

|
 |
De handschoen
Michel Dedain
'Natuurlijk kan ik rijden,' zeg ik terwijl ik mijn rijbewijs,
mijn identiteitskaart en een cheque op de toonbank leg.
Toch kijkt de man van het verhuurkantoor wat bezorgd als
ik de straat opdraai.
Onder mij maakt de motor een zacht en zoemend geluid.
Het is november en het is een scherpe kou die door de straten waait
en de blote plekken van mijn wangen kleurt.
Ik kies de kleine wegen en rij een halfuurtje zomaar rond
tot de machine tussen mijn dijen past.
Thuis wacht Leni op mij. Ze heeft net als ik van
vrienden de nodige kledij geleend. Met haar helm
op is ze volledig onherkenbaar.
'Gelukkig maar,' roept ze, 'voor als we straks door
het dorp rijden.' Ze stapt achterop en slaat haar
armen rond mijn lijf. Het is de eerste keer dat zij
op een motor meerijdt. Ze zit gespannen als een veertje.
We tuffen rustig door het dorp met rechts de kerk en
wat verderop links het ouderlijk huis. Er eventjes
voorbij kijk ik in de achteruitkijkspiegel. Niets is nog wat het was.
*
Ik loop in het werkhuis van vader. Het is een groot werkhuis.
Het hout ligt er in hoge stapels en er staan zware machines.
Ik weet niet waarvoor ze allemaal dienen maar ik weet dat
ze veel lawaai maken. Als ik lang in het werkhuis sta heb
ik pijn aan mijn oren. Het geronk van de machines is zelfs
tot in de woonkamer van het huis voelbaar. Soms rinkelen
de glazen in de kast. Af en toe zakt het Angelus aan de muur
scheef. Maar dat is alleen als er verschillende machines
tegelijk draaien. Alleen als er heel veel werk is.
Het werkhuis staat tegen het huis aangebouwd. In de tussenmuur
is er een groot gat. Voor het gat staat een kast geschoven.
Het gat is niet zichtbaar. Soms als er heel lange stukken
hout moeten geschaafd worden, wordt de kast opzij getrokken.
Het gat gaat open als de muil van een gevaarlijk dier.
Het eetservies wordt uit de kast gehaald en ergens op
een tafel gezet. De lange latten schuiven in de
woonkamer. Ons huis is dan één grote werkplaats.
'Voorzichtig,' zegt moeder bezorgd. 'Ik heb pas gekuist.'
Als de latten geschaafd zijn gaat alles terug op zijn plaats.
Moeder loopt met de stofdoek rond en schikt het eetgerei
in de kast. De kopjes en de borden blinken zoals voordien.
Ik loop in het werkhuis van vader.
Gerard, de werkman, trekt met een potlood lijnen op het hout
dat hij straks moet zagen. Het is dennenhout. Het is hout voor een dak.
Gerard is een artiest.
Hij scherpt het platte potlood met een beitel tot de punt zo
scherp als een naald is. Als de lijnen getrokken zijn steekt hij het
potlood in een smalle zak aan de zijkant van zijn broek.
Morgen gaat hij met vader naar de stad. Het dak moet op het huis.
Heel vroeg zal hij samen met vader de bestelwagen volladen.
Het is een nieuwe bestelwagen. Een Peugeot. In het dorp rijden er
tot nog toe negen auto's. De groene Peugeot is de tiende. Ik ben een baron
als ik samen met vader door het dorp rij.
Vader gebruikt de auto voorlopig alleen voor verre verplaatsingen.
Hij wil hem nog wat sparen.
Kamiel is de andere werkman. Hij is ouder. Het grijze haar krult
van onder zijn pet. Zijn pet is aan de voorzijde vet en zwartgerand.
Dat komt omdat hij ze dikwijls afneemt. Hij krabt dan eventjes op zijn kale
kruin en schuift ze terug op zijn kop. Kamiel steekt zijn potlood nooit
in zijn zak. Hij schuift het met een trage beweging tussen de rand van
zijn pet en zijn haar. Daar zit het alsof het aan zijn hoofd is
vastgegroeid.
