Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel

Moeder

Pamela Koevoets

Moeder is tachtig geworden. Gewoon thuis in haar stoel naast de portretten. Bij vader staat altijd een vaasje rozen, maar laatst stond het bij de televisie. Het testbeeld was aan.
Haar geheugen gaat snel achteruit. Als ik haar 's zondags opzoek - die lange reis met de trein, een exercitie bijna, je bidt - neemt ze me steevast wéér mee naar het spaarbankboekje onder het nachtkastje en naar het laatje met verzekeringen en ziekenfondspapieren. Naar de foto's die in hun stugge omlijsting de werkelijkheid van nù zo tarten dat je je ogen sluit, en even in dat gat valt waar alles trilt tussen echt en droom. 'De begrafenisverzekering,' herhaal ik. 'Het spaarbankboekje. Ik weet precies waar alles ligt, maakt u zich geen zorgen.' Om haar gerust te stellen doe ik of ik in mijn agenda aanteken waar alles ligt. Dan is het meer officieel.
Het is nog steeds te zien dat ze een mooie vrouw moet zijn geweest. Ze heeft dat donkere van sommige Zeeuwen, ook in haar koppig temperament. Naar een bejaardentehuis wil ze niet, oude mensen irriteren haar. Toch loopt ze te slecht om nog lang alleen te wonen.
Vanwege de verjaardag bleven de jaloezieën open. We aten bosbessentaart en een scholletje. Om zeven uur heeft ze bij de Belg naar The Bold and the Beautiful gekeken en tegen de acteurs gepraat of het familieleden zijn die dagelijks over de vloer komen. Om me een houding te geven ben ik de krant gaan lezen die ik had meegenomen vanwege het artikel over deeltijds werken, langzaam daagt het vermoeden dat ook ik het wat rustiger aan moet doen.
Het is een gevoel dichtbij een gevoel van totale paniek.
'Zit je lekker, kind?'
'Ja moeder, ik zit.'
'Stop toch met roken, je wordt al grijs.'
Waarom ben ik toch bang voor haar?
De stilte is allesdoordringend als de serie is afgelopen, er is alleen dat hoge zoemen van de ijskast in de keuken. Ze is in slaap gesukkeld, de ogen halfopen. Onder haar stoel wrijven de voeten zenuwachtig tegen elkaar. Zijn dat vaders pantoffels die ze draagt?
De trein terug heeft de ijzeren smaak van de maandag. In de stad duik ik nog even een kroeg in, maar ik moet het haar nageven, moeder, met het verstrijken van de jaren zit je meer en meer tussen vreemden. Jongeren. Weg maar weer. Jammer dat ze geen zin meer heeft in de jaarlijkse traktatie in het visrestaurant aan de Singel. De Singel blijft een van Amsterdams mooiste waterwegen en de vis van het restaurant is altijd vers.
Sigaretten smaken inderdaad niet meer, kan ze in mijn longen kijken of in mijn ziel? Het begint me moeite te kosten het op een draf te zetten om nog net de laatste tram te halen en niet te bedelen om een zitplaats. Me niet te vergelijken met jongere vrouwen. Soms meen ik iets van spot te bespeuren in hun ogen, zoek dan als een razende naar een fiere houding. Een houvast. Maar vanbinnen is het spartelen geblazen.
Het was misschien wel de laatste mooie zondag van het seizoen en de halve stad had zich over de terrassen verspreid. Zo'n buitenlands sfeertje. Onzin natuurlijk, maar toch. Het laatste glas nam ik op het terras van het visrestaurant. Waren de sluizen open dat het water zo heftig stroomde? Vrijheid! Zo'n woord schiet je onmiddellijk door de kop. Weer thuis haat ik die schuld in mijn stem als ik haar opbel.
'Het weer was zo mooi. Sorry, ik had eerder kunnen bellen.'
'Het gaat best met me,' antwoordt ze.
'Het ís ver voor je,' zegt ze.
