar, in een gesloten huis. Ze wilde een paar ringen laten verkleinen, de kostbaarste bevatte een nogal forse robijn met tien briljanten errond. De slotjes van een halssnoer en een bracelet werkten niet goed meer. In een kleine gouden broche stonden een zon en een vogel gegraveerd, een wazige zon met zes pareltjes en een vogel met een rood steentje als oog, niet meer dan fijne imitaties vermoedelijk; de speld moest gescherpt worden, hij raakte nergens doorheen. Enkele dingen waar ze niet van hield zou Rita laten schatten, misschien verkocht ze wat. Een buitengewoon lelijke camee, de afgebeelde vrouw had een te puntig neusje waaronder een snottebel leek te hangen. Een Engelse munt, gevat in een driedubbel lijstje dat kromgetrokken was. Frederik kon helemaal niets van dit alles echt mooi vinden; de waarde van sommige stukken kon hij desnoods begrijpen, niet beseffen. Het hoorde bij de meerderheid van de dingen in de wereld, zoals snelle auto's en verre reizen en voetbal en elektrische apparaten, de grote meerderheid die hem niet interesseerde. Maar hij werd vlijmend geil toen hij dacht aan de foto van een vrouw met moedervlek op de wang en ontzetting in haar ogen en een zware blote boezem en een parelsnoer puilend uit haar volgepropte mond.
Vanaf de tweede week van december nam Rita vakantie, en op woensdagmiddag reed ze naar Tielen. Frederik ging mee: hij zou een paar uur doorbrengen in een antiquariaat op de ring van Turnhout, De papyrusrol. Het adres had in een advertentieblad gestaan, met een paar kreten (Grootste Boekhandel Der Kempen! 50 000 Titels Ter Beschikking! Eigenaar: Poelmans Jan). Rita was goedgemutst, toen hij uitstapte gaf ze hem een aai, ze zou hem om halfvijf komen ophalen.
Een winkel kon je dit niet meer noemen, het was een hangar, een loods, waar vroeger godweetwat werd opgestapeld en die nu gevuld was met torenende boekenrekken. Achterin had Poelmans Jan een bureautje en hield hij zich bij twee kolossale tafels bezig met het ordenen en prijzen van vrachten pas binnengekomen waar. Hier en daar ritselde een klant. Waarom verzamelde men boeken, dit geborchte was hun voorland, als ze na de ure des doods al niet meteen versnipperd werden. Tenzij er kinderen waren om ze te erven. Het was de vulgairste, goorste droom van de gederailleerde en gedeprimeerde bibliofiel - als een pensenkermis, een breugeliaanse smulpartij, misschien niet erg lekker en gewis niet gezond, maar veel en vet. Een boerenbruiloft. Als Frederik voor het slapengaan trek kreeg, nam hij graag een boterham met kaas en een glas bier, en toen hij dat eens vertelde werd hij door zijn schoonzuster Hilde streng bekeurd: Je leeft zittend maar je eet en drinkt als een boer die de hele dag op het land wroet, dat kan toch niet - als wij 's avonds nog honger krijgen drinken we een beetje lauw water, dat helpt goed genoeg. Een beetje lauw water!
Hij baande zich een weg via de onbeholpen beschreven kartonnen bordjes (Nederlandse Letteren, Andere Letteren, Politiek En Geschiedenis, Heemkunde, Talen, Kunst...), keek en bladerde en las. Een Bijbelsch Woordenboek (de val van Adam en Eva was géén seksuele overtreding, juist als gevolg van die zonde ontstond een ongeregelde drang); een peperdure eerste druk van Nijhoffs Geschiedenis van den soldaat, met de tekeningen van Tytgat; een flodderige Tryntje Cornelis; de studie van Pauwels over Zuid-Nederlandse bloemnamen (over asschekruis bonjour-madameke goerieker konijnensalaad sinksenroos en vloeren stinkerke); een editie van het Kopenhaagse leven van Lutgard; getuigenissen over Theresienstadt (een SS'er deed een dwerg naar Auschwitz deporteren omdat hij het straatbeeld ontsierde); een bundeltje brieven van Walschap: Wij staan voor een vrije mens, een mannelijke man, die niets of niemand vreest of aanbidt, die lacht met alle verweking... Frederik hapte naar adem.