Kamiel is een norse man. Hij plaagt me soms. Af en toe ga ik aan zijn
werkbank staan en kijk ik hoe hij werkt. Ik kijk naar zijn handen. Hij heeft
mooie handen. De nagels van zijn lange vingers zijn verzorgd. Zijn handen
lijken op die van de pastoor die af en toe bij ons langskomt. Ze zien
eruit alsof hij nog nooit heeft gewerkt. Hij beweegt heel sierlijk
en snijdt met scherpe beitels vreemde vormen uit het hout.
'Moet jij niet bij je mama zijn?' vraagt hij spottend.
En 's middags, als ik bij hen aan de kachel zit, zegt hij soms:
'Kleine kindjes moeten niet alles horen.'
Ik hou niet van Kamiel. Ik moet hem niet. Ik hou enkel van
zijn handen.
's Morgens, als ik vroeg wakker ben, hoor ik Gerard met
zijn motorfiets de werf opdraaien. Het is een motorfiets uit een ver
land. Uit Amerika. De motorfiets is zwart. De merknaam staat in
gouden letters op de benzinetank geschreven. Een vreemde naam.
Gerard heeft hem mij reeds dikwijls genoemd maar steeds opnieuw vergeet
ik hem.
Als hij het hek binnenrijdt kraken de sintels onder de zwarte
wielen. Hij heeft een grote helm op zijn kop en lederen laarzen
met gespen aan zijn voeten. In de winter, als het ijskoud is, zit
zijn snor vol ijs.
Hij komt van ver. Hij moet wel een half uur rijden. Hij
komt van over de Schelde. Ik ben nog nooit zover geweest. Het
is wel twintig kilometer.
'Op een zondag kom ik je wel eens halen,' zegt Gerard.
'Dan toon ik jou waar ik woon.'
Gerard is een reus.
Soms heft hij me hoog op zijn schouders. Wanneer hij
dan springt en loopt als een paard klauw ik mijn handen vast
in zijn haar. Ik knijp mijn dijen rondom zijn hoofd. De stoppels
van zijn baard kittelen me. Ik kijk neer op de dingen onder mij.
Ik ben een ridder.
'Hoger Gerard,' roep ik. 'Hoger.'
Iets voor twaalf uur stookt hij de kachel hoog met
kortgezaagd afvalhout. Het afvalhout ligt op een grote
hoop midden in het werkhuis. Het is in stukken gezaagd. De
stukken zijn net zo lang dat zij juist in de kachel kunnen.
Gerard zet zijn blikken drinkbus boven op het deksel en klikt
de stop los. Zo kan de damp uit de bus. De stop is uit wit
porselein gemaakt. Er zit een rood ringetje rond, uit rubber.
De drinkbus zit vol met blutsen, tot in de bodem. Ze schommelt
als ze op de kachel staat. De drinkbus wordt zo heet dat hij
een handschoen moet aantrekken om ze vast te pakken. Gerard
heeft daar een speciale handschoen voor. Ze ligt in de la
van zijn werkbank, samen met een reservepotlood en met
fijne boortjes die hij slechts af en toe nodig heeft.
's Morgens, als Gerard aankomt, legt hij ook altijd zijn
portefeuille in de la. Achteraan rechts, boven op de
handschoen. Het is een oude handschoen. Er zijn gaten
in maar dat geeft niet.
Ik haast me altijd met mijn middageten.
'Ben je weeral weg?' vraagt moeder.
Ik antwoord niet maar schuif mijn stoel onder de tafel.
Ik was mijn handen onder de pomp en loop naar het werkhuis.
Ik wil bij Gerard zijn. Ik wil zien hoe hij eet.
Zijn boterhammen zitten in een grote doos netjes ingepakt.
