|
Arthur Rimbaud
De zitters
Puistzwart, pokdalig, hun ogen met groene ringen
Omrand, hun bolle vingers aan hun dij verkrampt,
Hun schedeldak bezaaid met vage uitstulpingen,
Als schilferplekken aan een oude muur geklampt,
Zo enten zij met stuiptrekkend liefdesverlangen
Hun zonderlinge knoken op het zwart karkas
Van hun gestoelte; in de stramme sporten hangen
Getrouw van 's morgens tot 's avonds hun voeten vast!
Terwijl de grijsaards met hun zittingen vergroeiden,
Voelden ze hoe de felle zon hun tanig vel doorvrat
Of staarden naar het raam waarin de sneeuw verbloeide,
En beefden met het pijnlijk beven van de pad.
De Zittingen zijn lief voor ze: het bruingesleten
Stro laat de hoeken van hun rug hun gangen gaan;
De ziel van oude zonnen licht op door de spleten
In de gevlochten halmen van ooit gistend graan.
De Zitters, knie aan tand, de krasse pianisten
Die met tien vingers roffelen onder hun zit,
Horen triest barcarolles klotsen door de misten,
En op die liefdesdeining knikt hun kersenpit.
- Maar laat hen toch niet opstaan! Of ze zijn verloren...
Ze rijzen op, blazend als een gestriemde kat,
En trekken traag hun schouderbladen op van toorn!
Bol spant hun pantalon om hun gezwollen gat
En je hoort hoe ze met hun kaalkop stoten tegen
De donkere muren, slefsloffend met kromme gang,
Hun jas lijkt woeste ogen te hebben gekregen
Die haken aan je blik vanuit de diepe gang!
Hun onzichtbare handen staan je naar het leven:
Bij hun terugkeer spuwt hun blik het zwarte gift
Dat in het lijdzaam oog broeit van geslagen teven,
Je zweet alsof je in een trechter werd gezift.
Weer neergezakt, de vuist verstopt in vuile mouwen,
Denken zij aan wie hen op hebben laten staan,
Terwijl een tros tonsillen tot het avondgrauwen
Onder hun slappe kin wild op en neer blijft gaan.
Wanneer de kuise slaap hun oogschelen sluit, dromen
Ze op hun leuning van een hele stoelenkroost,
Van lieve zitjes, aan de leiband meegenomen
En neergepoot rondom hovaardige bureaus;
Bloemen van inkt die kladden stuifmeel laten wellen
Bedwelmen hen die op hun kelk zijn neergehurkt
Als op het scherpe lis de vlucht van de libellen
- Terwijl hun lid zich aan de korenstoppels schurkt.
|