Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel

Over de uitvinding van de voltooid tegenwoordig toekomende tijd

Koenraad Goudeseune

... ondanks het feit dat ik vanmorgen om tien uur met een lichte kater ben opgestaan en bij mijn ontbijt twee aspirines heb geslikt en op geen duizend kilometer weet wat ik met de rest van de dag moet aanvangen want gisteren gaf ik het manuscript van mijn tweede boek aan mijn uitgever en hij zei veertien dagen geef me veertien dagen dan bel ik je op of dan schrijf ik je een briefje en ook dat hij heel erg benieuwd was en de goede man was daarvoor niet speciaal van amsterdam naar gent gekomen dat verwachtte ik ook niet trouwens dat tweede boek van me ik heb er hard aan gewerkt maar hoe harder ik eraan werkte hoe minder pagina's ik overhield en toen ik onder de vijftig pagina's dreigde te zakken en er van een boek in de strikte zin van het woord geen sprake meer was toen dacht ik behalve godverdomme ook kom misschien moet ik maar eens stoppen met werken want straks hou ik geen enkele pagina over en op de vraag wat ik al die tijd heb uitgevreten wat moet ik daar dan op antwoorden kom ik dacht misschien is het nu wel tijd om die pagina's ik noemde ze mijn verzamelde vellen om die pagina's ook al zijn het er maar vijftig om die pagina's aan mijn uitgever te geven en te vragen of hij er iets mee kan doen en zoja dan kan ik hem misschien ook de pagina's geven die ik nog niet helemaal heb weggegooid en die ik wel terug zal vinden als ik er hard naar op zoek ga en als hij met die eerste vijftig pagina's iets kan doen ik bedoel als hij nou die eerste vijftig pagina's niet het allerslechtste vindt van wat hij ooit heeft gelezen als ik hem niet alleen een lach en een traan heb weten te ontlokken als ik hem niet alleen maar bronstig heb gemaakt of tot razernij heb weten te brengen maar als ik hem ook zoals de natuur zelf tot mijmeren heb gebracht en als de compositie van mijn werk tegelijk roerloos is als de rotsen van een steile kust en deinend als een oceaan en als hij vindt dat mijn zinnen bewegen als de bladeren in een bos nou ik bedoel als mijn zinnen allemaal verschillend zijn in hun gelijksoortigheid en als er over het geheel een merkwaardige mildheid zweeft alsof het de zon zelf is die er haar warmte aan schenkt nou als dat allemaal zo is dan kan ik ook de nog niet helemaal weggegooide pagina's bij elkaar vinden om ze allemaal op z'n minst drie keer te herschrijven want ik heb ze niet voor niets opgeborgen natuurlijk daar had ik heus wel meer dan één goeie reden voor en om maar met iets te beginnen in die nog niet helemaal weggegooide pagina's staat ontstellend veel rotzooi omdat het nu eenmaal onmogelijk is om alleen maar te schrijven wat ik meen nou ik bedoel dat er altijd veel rotzooi is en dat dat altijd zo zal zijn en het zou op z'n minst ongepast zijn als in mijn werk plots geen rotzooi zou staan nou niet alleen ongepast zou dat zijn maar ook bepaald ongeloofwaardig en je kan je natuurlijk de vraag stellen of een boek pas een boek is als het allemaal heel erg geloofwaardig is en daar kan je uren over doorbomen maar dat lijkt mij allemaal verschrikkelijk saai en waar ik nou een bloedhekel aan heb dat is aan saaiheid de pest vind ik het en ik ben daar heus niet trots op want proust bijvoorbeeld vind ik doodsaai en het is niet leuk om proust doodsaai te vinden want proust heeft daar maar eventjes enkele duizenden meedogenloze pagina's bij elkaar geschreven en niet alleen zichzelf daarmee een plaats verzekerd bij de groten der aarde maar ook anderen ertoe aangezet meesterlijke bladzijden te schrijven desnoods over hoe weerzinwekkend