In boterpapier. Een paar boterhammen met kaas, een paar
boterhammen met jam en dan wel vijf boterhammen met
alleen maar boter. In een pakje apart heeft hij vlees mee.
Veel vlees. Varkensvlees en kip. Hij schudt overvloedig
zout over het vlees en knaagt tot het laatste vezeltje
op is. Dan gooit hij de beentjes in de houtkrullen. Zijn
vingertoppen blinken van het vet. Hij wrijft ze af aan
een handdoek. Tussendoor neemt hij met voorzichtige
lippen slokjes van de dampende koffie.
Gerard zegt bijna niets. Dat hoeft ook niet.
Ik heb het graag zo. Hij ook, denk ik. Ik weet alleen dat
zijn vrouw Denise heet en dat zij het is die elke ochtend
zo zorgvuldig zijn eten klaarmaakt.
'Ze is mooi, Denise,' zegt hij.
Ik weet het niet. Ik heb haar nog nooit gezien. Misschien
later, op die zondag, als ik met hem mee mag.
Dan neemt hij een appel uit zijn tas, blinkt hem op aan de
mouw van zijn jas en bijt erin met volle mond. Zijn tanden
glimmen bruin. Dat is van het roken. Na het eten strekt hij
zijn benen uit. Hij zucht als een kat. Dan gaat hij met zijn
grote handen in zijn broekzak en haalt een tabaksdoos boven.
Hij doet ze open. Hij blaast een sigarettenpapiertje uit het
pak en laat het aan zijn onderlip hangen. Tussen duim en wijsvinger
neemt hij een vlok tabak. Hij trekt aan de tabak tot die een
dunne sliert wordt. Hij haalt het papiertje van zijn lip en
legt de tabak erin. Dan maakt hij een paar rollende bewegingen.
Hij likt langs de rand van het papiertje en strijkt de sigaret dicht.
Ik kijk ademloos toe.
Gerard is een tovenaar.
Hij trekt nauwgezet een paar vezeltjes tabak uit de top
van de sigaret. Hij draait de sigaret om en slaat een paar
keer met de punt op zijn tabaksdoos. Hij kijkt er goedkeurend
naar en steekt ze tussen zijn lippen. Ik sta nu naast hem.
Ik steek mijn hand in de bovenzak van zijn jas en haal de
aansteker boven. Ik hou de aansteker stevig in mijn beide
handen. Met mijn rechterduim draai ik een paar keer aan
een wieltje. Er is een vonk. De vonk slaat over. De lont
brandt. Een sliert zwarte rook slingert omhoog. Fier breng
ik de vlam tot tegen de sigaret. Gerard zuigt de rook in
zijn mond. Hij haalt diep adem. De rook verdwijnt in
zijn lichaam. Ik doe de aansteker dicht, steek hem
terug in zijn zak en kijk gespannen toe. Hij zet zich
wat achteruit, strekt zijn benen en zucht behaaglijk.
De rook vloeit uit zijn mond en uit zijn neus.
Onophoudelijk.
Gerard is een draak.
'Zeg eens iets, Gerard?' vraag ik.
Ik wil niet dat hij iets vertelt. Ik wil alleen maar dat
hij iets zegt. Dan kan ik de rook bij ieder woord uit
zijn mond zien vloeien.
'Wat moet ik zeggen, jongen?'
Ik kijk met open mond toe. Zijn woorden worden gedragen
door de rook. Ze klinken gedempt alsof er een wand staat
tussen mij en Gerard. Als ik groot ben wil ik ook sigaretten
draaien en spreken met rook in mijn buik.
'Wil jij me leren hoe ik sigaretten moet maken?' vraag ik.
Hij kijkt me aan. Dan haalt hij opnieuw zijn tabaksdoos
boven en geeft ze aan mij.
'Hier, probeer maar. Je weet wel hoe het moet.'
Ik neem de doos en doe ze voorzichtig open alsof er
gouden ringen in zitten. Eén voor één
doe ik de bewegingen van Gerard na. Het witte papiertje,
de vlok tabak. Ik beef van inspanning.