Op den duur verplaatste hij zich moeizaam met een stapel boeken. Toen hij zag dat het vijf uur was, besliste hij, zoals het veelal ging, om niets mee te nemen; hij zette alles terug, doorstond de vuile blik van de papiermarchand, en posteerde zich buiten om te wachten. Het was droog en donker en uithoudbaar koud. Hij overliep wat hij allemaal had kunnen kopen. Om zes uur werd achter zijn rug de zaak gesloten, Poelmans snelde woordenloos heen. Frederik kende geen naam of telefoon van de Tielense edelsmid en wist niet van wie Rita de tip had gekregen (van iemand op het werk, iemand die je niet kent, had ze gezegd). Die niets of niemand vreest. Jan Ongezag was trots omdat hij zeven vliegen in een slag sloeg, en Jan Nooitbenauwd pookte met het knuppeltje van zijn vader tussen de dansende skeletten zodat ze allemaal ineendonderden. Laat mij maar uit de wind blijven. Om zeven uur liep hij in de richting van de markt, kocht onderweg een zak slappe frieten en stapte op een van de laatste bussen naar zijn eigen dorp. Een meisje probeerde bij het slechte licht de Flair te ontcijferen, een jongen staarde van onder zijn walkman; verenigt u toch, siste Frederik. Een misverstand bij de afspraak allicht, maar dat geloofde hij zelf niet. Hij wist niet wat te denken en niet wat te voelen. Sometimes I feel, soms heb ik heuse menselijke gevoelens, doch heden toevallig niet. Nobody knows. Op een andere winteravond had hij aan het urinoir bij de hoofdkerk op zijn moeder staan wachten, uiteindelijk huiverde hij van de stank, en toen kwam vader: zij was plotseling onwel geworden, ze lag in het ziekenhuis - maar hij mocht haar niet bezoeken, na een week kwam ze thuis en leek helemaal niet ziek meer, was ze het wel geweest, wat hadden ze hem op de mouw gespeld.
Een leeg huis. Nu moest hij zich waarschijnlijk ongerust maken, vanaf nu ten laatste. Het lukte niet. Hij zat in een fauteuil en dronk jenever. Er was een kerel, die wilde een prinses redden die in een monster veranderd was, daarvoor doorstond hij het om zich drie nachten achtereen te laten afrossen door drie reuzen, en hij trouwde haar, maar hij maakte eens ruzie om een nietigheid en toen verzwond zij, zij viel toe aan de Man zonder Ziel, en pas als die zijn ziel terugkreeg zou ze bevrijd worden, en aldus geschiedde, het kwam allemaal goed. Beziet de arme echtgenoot, dacht Frederik. Maar eigenlijk hadden we geen ruzie. Of ben ik juist de Man zonder Ziel? Of zijn dat twee gedaanten van dezelfde persoon? Of ik ben de man zonder lijf.
's Morgens zei hij tegen de spiegel: Weggevlogen. Hij moest bellen, naar een of twee vriendinnen, naar Louis. Hij liet de gordijnen toe, maar ze waren niet zwaar genoeg, de lucht was opengegaan en een vriesdag drong in de kamer, met helderheid en auto's en een eendelijke hond, de geruchten en het licht bezeerden hem, en toen de deur van de badkamer kriepte gilde het ook in hem. Twee vrouwen die luid lameerden. Hij verstond de spraak van deze streek niet. Ooit, elders, kwam hij een schoolplein opgelopen en wilde spelen en verbroederen, maar de jongens hadden andere woorden voor rennen en gooien en bal en boekentas en knikkers en gulp. Alleen het verdriet en de verlatenheid van toen kon hij voelen, alleen in dat verleden had hij geleefd, leven was een bezigheid van vroeger, het was niet prettig maar het was herinnerenswaard en verhalenswaard, alleen dat van toen.
Hij zag niemand, niemand kwam hem zoeken, waarom zou men wel. Toen de beestachtigste misdadiger werd opgepakt, ondervroegen de reporters het volk uit zijn buurt, maar het kende hem niet, zijn sociale integratie liet te wensen over, dat zei al genoeg, dat getuigde van zijn monsterlijkheid.
Hij zou moeten telefoneren. Maar hij kon toch geen vader verontrusten, te vroeg nog. Een voorwendsel verzinnen? Ik kan niet liegen. Ze had niets bij zich dan haar handtas. Maar alles is te koop. Of zelfs naar de politie. Te vroeg nog, en wat zouden ze hem vragen, men werd onmiddellijk verdacht, die 't eerste riekt heeft 't eerst geflikt. Straks zou zij zelf bellen, misschien. Hij zou in beweging moeten komen.