saai ze proust wel vinden en wat moet ik daar tegenover stellen moet ik daar tegenover stellen dat ik brusselmans minder saai vind dan proust omdat brusselmans hoe krukkig hij het ook op papier kwakt mij soms aan het lachen brengt nou daarmee maak ik alleen maar mezelf onsterfelijk belachelijk toch maar wat ik wil zeggen is dat ik bij het schrijven van die rotzooi algauw denk goed zo doe verder hier ben ik potdorie op dreef turbo wat is dat turbo en dan kan ik van pure geestdrift soms wel tot drie keer toe rond mijn schrijftafel rennen en het is pas veel veel later dat het tot mij doordringt dat anders vinden want en dat is nou het jammerlijke van de hele zaak nooit ik zeg wel nooit kan ik op die wijze naar mezelf kijken natuurlijk en dat is nou ook geen nucleaire ramp of zo maar leuk is anders en als je dag in dag uit daarover en over niks anders moet schrijven dan is schrijven geen pretje natuurlijk en met schrijven daar ben ik op mijn zesde mee begonnen en onlangs hoorde ik een grap waarmee ik me een deuk heb gelachen nou iemand beweert dat hij van shakespeare alles heeft gelezen werkelijk alles en iemand anders vraagt hem of hij dan ook die zaken van shakespeare heeft gelezen toen shakespeare nog leerde schrijven nou hij bedoelde toen shakespeare nog moest beginnen aan the tempest en the two gentlemen of verona en the merry wives of windsor en measure for measure en the comedy of errors en much ado about nothing en enzovoorts nou hij bedoelde toen shakespeare nog maar zes jaar was william nog en the en day en thou en night en sir leerde schrijven nou die grap vond ik kostelijk ik bedoel op mijn zesde schreef ik net als shakespeare oom en piet en jij en aap en boom en enkele jaren later kwam daar al een lijdend voorwerp en een onderwerp en een voorzetsel bij en voor ik het goed en wel besefte kon ik al een zin op papier zetten en als je steeds opnieuw een zin op papier zet dan heb je na verloop van tijd een opstel nou dat kon ik op mijn tiende al schrijven een opstel en ik kreeg er altijd net geen tien op tien voor omdat er altijd wel een foutje in mijn opstel stond en dat foutje hoe klein ook zorgde ervoor dat ik in plaats van een tien nog altijd een heel erg behoorlijke negen plus kreeg en ik was daar nog altijd zo trots als een pauw op natuurlijk maar als ik nou in plaats van een nog altijd heel erg behoorlijke negen plus als ik nou eens een tien had gekregen als er nou geen enkel foutje hoe klein ook in mijn opstel had gestaan nou dan zou ook de staart van een pauw bijlange niet bont genoeg zijn om er mijn gevoel van trots mee uit te drukken en ik vroeg mij af wat er dan wel bont genoeg zou zijn ik bedoel stel je voor dat er niks bestaat waarmee je je gevoel van trots kan uitdrukken dan ben je perfect als de dood zelf natuurlijk maar daar heeft niemand iets aan en jijzelf nog het minst dus vond ik het eigenlijk best wel oké dat er altijd wel een foutje hoe klein ook in mijn opstel stond omdat dat foutje er mij voor behoedde van pure trots ter plekke steendood te vallen en in het vijfde leerjaar had ik een aardige meester meester willy heette hij en meester willy las dat opstel van me in de klas voor en dat deed hij wel heel behoorlijk en ik mocht er best trots op zijn dat meester willy mijn opstel voorlas en dat hij niet het opstel voorlas van een andere jongen ook al was dat opstel van die andere jongen maar een ietsje minder mooi dan mijn opstel en ook al stonden er in het opstel van die andere jongen in plaats van één foutje twee foutjes maar wat ik minder aardig vond van meester willy was dat hij dat ene foutje dat ik in mijn opstel had geschreven op