'Niet te veel tabak nemen. Er goed aan trekken. Kom,
ik doe het nog eventjes voor.'
Afwisselend nemen we de sigaret in onze handen.
Dan weer ik, dan weer Gerard.
'Hier, jij mag likken,' zegt hij tenslotte. Ik
breng het papiertje tot tegen de punt van mijn tong
en maak een likkende beweging.
'Zo nat niet maken, jongen.' Gerard lacht luid.
'Hoe moet ik dat ooit oproken?' Hij neemt de sigaret
in zijn handen. Ze blinkt van het overvloedige speeksel
en er zitten bulten in.
'Toch niet slecht,' zegt hij.
'Voor de eerste keer.'
Hij steekt de sigaret in de doos.
'Ik zal aan jou denken als ik ze oprook,' zegt hij.
Ik zwijg en kijk hem aan. Zijn woorden maken me helemaal
warm. Ik glunder van geluk.
'Jij zult nog wat moeten wachten met roken. Je zou in
je broek kunnen doen.'
's Avonds kijk ik toe hoe hij zijn dikke kleren aandoet. Hij hangt
zijn werkpak aan een nagel en neemt zijn lederen jas. Eerst doet
hij een warme sjaal rond zijn hals. Hij kruipt in nog een broek en
knoopt alles zorgvuldig dicht. Dan zet hij zijn helm op. Hij
zwaait zijn tas over zijn schouder en gaat naar buiten. De tas
is nu heel wat lichter dan deze morgen. Ik loop naast hem. Met
een paar zware stoten van zijn rechterbeen doet hij zijn motor
draaien.
Soms, als het niet te koud is, tilt hij me op en zet me
voor hem tussen zijn armen op de motor. Ik voel het daveren
van de machine. Gerard doet de motor wat luider ronken. Hij
wringt met zijn handen aan een hendel. Traag rijden wij vooruit.
Ik leg mijn handen op zijn handen. Ik mag op een knopje duwen.
De claxon maakt een vreselijk geluid. Ik druk op de knop,
en nog eens en nog eens. Aan het hek neemt hij me onder
mijn oksels en laat hij me veilig op de grond zakken.
Dan trekt hij de bril die rond zijn helm zit tot over
zijn ogen. Hij ziet er nu uit alsof hij van de maan komt.
Dan tikt hij me nog eventjes op mijn schouder, doet zijn lichten
branden en vertrekt in volle vaart. Ik kijk hem na tot hij achter
de bocht verdwijnt. Ik zwaai. Ik weet dat hij me kan
zien in zijn spiegel.
Gerard kan alles.
Met een eenvoudige druk op de schakelaar laat hij in het
werkhuis van vader de schaafmachine draaien. De schakelaar is
zwart. Het stof dwarrelt op. Ik zie korrels zagemeel spelen
in de zon.
Hij neemt een balk in zijn grote handen en duwt hem in de muil
van de machine. Het hout glijdt door de vingers van Gerard.
De houtkrullen spatten in het rond. Gerard gaat nu naar de andere
kant en trekt aan de balk. De splinters zijn weg. De balk komt
glad uit de machine geschoven. Hij neemt hem en legt hem op een
stapel bij de andere balken.
Ik lach. Gerard lacht ook. Hij heeft een blauw pak aan.
In een zak van zijn broek zit een vouwmeter. Er staan letters
op, een naam, de naam van een houthandel. Houthandel Hanssens.
Ik ken mijnheer Hanssens. Om de veertien dagen komt hij bij
ons thuis. Moeder zet hem dan telkens een kopje verse koffie
met een koekje. Speculaas. Hij heeft een dik boek bij waarin
hij opschrijft welk hout vader allemaal nodig heeft. Eik en
beuk en den en soms hout uit Afrika.
Ik heb graag dat mijnheer Hanssens komt. Hij heeft grijs
golvend haar en praat op een zachte zangerige manier.
