|
Arthur Rimbaud
De beduusden
Zwart in de sneeuw en in de nevel,
Bij 't kelderraam klaar in de gevel
Hun kont omhoog,
Zitten vijf kleintjes - ach! - te staren
Nu zich de bakker over 't zware,
Blonde brood boog...
Ze zien een van zijn witte armen
Die het beslag bruin in het warme
Ovengat schiet;
Ze horen 't lekkere brood bakken.
De bakker, die gemeen kan lachen,
Zingt een oud lied.
Ze zitten zonder te bewegen,
De rode kelder walmt hun tegen,
Warm als een schoot.
Als 't middernacht slaat op de toren
Het verse brood,
Als onder roet van ravelingen
De kruimige korsten geurig zingen
Bij 't krekelkoor
En als dit gat warm walmt van leven,
Gaat uit hun blije hart een beven
Hun lompen door,
Ze voelen zich geheel herboren,
Die kleintjes die haast zijn bevroren
En nu te zaam
Hun kleine, roze snoetjes dringen
Tegen het hek en dingen zingen
Door 't tralieraam,
Zo zacht als waren het gebeden...
Vóór deze hemel die hen heden
Opnieuw verblindt,
- Zo fel dat plots hun broekjes knappen,
- Daar wappert met hun witte lappen
De winterwind...
|