Je zwijgt, kijkt naar het plafond. De laatste weken krijgt haar stem dat wazige, ja bijna iets onverschilligs als ze zoiets zegt, een jaar geleden nog zou ze hebben gesputterd als ik de zondag bij haar een keertje oversloeg. Wat is erger? 'Zorg dat je goed eet,' hoor ik mezelf smeken. 'Dat je goed slaapt. Een keer de ogen echt sluit.'

Er was ineens een kind dat met een schedel speelde, ergens op een donkere plek. Zwetend schrik ik wakker uit de halfslaap en ik spring van de bank. Een ambulance scheurt met gillende sirene over de kade. Sinds de straat achter is opengebroken nemen de ambulances deze route naar het ziekenhuis.
Schaamte kleurt mijn wangen. Heeft B. gezien dat ik in slaap was gesukkeld?
'Pilsje?' vraag ik snel.
'Ja graag. Een kouwe.'
Hij staat met de rug naar me toe aan het aanrecht, bestudeert een pak rijst. Een aantrekkelijke rug, onwillekeurig grijpen mijn handen mijn borsten. Een vlaag van paniek. De pils! Waar? Maar ik had inderdaad de pils niet vergeten, hij stond alleen nog niet in de ijskast.
Op de balkonkast zit een duif te broeden.
Hou je nog van me? bedelen mijn ogen als ik B. een glas aanbied. 'Zorg dat hij in de buurt blijft,' hoor ik moeders stem. 'Een jongere man draagt je tenminste naar je graf.' Ik zet een tweede fles bier op het aanrecht, probeer haar weg te denken maar moeder laat zich niet zo makkelijk verjagen. 'Hier...' zei ze de laatste keer dat ik haar bezocht. 'Voor jou nu. Goed bewaren, zet maar op je schoorsteen.' Ze duwde me een portretje van grootmoeder in de hand, een kiekje van voor de oorlog.
B. zou vragen: welke oorlog?
B. leeft nù.
Ik loop naar de schoorsteen.
Ik heb het opgegeven me de doden van het lijf te houden. Ze horen bij ons, bij moeder en nu ook bij mij. Wat is de keuze? Moeders ogen schoten vol toen ze over hààr moeder begon. Zo'n sterk mensje, herinner ik me haar nog? Ze was tot haar laatste snik helder! Ik knikte. De dag voor ze stierf was opoe nog gaan wandelen, herinnerde ik me. In haar beste jas en met haar Zeeuwse broche op. Ook binnen droeg ze toen al weken haar hoed. 'Ze wilde naar zee,' zei moeder vertederd, ''t Is zonde dat ze in de stad is geëindigd. Bij haar graf durfde ik niet hardop te huilen,' zei moeder. 'Voor haar gevoel ging ze terug naar de kust...' Je knikt maar weer eens, al heb je het verhaal honderd keer gehoord. Moeders familie is generaties lang verbonden geweest met de zee, met zoute lucht en vis. Met ruimte. Door haar huwelijk is moeder in de stad terechtgekomen en opoe kwam inwonen tot ze het loodje legde. Na vaders pensioen had moeder wel terug gewild naar de Schelde maar vader koos voor een nieuwbouwwijk in zíjn geboortestadje, en vrouwen van die generatie zijn gebouwd op trouw.
Ik beloofde haar goed op opoes portret te passen.
Ze keek langs me heen naar buiten.
Dat piepkleine tuintje. Die hoge heg.
'Het begint te donkeren,' zei ze. 'Hoe laat is het?'
Op de tv zocht ik de nieuwszender.
'Je bent zo rusteloos,' zei ze. 'Heb je nu alweer je haar geverfd? Grijs is toch ook mooi. Kan je niet kiezen?'
Het nieuws kwam niet door. Storing. Het testbeeld. Soms denk ik dat ze kan heksen. Moeders, waarom zijn we toch zo bang voor onze oude moeders?
'Ik wil geen enkel gewicht in de schaal leggen,' zei ze. 'In geen enkel opzicht, maar ik weet dat ik geleefd heb en dat er een eind aan alles is. Verder denk ik niet, er zijn er al zoveel voorgegaan. Heb je die foto nu in je tas gestoken? Neem zo meteen een stukje gereedschap van je vader mee. De boor-machine of de elektrische zaag.'