'Hij heeft een mooie stem,' zegt moeder. 'Ik hoor hem
graag vertellen. Hij praat als een vrouw.'
Gerard kijkt eventjes naar me. Hij duwt op de schakelaar.
Het zware geronk vermindert. De machine loopt langzaam uit.
Hij neemt een paar planken in zijn grote handen en wandelt
weg naar zijn werkbank. Hij schaaft en schuurt en schaaft en schuurt.
Ik schop met mijn voeten in de houtkrullen. Een scherpe geur
klimt naar omhoog. Ik moet niezen. Ik steek mijn hand uit
en voel aan de machine. Ze is glad als ijs. Ze is koud.
Ik laat mijn hand over het blad glijden. Ik beef.
De trillingen van de kille tafel kruipen in mij, onder mijn vel.
De messen van de machine blinken. Ik huiver. De messen zijn
vlijmscherp. Gisteren nog is de meneer van de messen geweest.
Het is een kleine meneer. Hij rijdt met een bromfiets. Op zijn
stoeltje achteraan is een bruine draagtas vastgemaakt.
Daarin zit allerlei materiaal opgeborgen. Af en toe komt hij de messen
vervangen. Het zijn speciale messen.
Vader kan ze zelf niet slijpen. De beitels en de andere messen wel.
Er staat een grote slijpsteen in het werkhuis. Soms roept vader me.
Ik moet dan met al mijn macht aan de slijpsteen draaien. Vader duwt
dan een beitel tegen de draaiende steen. Maar ik ben nog te klein.
Ik ben nog niet sterk genoeg. Ik kan het draaien niet volhouden.
Vader plaagt me dan. Hij zegt: 'Je moet meer eten, hé jongen,
dan zul je mij pas goed kunnen helpen.'
Het is een blauwe machine. Ze is groot. Ik moet wel zes passen
nemen om er langs te gaan.
Mijn hand glijdt verder. Ik begin te stappen.
Eén... twee... drie... vier...
Plots is er bloed. Ik trek mijn hand terug. Dikke druppels
stromen langs mijn arm tot in de mouw van mijn trui. Ik ween.
Er is scherpe pijn. Ik roep. Ik bloed. Ik hou mijn hand hoog
in de lucht. Ik snak naar adem. Gerard kijkt ontzet toe.
Hij komt naar mij gelopen. Hij neemt me in zijn armen en loopt
met mij naar buiten. Ik ween.
Moeder weent luider dan ik. Ze struikelt het huis uit.
Haar rug doet pijn. Ze is ziek. Ze heeft reuma. Ze huilt
van angst en ontzetting. Ze heeft breinaalden in haar
handen. Ze breit een pull voor vader. Een rode pull.
Als ze pijn heeft breit ze altijd pulls of doet ze
verstelwerk. Ze noemt dat zittend werk.
De pull is bijna af. Ze is aan de laatste mouw bezig.
Moeder ziet me staan. De naalden kletteren op de grond.
Ze komt bij me. Ze zet zich op haar knieën en houdt
me stevig vast. Ik voel haar warme borsten tegen mijn lijf.
Ik kus haar. Zij huilt. Zij kust me. Ik huil.
Mijn kapotte rechterhand ligt in haar handen.
Ze roept om vader.
Vader is niet thuis. Haar tranen vallen op mijn hand.
Ze maken mijn bloed dun.
Anna, de buurvrouw, komt aangelopen. Ze is wit van schrik.
'Och God toch,' roept ze, 'och God toch.'
'Gerard, telefoneren, vlug,' roept moeder.
'Naar de dokter. Haast je. Vlug.'
We hebben nog geen telefoon.
Ik ween. De pijn maakt me duizelig. Het is alsof de grond
onder mijn benen wegzakt.
Vader komt thuis met de fiets. Op zijn schouder draagt
hij een pak latten. De latten zijn stevig samengebonden.
Aan het achtereinde van de latten is een rode doek geknoopt. Zo kunnen de andere mensen in de straat de latten goed zien.