bord schreef bijvoorbeeld als ik het woord misschien fout had gespeld en messchien had geschreven nou dan schreef meester willy messchien op het bord en dan vroeg hij aan de klas wat daar nou fout aan was en dan was er altijd wel een lul die zijn poot in de lucht stak en naar het bord werd geroepen en die lul wist dan altijd wel hoe het woord misschien correct wordt gespeld nou en dan mocht die lul mijn woord van het bord vegen en op dezelfde plaats datzelfde woord schrijven maar correct gespeld en dan was het zijn beurt om trots te zijn en als hij weer naar zijn plaats stapte dan keek de hele klas bewonderend naar hem omdat hij wist hoe het woord misschien correct wordt gespeld en als hij dan opnieuw in zijn bank zat dan keek de hele klas naar mij en dan hoorde ik hen allemaal denken daar zit die lul die niet weet hoe je het woord misschien correct moet spellen en dat woord bleef daar dan nog een heel uur op het bord staan prijken misschien misschien misschien ik werd er gek van en ik kon naar niks anders kijken en al die woorden in mijn opstel die ik we avond na avond mijn kamer alsof ik niet langer een gewone jongen van zestien jaar was en nog te luisteren had naar wat mijn ouwelui te vertellen hadden nee hoor ik verliet mijn kamer alsof de rollen waren omgekeerd eindelijk is het zover dacht ik en ik vond dat mijn ouwelui naar mij hoorden te luisteren want een gewone jongen van zestien jaar was ik beslist niet omdat een gewone jongen van zestien jaar zo dacht ik nou een gewone jongen van zestien jaar die wil een liefje en een brommer en bij anderlecht voetballen en op reis naar weet ik veel en op zaterdagavond wil een gewone jongen van zestien jaar naar een teedee dat heette zo bij ons en teedee betekent fuif dat is slang voor thé dansant maar als je dat correct uitsprak dan maakte je je onsterfelijk belachelijk natuurlijk waarom weet ik niet maar het was wel zo nou dat wou een gewone jongen van zestien jaar allemaal en een gewone jongen van zestien jaar was er helemaal niet mee bezig om een boek te schrijven dat stond heel erg ver van zijn puberale noch-mossel-noch-viswereld nou het gekke was dat ik al die zaken die een gewone jongen van zestien jaar wil eigenlijk ook zelf doodgraag wou ik bedoel ik was dan wel absoluut geen gewone jongen van zestien jaar maar ik wou afgezien van op reis gaan en bij anderlecht voetballen ook wel een brommer en een liefje en nog zo één en ander maar dat kon je me natuurlijk nooit horen zeggen want ik was geen gewone jongen van zestien jaar en soms maakte ik een foutje ik bedoel het gebeurde dat ik verliefd werd op een meisje zonder dat ik goed wist wat ik precies verkeerd had gedaan dat meisje had bijvoorbeeld vriendelijk naar mij gelachen of ze had iets gezegd dat blijven hangen was en waaraan ik bleef denken en ik kreeg er ook vlinders in mijn buik van en hoe dat voelde nou dat stak vreselijk bij mij alsof er zich geen vlinders maar wespen in mijn buik hadden genesteld en was ik nou in plaats van op een meisje op een jongen verliefd geworden dan had ik daarmee nog enigszins in vrede kunnen leven dat had er bij mij in gekund omdat het niet uitzonderlijk is dat een schrijver zich aangetrokken voelt tot zijn eigen geslacht ik bedoel het was me al opgevallen dat er behoorlijk veel flikkers in de literatuur vertegenwoordigd waren en als ik nou ook zo'n john cheever of zo'n oscar wilde zou zijn geweest dan had ik daarmee in vrede kunnen leven daar had ik kunnen voor tekenen maar op een meisje en dan nog zo'n doodgewoon meisje van zestien jaar daar voelde ik me toch wel heel erg betoeterd bij en dat leek me het stomste wat ik kon doen