'Moeder, toe...'
'Je hoort me toch niet klagen,' zei ze snel. 'Denk niet dat ik nooit gelukkig ben geweest, of dat ik niet gelukkig ben. Ik loop slecht, dat is alles. Maar je weet hoe ik kan genieten van kleine dingen. Het weer. De vogels. Dat vogelhuisje voor mijn verjaardag was lief van je. Maar genoeg over mij. Hoe is het met B., of heb je weer een andere vriend?'
Het testbeeld trilde even. Je gaat door met morrelen aan de knoppen. Hou je bek, denk je. Hou B. erbuiten.
'Merelmannetjes blijven hun hele leven bij hetzelfde vrouwtje,' zei ze. 'Je vader vond dat ook altijd zo ontroerend.'
Ik gaf het nieuws op.
Op Nederland Twee bewogen zwarte stipjes in een sneeuwvlakte. Toen de camera inzoemde bleken het wolven maar omdat moeder zo van natuurfilms houdt, liet ik ze aan. Met dunne lippen keek ze toe hoe ze een hert omsingelden. Verscheurden. 'Moet dat nou?' zei ze.
'Ontroerend toch,' zei ik.
We zaten. De tv ging uit.
Ik zocht haar blik. Ze weigerde.
'Die tafel boven moet ook nodig eens de deur uit,' piekerde ze hardop. 'En die vier stoelen, ze zitten lekker. Misschien voor jezelf als je er ruimte voor wil maken, anders voor een vluchteling of een arme artiest. Die B., heeft ie wel spulletjes dat hij zo vaak bij jou over de vloer komt? Hoor je me wel?' zei ze. 'Je luistert nooit en ik ben maar alleen. Ga toch eens rustig zitten en luister naar me...'
Ik ging weer zitten.
De ijskast zoemde hoog. Er was iets van wind buiten, een ruisende heg en daardoorheen het wrijven van haar voeten in die te grote pantoffels. Ik probeerde het af te schudden, met al de rest. De muren. De stilte. Het lukte me niet. Die muren. Je huivert, wilt aangeraakt worden, het jaagt door je heen als een wind die opsteekt. Laat me vastgehouden worden, krachtig. Door jongere handen. Mijn handen raken haar hoofd met het dunne haar, de verbeten schouders. Eventjes, voorzichtig. We zijn dat niet zo gewend, intimiteit, in onze strijd, onze wedijver om de vader. Om de zoon.
'Je blijft toch slapen?' vroeg ze ongerust. 'Luister hoe het begint te waaien. Verschrikkelijk.'
Ik bleef slapen. De geur van de verse handdoek. De verse lakens. De deur van haar slaapkamer die op een kier blijft en daarachter die kleine vrouw, alleen in dat reusachtige bed.

Raak me aan, bedelen mijn ogen. 'Pils op temperatuur?' vraag ik. 'Nog eentje?'
B. knikt. Om hem heen hangt de geur van vers gehakte peterselie. Hij draagt een wit overhemd boven een schone spijkerbroek. Werkelozen zijn vaak keurig gekleed.
Ik schud de gedachte af. Het is een gedachte, meer niet, niet meer dan een gedachte die gevoelens van allerlei aard aan kan zuigen en daarmee nieuwe gedachtes die stugge wanden kunnen oprichten. Ik ben niet oud. Word nooit oud. Ik niet. Nooit. Ik wil me niet afschermen.
Vlij even mijn wang tegen zijn warme rug. Op het gas ligt de vis te smoren in de glazen schaal.
'Je moeder?' Hij loopt naar de schoorsteen, bewondert het portretje op de schoorsteenmantel met kennersblik.
'Nee, mijn grootmoeder.'
'Ze is mooi,' zegt hij. 'Wàs mooi,' corrigeert hij zich. Dat lachje, zo'n lachje, ik moet me inhouden het portret niet uit zijn handen te rukken. Die lip die over zijn hoektand krult. Ik verschik iets aan mijn truitje, maak me wat langer. 'Ze had een kleine werf. Voor de oorlog.' Hij draait het portret om, bestu-deert de ouderwets gelijkmatige lussen van het handschrift op de achterkant. 'Mooi. Meegaand en sterk tegelijk!'