Vader ziet me.
Hij neemt mijn hand in zijn handen. Ik voel hoe zijn lijf
tintelt van de pijn. Hij zegt niets. Hij schudt ongelovig met
zijn hoofd. Zijn ogen staan rood. Hij draait zich om en loopt
naar de auto.
'Maak je klaar, moeder. Kom, we gaan zelf naar de dokter.
Het moet vlug gaan.'
's Avonds laat rijden we naar huis. Het is donker. We komen van
de dokter. Het heeft lang geduurd. De dokter heeft gehecht en genaaid.
De pijn is bijna weg. De dokter heeft me een spuit gegeven. Langs
de weg stoppen we bij de apotheker. Vader stapt uit en gaat pillen
kopen. Als ik opnieuw pijn krijg mag ik er zelfs twee na elkaar
innemen heeft de dokter gezegd.
Ik zit op de voorbank van de Peugeot. Vader rijdt.
Ik leun tegen moeder. Ze weent zachtjes. Ze heeft haar
arm rondom mij geslagen en drukt me tegen haar aan.
Vader zwijgt. Af en toe kijkt hij naar mij en wrijft
met zijn hand door mijn haar. Mijn hand is ingepakt in witte doeken.
Ze rust in een steuntje dat rond mijn hals is vastgemaakt.
De pijn stroomt weg. Het gele licht van de koplichten priemt
door de avond. Ik zie de bomen staan langs de weg. We rijden
het dorp binnen. Het schokken op de kasseien kruipt tot in mijn hand.
Maar het gaat beter nu. Het is behaaglijk warm in de auto.
Ik zucht en voel me moe. Langzaam verdwijn ik in het land van dromen.
De populieren lossen op in het donker. Thuis rijdt vader de
auto tot aan de voordeur.
'Gerard, je bent hier nog,' hoor ik hem zeggen. Ik kijk op.
Gerard staat naast de voordeur. Hij houdt zijn helm in zijn
handen.
'Ik kon niet weg,' zegt hij. 'Ik moest weten hoe het met
de jongen gaat.' Vader knikt geruststellend en klopt hem op de
schouder.
Gerard komt naar de auto. Hij kijkt me aan, trekt lichtjes
aan mijn oor en glimlacht.
'Zie maar dat je zondag helemaal in orde bent,' zegt hij.
'Ik kom je halen.'
Ik maak een knipoog. Ik hoor het starten van de motor.
Gerard vertrekt.
Vader komt bij me. Hij neemt me in zijn armen en draagt
me naar hun kamer. Daar legt hij me in het midden van hun bed.
'Voorzichtig, hij slaapt bijna,' zegt moeder.
Ze maakt stilletjes mijn schoenen los, trekt mijn kleren uit
en dekt me toe met warme dekens. Ik ween opnieuw. Ik slaap.
Vader legt zich naast me op het bed en slaat zijn rechterarm
rondom mijn middel. Moeder ruimt mijn met bloed bevlekte kleren op
en gaat naar beneden. Ik ween opnieuw. Ik hoor het verre geluid
van water. Een emmer. De arm van vader houdt me veilig vast. Ik ween.
Ik slaap. Ik heb het warm. Zondag ga ik bij Gerard. Ik ben volmaakt gelukkig.
'Ik ga weg, jongen,' zegt hij jaren later op een dag. Ik sta
bij Gerard aan zijn werkbank. Mijn boekentas heb ik in de gang
gegooid. De Latijnse stamtijden kunnen wachten. Gerard steekt
zijn hand uit. Ik leg mijn rechterhand in zijn hand.
'Ik ga weg.' Hij kijkt me lang en onderzoekend aan, er zit een krop
in zijn keel. Hij kijkt naar mijn hand. Hij schudt ze stevig, ik knijp
uit alle macht terug. Zoals mannen.
'Jij redt het wel,' zegt hij.
