Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel

Zuiden

Onno Kosters

dit zijn de verhalen die wij elkaar vertellen. Wanneer het langzaam, zo langzaam dat het steeds lijkt, nacht is. We draaien, muziek.

- Het is in de tijd, dat er niets gebeurt. Dat alles verdergaat en verder. Dat hij in de trein zit en de wereld ziet draaien, aan de horizon de wereld ziet draaien, alweer en opnieuw en alweer. Dat dan alles duidelijk is, dat de juiste smalle verhalen zich vormen.
Dan is hij thuis en hij zit en hij schrijft.
En dat het stokt.

In de glasbak glitteren donker de scherven.

- Zo ken ik iemand die dagelijks bijna een brief schrijft aan zijn geliefde, zijn zwarte Prinses, welke hij niet verstuurt. Ze verdwijnen telkens weer in de enveloppe zonder adressering - met haar naam, mét de datum, zonder adressering.
Waarna hij zit en ach, somber is. Hij zou haar wel iets willen vertellen. Hij zou die brieven uit zijn hoofd moeten leren. Maar ja, hij moet haar zijn hoofd uit leren.

- Iemand heeft hem vandaag verteld dat inderdaad alles altijd hetzelfde is. Toen hij dat verhaal las dacht hij maar de zee in te lopen. Natuurlijk bleef hij zitten, niemand in de coupé had er erg in dat hij overhelde.
- Hij loopt over de duistere straat, die glimt, duister onder de langzame regen glimt. Hij is wel erg alleen. Laat ik hem tegenkomen.
Op de avond die volgde op de dag die niet licht leek te worden, loopt een man door de Eerste van der Helststraat. Rechts is het Sarphatipark. Daar zit ik op een vlonder bij het water. Hij merkt mij niet op en ik kijk naar de fontein. Of: is een fontein nog een fontein wanneer geen water ook maar klimt? Ik zit daar en vraag mij af.

- Zo openen zich de verhalen en schuif je er langzaam in.

- Er loopt een man door de Eerste van der Helststraat. Hij lijkt gehuld in een lange jas, verder doet er niet zoveel toe. Het wordt een zwarte kerst, ha. Geluidloos lachen we en we weten niet dat we dat beiden om hetzelfde doen. Wie ben ik dan?

- De man staat stil op de hoek van het Sarphatipark en de Eerste van der Helststraat. Monologue intérieur, denkt hij. Er zit een poes op de glasbak (bont). Een lapjeskat, maar een poes, zo noemt hij het dier. Oog in oog met mij. Ik zie hem, ziet hij mij - wat ziet een poes?
Alleen beweging, althans beter, zo anders dan ik. Geen gras, muizen. Een kop vol dode muzen. Op de redactie van het tijdschrift woonde Tikoes. Je hield van hem. Die brief, met dat door een achter de pen aanlopende kat gedicteerde hihi handschrift. 'Even een klap geven.'
Tikoes flikkerde later uit de dakgoot, maar toen had het tijdschrift zich reeds lang afgelast wegens gebrek aan belangstelling.

In de glasbak glitteren donker de scherven.

Het lijken wel herinneringen.
Ik moet alles opnieuw verzinnen.

- Er staat een man bij een glasbak (bont) op de hoek van de Eerste van der Helststraat en het Sarphatipark oog in oog met een lapjeskat die hem aan Tikoes uit de Eerste Jacob van Campenstraat doet denken in de tijd dat hij zelf nog in de Gerard Doustraat woonde.
Mozaïek.

- Ik zit in het park bij het water.

- Hij staat oog in oog en kijkt.

- Zo openen zich de verhalen en zo schuif ik in die man. Dialogue intérieur.

- En zo stokt het: wanneer de poes springt, spring ik mee, denkt de man. Ik spring in mijn gedichten dagelijks bijna van het dak. Het is dat ik banger voor de val ben dan ik bang ben voor de smak.
Dat gedicht droeg hij nu al bijna een jaar in zijn portemonnee. In zijn huis is er een plastic zak vol, vijf dikke mappen, manu-, typo- en compuscripten. Er zijn zoveel gedichten, en nog zoveel meer gedachte gedichten. Eilandvaarder. Opos Geon. Soms stuurt hij eens wat op naar een tijdschrift, maar ze lijken moeilijk te plaatsen als je niet zelf de redacteur van een tijdschrift bent, of vriendjes van de redacteur van een tijdschrift. Hotsjik literatsjiks. Het is niet belangrijk, weet hij. Alles draaft bij voorbaat ten einde. Er is een begin en dan een hele tijd niets en dan het einde: hij ziet een glasbak met daarop een poes die zich wast, nu, een poes met drie namen, met negen levens, zeven staarten.
Was dat maar waar.