Hij zei het.
Of dit of dat, denk je geïrriteerd. Die moderne psychobabbel. 'Kom,' zeg ik, 'zet haar terug.'
'Wat heb je?' Even strelen zijn vingertoppen mijn pols, ik lach en volg hem naar de tafel. 'Water of wijn?' Zonder het antwoord af te wachten schenkt hij een glas water voor me in. 'Beter voor je.' De vis is boterzacht. Het compliment verboden. B. kookt graag en goed, het liefst bij anderen. Bij vriendinnen. We eten zwijgend, hij zegt nooit veel en als hij praat gaat het over wat hij voelt of ziet op dat moment. Een stijl, een keuze. Misschien een manier om je af te zetten tegen de vorige generatie, beléven. De wind, hoor ik de wind? Vóel ik de wind? Ja, ik voel de wind, mijn hele lichaam voelt magisch en vol en heel erg van nu. Nu of nooit.
Ik leun naar voren, borsten over mijn onderarm.
Die rot-ambulances! Ik sta op. Zoek het jazzprogramma op de radio. Boffen. Ben Webster, zwoel en cool. 'Wie?' zegt B. en hij likt een restje vis van mijn mes. Ik leg Ben Webster uit, ongeduldig. Saxofonist, een meester. Dood.
B. heeft een housetapeje meegebracht.

Public Energy.
We eten kaas toe.
House heeft wat na enig doorkauwen, ik moet het hem nageven. Wind en ambulances worden deel van een dreunend klanktapijt dat het denken, het commentaar, geen ruimte laat. De gewoonste zaken, muren en vloer, je spullen, alles werkt ineens op de lachspieren. Opoe ook. Haar portret viel om.
B. kijkt me opmerkzaam aan, een bijna religieuze blik in zijn ogen. 'Voel je 'm. 't Is egoloze muziek. Je bént er op een rave, totaal. Met anderen die de kick, de muziek, begrijpen. Eén met alles.' Hij trekt zijn hemd uit. Ik adem zwaar, plof neer op de bank en strek me, maar hij schiet zijn jek aan over het stippeltjes-t-shirt. 'Je gaat toch mee? Ik heb goede XTC, geen rotzooi, geen speed. Je raakt er makkelijk de nacht mee door en morgen kun je toch uitslapen?'
'Morgen is het zondag!'
Die paniek in mijn stem. Uncool. Hij verstrakt om meteen weer te glimlachen. 'Oké, een andere keer. De hemel loopt niet weg...'
Kusjes. Doég. De deur slaat dicht.
Ik rol terug op de bank, mijn rug naar buiten als een schild, mijn buik zwaar en week. Paniek. Heb ik het verpest? Het was lief van hem de hemel met me te willen delen.
'Wat bedoelt u?' spuug ik later op de avond naar de heilssoldaat in de Nes.
Je zoekt God niet.
Onrust had me het huis uitgejaagd. Vroeg in de ochtend waren er alleen nog maar spreeuwen op het Leidseplein. Op de stoep van Paradiso zat iemand die op een Engel leek, zijn huid was bijna doorzichtig. Lag B. al in bed?
De kade sliep. Ook bij de hoertjes was het licht uit. Ik bleef wat hangen op de brug, ouderwets aangeschoten. Soms is de stad net een zondagse jas die nooit lijkt te slijten, de brandweerkazerne en het Rijksmuseum gloeiden goud op in de stilte van het eerste licht. Liefde is waan, denk je dan, een vergissing als ze maar één mens aangaat. Waarom huilen?

Op de Dam was poppenkast maar ik moest de trein halen. Dood is dood en dooier is dooier, galmden de kinderen in navolging van Jan Klaassen. De Dood van Pierlala was een witte lap op een stokje, zoals vroeger.
'Wat ben je toch klein,' zei moeder toen ik de kamer binnenstapte.