En hij vertelt waarom hij weggaat. Dat hij zelf een zaak wil beginnen,
dat hij zijn eigen baas wil zijn, dat Denise liever zou hebben dat hij meer
thuis is, dat hij wat meer geld zou willen verdienen.
Ik heb Gerard nooit zoveel horen praten. Het is alsof hij zichzelf
niet is. Ik kijk hem aan.
'Ach, laat maar,' zegt hij. 'Het maakt niets uit.' Hij geeft me een
verontschuldigende klop op mijn schouder en loopt naar zijn werkbank.
's Avonds kijk ik hoe hij alles inpakt. Zijn gereedschap, de boortjes
uit zijn la, zijn werkkleren. Hij maakt alles grondig schoon. Morgen al
komt er een andere werkman in zijn plaats, aan zijn bank staan. Gerard wil
geen sporen achterlaten.
'Die zal ik nu niet meer nodig hebben,' zegt hij en hij gooit zijn
versleten handschoen tussen de houtkrullen. 'Vanaf nu eet ik alle dagen
thuis.'
Zijn motorfiets staat geladen als een pakezel. Gerard heeft alles stevig
vastgesnoerd met stukken lint van afgedankte rolluiken.
'Doe hem maar draaien, jongen,' zegt hij. Met alle macht die ik in
mijn rechterbeen heb zitten trap ik de Harley Davidson in gang. Gerard
stapt op. Ik kruip achter hem en rij mee tot aan het hek.
Daar kijk ik hem een laatste keer na. De tranen rollen uit mijn ogen.
Net voor de bocht houdt Gerard halt. Hij draait zich in het midden van de
weg, flikkert met zijn lichten en zwaait breed met beide armen.
Na het avondeten ga ik naar het werkhuis en neem de handschoen uit
de houtkrullen. Ik klop ze uit tegen mijn dij en steek er mijn hand in.
Alhoewel ze nog te groot is, geeft ze een veilig gevoel. Mijn rechterhand
in de handschoen van Gerard. Ik ruik eraan. Ik ruik zijn tabaksvingers,
het zweet van zijn zware handen, koffie. Dan trek ik ze uit, vouw
ze dubbel en steek ze in de zak van mijn broek.
'Je redt het wel, jongen,' heeft Gerard gezegd. Ik weet het niet
zo zeker.
*
Leni loopt dicht tegen mij aan, ze haakt haar arm in de mijne,
haar schouders staan hoog opgetrokken tegen de koude.
'Ik had me nog warmer moeten aankleden,' fluistert ze.
Er is anders niemand op het kerkhof. De chrysanten hebben
de eerste novembernachten overleefd. De graven liggen in cirkels
rond de kerk gezaaid met, zoals overal, dicht tegen de muur
de kelders van de hoge dames en heren.
'Kom,' zegt Leni en ze trekt me mee. 'Hier hebben we weinig
te zoeken.'
Rij na rij lopen we het kerkhof af.
'Hij heeft drie jaar langer geleefd dan Denise,' zeg ik als we
tenslotte voor het graf staan.
Ik buk me en wrijf de herfstbladeren van de letters zodat
ik alles goed kan lezen. Leni geeft me een kus op mijn wang en
wandelt alleen verder.
'Ik wacht op jou bij de motor,' zegt ze zacht.
Langzaam ga ik met mijn hand in de zak van mijn broek, haal de
handschoen van Gerard eruit en prop haar in een spleet tussen
de zerk en de aarde.
De schemering valt als we weer op de Harley kruipen. Ik trek
mijn lederen jas dicht tot onder mijn kin, schuif de bril voor
mijn ogen. De machine start met een druk op de knop.
Op het einde van de straat draai ik mij om.
Ik knipper met de lichten en zwaai met mijn beide armen.
Leni drukt zich warm tegen mijn rug aan als we verder rijden.
Ik hou mijn tranen binnen en kijk in de achteruitkijkspiegel.
Er staat niemand. Niets is nog wat het was.
|
|