- Het is droog geworden. Een onbestemde klank wringt zich door de spijlen van het hek om het park. Hij kijkt niet om. Hij moet op bezoek, drie hoog op bezoek. Hoog bezoek, dat niet, maar daar woont Je, die tenminste niets begrijpt van niets. Je, die de poes Tikoes een tiende leven schonk.
Hij helt zich het moede torso over en stapt om niet te vallen en helt zich het moede torso over en stapt om niet te vallen en helt zich en stapt, en helt en stapt en helt, stapt, helt... De poes roept mrouw, springt.

- Ik hoor de bel gaan, als een muis gaat de bel. Ik zeg door en druk op de hallofoon.

Soms moet een verhaal strakgetrokken worden, als een lint over een nieuwe brug. Zo knipt men het lint door, zo gaat men de gang. Ik geloof niet erg in verhalen. Ik schrijf maar, een beter idee heb ik nog niet gehoord.
Tenslotte is hij boven. Na mijn tweelingpoezen te hebben begroet, zet de man zich op de bank en begint over het regeerakkoord en vraagt om drank. Ik heb hem te bieden.

In de glasbak glitteren donker de scherven.

- Hij zegt dat er in het park net iemand op de vlonder bij het water moet hebben gezeten. Hij vertelt van de poes op de glasbak. Hij laat me zijn nieuwe verhalen zien; ze zijn onlangs gepubliceerd. En ik krijg tranen in mijn ogen maar niet van verdriet.

- We drinken wijn, rode wijn, wij zijn steeds meer op elkaar aangewezen. Zo was het vroeger: waar hij was, was volgens anderen ik ook, en waar ik was, hij. Nu is er niemand meer, niemand meer wijst op ons dan wij op elkaar, maar alleen in gedachten.
Van allen alles dan een maken, een schilderij van gelijktijdigheid.

- Soms, soms zelfs, zoals nu, is het koud en langzaam dronken 's nachts. Hij en ik zien boven Amstelveen in de verte, gestaag de vliegtuigen landen. De mensen die zich vervoeren.

Als razende kometen trekken telkens traag de flitsende, zwarte kokers boven de daken voorbij. Mooischrijverij.

- Er loopt een poes door de Pijp. Ze scharrelt bij opengescheurde vuilniszakken, dan is er mijn stem die haar roept, lokt. Ze wacht plat en gekromd onder een auto tot het levensgevaar is geweken. De honger snoert haar buik. Maar mensen - nooit meer. Seul sur le monde. De poes likt haar wonden.
Ze werd geboren onder een container van de stadsrenovatie. Toen de stad was gerenoveerd sleepte haar moeder haar en twee broertjes de loods van de opkoper schuine streep afzetter in. Die moest ze niet, bang als hij was dat ze de handel zouden onderpiesen.
Vier poezen werden na een week de straat opgeschopt. Ze waren niet in rattengif getrapt en werden na een week de straat opgeschopt.
Niemand heeft ooit meer van ze gehoord.
Dat wil zeggen - en
dat zeggen willen.

- Hij vraagt of het leuk is een vriendin te hebben. Hij vertelt dagelijks bijna een brief te schrijven aan zijn geliefde, welke hij niet verstuurt. Ik kijk naar de vliegtuigen. Hoeveel brieven die wel vervoeren. Als er een ontploft. Hoe boos kun je zijn wanneer ze zegt je brief niet te hebben ontvangen?
Er zijn zoveel mensen, en dan is er een hele tijd niets. Mijn kind is dood, en
zijn moeder.

- Zo zitten we uren. Licht wordt het voorlopig niet meer.
In de glasbak glitteren donker de scherven.
- Dit zijn de verhalen die wij elkaar vertellen. Het is niet de stijl of de tijd die zich leent voor een roman. Wij vertellen elkaar alleen de verhalen, ja, nou weten we het wel. Die eenzaam zijn als hun vertellers, en gonzen.
Zie je, ze zien je, blijf, blijven alleen.

- Er slaapt als een in een gore lichtblauwe deken verwikkelde man op de straat. Alleen zijn voeten in heldernieuwe basketbalschoenen steken onder de gore lichtblauwe deken uit. Verder doet er niet zoveel toe. Zijn hoofd onder die deken, rust, op de trapper van mijn fiets.

Een lege wijnkruik staat naast zijn hoofd, of wat daarvoor doorslaapt. Voorzichtig, met moeite til ik zijn zware hoofd van de trapper, schuif een plastic zak vol papieren onder zijn zware hoofd.
Hij beweegt niet, wordt bewogen.
Ik til mijn fiets over hem heen.

- Ik voel niets, ik schrijf. Er zijn precies honderd verhalen te vertellen. Autobiografictie.