'Dag moeder,' zei ik zo hartelijk mogelijk en maakte me wat langer. Alles is subjectief. Van haar zie ik soms niet meer dan die magere oude hand en een stukje mouw. De knobbelvoeten in vaders pantoffels, de koekjes die al klaar staan. Ze heeft weer aan alles gedacht. De soep verspreidt een heerlijke geur en de plaatselijke krant ligt klaar. Ik weet niet waarom ze zo goed voor me is, voel alleen maar weer schuld.
Heeft B. een verleden, een moeder?
'Kom kindje, geef je jas maar.'
'Nee moeder, ik hang hem zelf wel op.'
'Nee hoor, niks ervan.'
Toen ik haar zoende sprong er een vlo op haar been. Oh, oh. Nee toch. Maar ja. De kous uit, krabben. Vanwege het aanhoudend zachte weer en de hond van de buren zaten er vlooien in de vloerbedekking. Schuldig bood ik aan te blijven slapen, het werk af te bellen en gif te halen.
Ze verstijfde.
Je moet er na het spuiten twee uur de deur voor uit, suste ik. Dat is alles. Maar moeder wil de deur niet zolang uit. Ze loopt slecht. Je zoekt een comfortabeler oplossing. Een stoel in de bioscoop. In een stoel bij de buren? Nee, niet de buren. Ze wil niemand tot last zijn. En ze kijkt liever naar foto's dan naar een film.
Praten we wel genoeg? Misschien praten we niet genoeg. Bij het stofzuigen hield ze me nauwlettend in de gaten, al deed ze of ze de krant las.
'Dat hoekje nog. En onder de kast.'
We zijn allebei bazig.
Om vijf uur ging de serie aan. Op Nederland. In The Bold and The Beautiful lijkt het altijd dezelfde dag, misschien is dat er het aantrekkelijke van.
'Ik ga een blokje om, ma.'
Geen antwoord. Iemand op de buis kreeg een baby maar wist niet van wie.
Bij de kerk zag het zwart van de kraaien. Met grote poten hipten ze over het kiezelpad. De wind stak weer op en blies me voort en voor de zoveelste keer was het verdwalen in het labyrint dat nieuwbouwwijk heet. Golvende hagen cipressen die voortuintjes scheiden van straat en woonerf. Wachters tegen inkijk. Niemand buiten, ik was de enige. Je huivert, probeert de vijand in kaart te brengen. Niemand op straat, je hebt slechte voeten. Bent bang te vallen. Je valt, wie weet op je hoofd, en niemand die het ziet. Niemand daar als het plotseling zover mocht zijn. De angst werkte me op de blaas. Echt, ze moest naar een bejaardentehuis voor haar eigen veiligheid. Andere oudjes, bingoavondjes, verpleging dag en nacht. Mijn blaas wordt zwakker, ik begon te rennen, de angst als vleugels aan mijn hielen.
Daar was de kerk weer, al zullen we God niet prijzen. Is Hij er als je onverhoeds de laatste adem uitblaast?
B. heeft een theorie over het moment van sterven, God komt er gelukkig niet in voor. Wel het hier en nu, in de vorm van een soort superorgasme.
Ik piste nog net niet in mijn broek bij het openen van de voordeur. Op de wc hing de foto van de Schelde bij zonsopgang scheef in het lijstje. Ik duwde hem weer recht.
De serie was voorbij. Moeder zat boontjes te doppen. 'Die baby was van haar eigen man,' zei ze tevreden. 'Er is nog fatsoen.'
Zo voorzichtig mogelijk bracht ik het ter sprake, de bingo-avondjes, de verzorging dag en nacht. Het tehuis. Ze is slim, wendde doofheid voor. Scharrelde richting keuken met de gedopte boontjes. Dat magere ruggetje, moedertje, oh moedertje, ooit was je de mooiste die wachtte bij de school. Parfummetjes, hoedjes, hakjes.
'Maar je boodschappen dan?' Ik zette door.
'Een erg lage hals,' bewonderde ze mijn nieuwe roze truitje, en ze schonk soep in.
'Maar het is zoveel veiliger!'