Hij bleef roerloos. Probeerde te lezen. Sufte, zag lamlendig de wanorde in de woning. Als ze de huizen van de verkrachters en moordenaars leeghaalden, de gruwelhuizen heette dat, op zoek naar nieuwe lijken, en ze vonden niets, dan meldden de reporters dat er een onnoemelijke hoeveelheid troep naar buiten gebracht was, dat klonk als een beschuldiging, de goede mensen leefden zonder rommel. En dat verdachte huis in Tielen, het moest op te sporen zijn. Een dief, een heler, een witwasser van zwart goud. Vrouw van haar sieraden beroofd, en wat nog meer.
Janneke Tietentater die zo arm was dat hij met zijn wijf onder een mosterdpot woonde. Janneke Tietentater spaarde het leven van een viske uit het water, en toen mochten ze wensen doen, geld en meubelen, en een paleis zo fel blinkend van goud en edelstenen dat hun ogen ervan schemerden. Maar het wijf was oneindig onverzadigbaar en toen werd het viske kwaad en ze belandden weer onder de mosterdpot. Die eigenaardige woonplaats fascineerde Frederik indertijd, en de klanken, Tietentater en het water. Hij had een kind moeten hebben om het sprookjes te vertellen.
's Avonds dacht hij: als een die in den avond vaart. Hij zag opnieuw de film over de castraat, op televisie. Je hebt de dood in je keel! De broers die hun vrouwen delen, de ene geeft het genot en de andere het zaad. Het wezen zonder kloten dat vrouw noch man is, een stem als een kermisattractie. Het invalide jongetje wordt door de zanger naar zijn bed gedragen: Je n'ai plus de père, et vous n'aurez jamais d'enfant, n'est-ce pas? Décidons de nous choisir! Frederik dronk weer. Zij zou opdagen en drachtig zijn, als in een ouderwets doch excentriek kerstverhaal. Van al zo hoge, van al zo veer.
Hij droomde dat hij weer trouwde, met een vrouw die hij niet kende. Eerst moest hij een proef afleggen, hij moest vechten met een grote schelvis, die had reeds een stel andere huwelijkskandidaten van deze vrouw naar 't pierenland geholpen, zijn vader begon alvast een graf te delven. De vis bracht Frederik een lelijke knauw toe maar hij overleefde, het was niet zo moeilijk en de wonde genas snel. De historie kwam hem vertrouwd voor.
De volgende ochtend ging hij kranten kopen en ontbeet in een café, als een vrijgezel. Vastberadenheid kwam in hem op, hij zou de afwas van de laatste dagen doen en opruimen en stofzuigen, en dan zou hij nadenken in de fauteuil en maatregelen treffen. Zich vermannen. Maar toen hij thuiskwam zat zijn vrouw in de keuken, gebogen over de gewoonste der bezigheden, ze had prei meegebracht en maakte die klaar voor de soep.
Hij vroeg geen uitleg.
Ze zei: Ik heb gelogeerd bij iemand die je niet kent. Of eigenlijk, ik ben in een hotel geweest.
Maar dat lukt nog minder, zei ze, van geen kanten.
Klootzak, lachte ze, zeikerd.
Moest hij soms meer weten? Hij kon toch niet vragen of ze zwanger was. De juwelen!
Een deel had ze bij zich, de andere mocht ze over een paar dagen gaan halen. Verkopen deed ze niets. Dat kwam in orde.
Décidons de nous choisir, mompelde hij.
In elkaars armen vielen ze niet, niet direct. Ze schuwden overdrijving en waren slecht onderlegd in tederheid. Aan drama hadden ze helemaal geen nood, deze twee. Ze hebben het liefst dat er zo weinig mogelijk gebeurt.

Kerstavond brachten ze door in Rita's ouderlijk huis. Zij droeg de broche met zon en vogel, Frederik had aan de gescherpte punt gevoeld, en de ring met de robijn. Louis was verrukt en de rest van de familie was niet aanwezig om zich te ergeren. Ze gingen met z'n drieën naar de nachtmis. Er werd gezongen: Herders brengt melk en zoetigheid, de lieve Jezus ligt en schreit, Maria geeft hem suikerpap, de lucht vol schone engels vliegt. Bij de grote stal in de kerk stonden ouderwetse pleisteren beelden. Sint-Jozef had een kapotte hand, de moeder loenste een beetje, het wicht in de kribbe had een ferme haardos en zag er schoolrijp uit. Er is een kindeke geboren in 't stro, 't viel op de aarde, 't en had er geen buil. De stem van de gestorvene ontbrak, het koor klonk tamelijk vals, zij werd gemist. Er is een roos ontsprongen.
Zo kwamen we in het putje van de winter, de nachten duurden lang. Maar toen hij vergangen was, de winter, legden ze een mooie steen op het graf van Aimée. Louis leefde nog vele jaren. Van De Sutter hebben ze niets meer vernomen.

© Joris Note