Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel

Arthur Rimbaud

De armen in de kerk

Tussen de eiken bidbanken bijeengedreven,
Zich warmend aan hun stinkadem, hun ogen scheel Naar 't gouddoorstroomd doksaal en 't kerkkoor opgeheven,
Dat lofgezangen keelt uit twintigvoudige keel,

De walm van was opsnuivend als de geur van broden,
Blij als geslagen honden die worden verplet,
Klagen de Armen Onze Lieve Heer hun noden
In een belachelijk verbeten smeekgebed.

De vrouwen doet het goed de banken glad te schuren
Na heel die zwarte lijdensweek die God hun bood!
Ze wiegen, ingepakt in zonderlinge luren,
Dat slag van koters dat blijft huilen tot ter dood.

Die soepeetsters, die smerige borsten etaleren,
Kijken alsof ze bidden, maar ze bidden nooit,
En zien chagrijnig een stel meiden paraderen
Dat zich met vormeloze hoedjes heeft getooid.

Daarbuiten kou en honger, kerels aan de bommel,
Goed zo. Nog één uur, dan weer kwelling zonder zin!
- Rondom weerklinkt gesteun, geneuzel en gemommel
Van wijven met een uitgezakte onderkin:

Naast toevallijders zie je hier die halve gekken,
Die mensen die je op de straathoeken vermijdt,
En hen die snuivend oude kerkboeken ontdekken,
De blinden, die hun hond het boerenerf op leidt.

Ze kwijlen in stom bedelaarsgeloof tezamen
En doen hun eindeloos beklag aan Jezus' voet;
Hij droomt daarginds, vergeeld door vale vensterramen,
Ver van dat schraal gespuis en van dat vet gebroed,

Ver van de stank die stijgt uit vlees en muffe stoffen,
Geknielde zwarte klucht vol walgelijk vertoon:
- En het sermoen bloeit op in woorden welgetroffen
En de mystieke klank wordt dwingender van toon,

Als uit de zijbeuken waar zon verkwijnt, in zijden
Kledij, wrang glimlachend de Dames uit de stad,
Die delicaat - o Jezus! - aan de lever lijden,
Hun vingers laten kussen door 't wijwatervat.
vertaling © Paul Claes