'Is het zo veilig in de stad?' Haar ogen bliezen vuur. 'Hier heb ik een tuin. Vogels...'
Ik gaf op. Lepelde de soep naar binnen. We zaten. Luisterden naar de ijskast die zo raar hoog zoemde, al was de reparateur inmiddels geweest. Een oplichter natuurlijk. Haar soep bleef onaangeroerd. Het zachte weer, die windvlagen die maar geen storm wilden worden. Ze is heftiger de laatste weken, praat ineens in vlagen door. 'Denk niet dat ik hier ongelukkig ben. Je vader ligt vlak om de hoek. Tante was er van de week en de hond van de buren komt iedere dag voor een koekje... Wees maar niet bang,' zei ze. 'Oudere mensen moeten niet bij hun kinderen intrekken, ik heb het toch aan opoe gezien toen die bij ons kwam wonen! Ze ging al om acht uur naar bed om je vader en mij niet te storen...'
Ze boog zich naar zijn portret. 'Hè kwajongen!'
Ze zoende hem. Ze mist hem. Je zit erbij met lood in je buik. Praatte ze ook tegen mij? 'We hebben het toch mooi een halve eeuw met elkaar uitgehouden, hè jongen, oorlog en al. En uit het ziekenhuis heb ik je ook gekregen. Mooi dat je hier stierf... Hij lachte zo dankbaar,' zei ze. 'Aan het einde...'
We keken elkaar aan, schuw, alsof we de enigen waren in een leeg wit landschap. 'Zeg het maar,' zei ik schor. 'Het mag. Laat maar komen, je mag alles voelen.' Eruit is eruit, denk je. Vaders laatste jaar was geen feest. Dat almaar bijna stikken, de nachtmerries...
Mensen van nu hebben geleerd te praten.
Ze hoorde me niet. Ververste het water van de rozen. 'Je rookt toch niet van dat spul?' Ze snoof aan mijn sigaretje omdat iemand op de tv blowde.
'Vroeger was je zo'n leuk blondje, maar grijs is ook een kleur...'
Ik verf mijn haar al jaren rood, zeg maar niks.
Ze kán heksen. Het werd te laat voor de trein. Met kippenvel op mijn armen liet ik me toedekken. Op de kast van het kleine slaapkamertje staan nog steeds mijn poppen in keurige slagorde. Om hen heen hangt de vettige glans van moeders onwil los te laten wat ooit was. Mij ontroeren die poppen niet, al zou het mogelijk moeten zijn naar dingen te kijken zonder daar de eigen gevoelens in mee te nemen. B. zei eens dat dingen dan pas écht tot je doordringen. Ontdaan van de stof in je ogen. Eerbiedig haalde hij Heidegger aan en uitspraken van boeddhistische wijzen. De dingen zoals ze zijn. Eenvoudig, zonder gedoe. Zonder jouw ego.
Rotpoppen.
Ik wil ook zo'n pilletje.
De ruzie kwam aan het eind van de ochtend bij het kopieerapparaat in de supermarkt, waar we heen waren geschuifeld om haar trouwboekje te dupliceren. 'Waarom eigenlijk?' vroeg ik afwezig. Zenuwachtige kwartjes rolden uit haar portemonnee onder diverse toonbanken zodat we aan kopiëren niet meer toekwamen. Weer thuis bleek het trouwboekje onvindbaar. Ik de schuldige. Moeder was een zwarte wolk vol knetterende bliksem. Nadenken, niet nog meer onheil afroepen. Stap voor stap de weg terug. We vonden het op het fietspad naast de snelweg, het kaft was in een struik gewaaid. Er zat een spin op. Alsnog kopiëren, het gaf haar een prettig gevoel dat ook ík thuis zo'n belangrijk bewijsstuk had van trouw. 'Ze is een bohémienne...' zei ze tegen de hond van de buren die bij het tuinhek stond te kwispelen.
'Even knuffelen?' vroeg ik laat op de avond aan B. Hij was uitgeput.
Toen we elkaar eindelijk kusten sprong er een vlo op hem over.

(Fragment)

© Pamela Koevoets