- Je vertelt: ik ben een etmaal verdwenen geweest, in mij. Het was de eerste dag van het volgende jaar. Er gebeurde niets, ja, doorluchtige wolken leken onder een zwarter wordende hemel door te waaien. Je zit aan het raam en hij kijkt.
Dat je niet weet wie je moet geloven.

- Er waart een man rond de stad, de stad rond, het is te makkelijk. Hij heeft een gore lichtblauwe deken om zijn schouders geslagen. Waarin hij woont, waarin hij loopt en slaapt, met bezigheden. Verder spreekt hij niet en denkt hij niet. Hij leeft nog wel maar niet zijn eigen leven. Hij proeft soms haar in zijn mond. Er woont in hem de zwarte Prinses, op weg naar het zuiden.
Soms slaapt hij, zijn roes uit. Dan helt het even niet en dan leeft hij even niet en dan is hij gelukkig. Een met de doden van voor en na het leven.

- Er valt in de Ferdinand Bol voor mijn voeten een vogel van een mens neer.
Een klaarlichte dag trekt een vluchtende vogel naar de grond. Begin juli, in het jaar dat weerom keert, waarin nog alles kan gebeuren. Ik ren een winkel binnen en schreeuw de woorden. Zijn kapotte hoofd ligt op mijn jas, die blauw was en rood wordt. Hier is niets aan verzonnen. Leeft hij nog? slaapt hij.

- Zie waarnaar je kijkt, en vertel.

In de glasbak glitteren donker de scherven.

- Een vrouw is bang. Een poos geleden ging iemand van haar weg. Ze sprak hem nog zo nu en dan. Nu heeft ze al een hele tijd niets van hem vernomen. Ze herinnert zich: 'Ik had het niet verwacht, maar nu moet ik definitief afscheid van u nemen.' De dag na de WK-finale.
Ze is bang, hij zou toch nog eens bellen, maar niets.

- Een etmaal later denkt hij terug. Hij zit aan een tafel, in het huis in de Gerard Doustraat. Er zit ook een poes op tafel, deze heet Slauerhoff (dat verzin je toch niet), citeert mkgnao en springt eraf. Er verschijnt een ogenblik een boekje terwijl haartjes stuiven, oorlog in de intertekst. Kun je een schilderij uit je hoofd leren? In eigen beheer, dat klinkt wel goed.
Ja en dan.
Dat het stokt en dat hij schrijft dat het stokt.

- Ze leest alweer over een man, hij stapte uit het raam en ging de wijde wereld van zijn eigen steeds smaller wordende schaduw in.
Is hij het? Ze had hem niet moeten afwijzen, er valt zoveel, te zeggen, te doen, te houden van, te vangen.
Die omwegen waren niet te begrijpen.
Hij kiept een bal uit de kruising, als alles eens zo makkelijk ging.

- Dit is het schrijven, zich bewust van zichzelf. Het is Je voor in enig bezwaar, en het is voor Je. Hetzelfde liedje.
Keert het zich om, en om. Woorden uit de bibliotheek, waar de boeken wonen die niemand lezen. Beter kan ik het niet opschrijven: 'Als vakreferent Engels houdt hij zich bezig met bibliografische naspeuringen, leeszaaldiensten en vooral met het lezen van geleerde tijdschriften, althans die gedeelten ervan die gevuld zijn met boekbesprekingen. Dat is geen opbeurende lectuur.' En: 'U moet haast wel dichter zijn!' En: 'Hij is hier om zichzelf ten val te brengen.'
Letter en Geest. Letter en geest, hemel en lichaam, gas en licht, toren en vuur, kosten en winst. Eelt op je ziel.

In de glasbak glitteren donker de scherven.

- Te beginnen ermee, dat je niets te zeggen hebt, niemand iets te vertellen, alleen te vertellen en zie maar ho maar.

- Er slaapt iemand, er waart iemand rond, iemand is bang, springt, schrijft, iemand heeft dit alles schaal 1 op 1 bedacht en lacht zich te pletter.

- Je komt buiten, het is dan toch nog licht geworden, en er ligt een man op straat: in een gore lichtblauwe deken, in een rode roes. Het einde van lampen in de Amstel. Het ritme van
wat kapotgaat.

- Je fietst naar de rand van de stad.

- Als het licht is, wanneer, en het begint, alweer, de moeder dood is en de vader sterft, het kind zich in zichzelf verslikt - daveren de grote vogels naar het zuiden. Op een schip over
de Taag draagt iemand de koffer van een zwarte Prinses. Als ze lacht, denkt hij, zinkt het schip. Waar woont ze?
We schuiven, in elkaar.
Je kijkt naar wat ik vertel, op het zelfde moment.
Die koffer is groen, en haar overhemd en haar broek, haar haar smaakt naar meer.

- zijn de verhalen die wij elkaar vertellen, schijven werkelijkheid, tot het licht uitgaat omdat het licht is.

© Onno Kosters