ik die tenslotte geen gewone jongen van zestien jaar was en het was dan zaak om die fout zo vlug mogelijk te herstellen natuurlijk en dan stapte ik in plaats van naar dat meisje dan stapte ik naar een lul toe die eruitzag alsof hij best wel eens verliefd zou kunnen worden op een meisje van zestien jaar zo'n lul die zich 's avonds ongetwijfeld suf lag te rukken met voor z'n geestesoog zo'n gewoon meisje van zestien jaar met tieten die nog tien centimeter moeten nou en dan zei ik tegen die lul weet je dat dat meisje al maanden kapot van je loopt weet jij dat wel en dan ging ik daarop zo hard door dat die lul me niet alleen geloofde maar zelfs iets voor dat meisje begon te voelen en na twee dagen hield die lul niet meer samen van nerveusheid natuurlijk en telkens als hij dat meisje zag werd hij bloedrood en zo en hij maakte zich snel uit de voeten in de hoop dat dat meisje hem achterna zou lopen en hem haar liefde zou verklaren waarna ze dan voor eeuwig en altijd in elkaars armen zouden vallen en nog enkele dagen later stapte ik ook naar dat meisje toe en soms was dat hartverscheurend want dan zei ik ik moet je iets vertellen en dan wachtte ik eventjes om mijn woorden met stilte nog nadrukkelijker te laten klinken en dat meisje begon dan soms te blozen en ook wel te glimlachen en wel op zo'n manier alsof ze eigenlijk al wist wat ik haar wou zeggen ik bedoel alsof ze het niet alleen verwachtte wat ik wou zeggen maar het ook heel graag wou horen want het leek wel alsof ook zij met van die vlinders in of met johan of met cliff of met koen of met sven of hoe die lul ook mocht heten ik bedoel je reinste cyrano de bergerac was ik want ook ik kon van die zinnen schrijven die ik in geen tien jaar zo uit mijn bek zou krijgen als ik ze in plaats van te schrijven zou willen zeggen nou ik bedoel een gewone jongen van zestien jaar zou vast niet van die zinnen schrijven en ook ik die absoluut geen gewone jongen van zestien jaar was moest behoorlijk lang aan die zinnen sleutelen als wou ik als een pauw met een door modder aaneengekoekte staart alsnog al mijn tinten tonen en daarnaast was ik ook nog een heus boek aan het schrijven ahum nou met schrijven was ik de godganse dag bezig en het wraakroepende was dat iemand anders de oogst mocht binnenhalen en wat er op de lagere school met mijn opstellen gebeurde dat herhaalde zich in mijn liefdesleven want dat meisje werd dankzij mijn brieven waanzinnig verliefd op die lul en omdat ik zo'n beetje als koppelaar had gefungeerd en omdat het dus dankzij mij was dat die twee zoveel geluk ervoeren nou daarom kwam dat meisje me ook vaak bedanken en dan maakten we een praatje en dan zei ze bijvoorbeeld dat ze niet alleen keitoffe brieven van die lul kreeg maar dat hij ook nou ja en dan bloosde ze opnieuw en dan kon ik me al een beetje voorstellen wat die lul met haar uitvrat nou daarbij kon ik mezelf soms wurgen van spijt natuurlijk en als ik nou een gewone jongen van zestien jaar zou zijn geweest dan had ik haar misschien in een onbewaakt moment opgebiecht dat niet hij maar ik al die keitoffe brieven schreef en dat ik dus zo je wil evenveel of zelfs meer recht had om haar te zoenen en haar hand vast te houden en met mijn vuile tengels aan haar tieten te zitten en wie weet ook in haar broekje te tasten maar dat deed ik allemaal niet omdat ik nu eenmaal van een ander kaliber was en wat ik wel deed dat vond ik bepaald geniaal van mezelf nou ik bedoel ik speelde het spel helemaal door en naast de brieven die ik onder de naam van die lul schreef schreef ik ook brieven onder mijn eigen naam opzettelijk krukkig schreef ik dat tweede soort brieven en veel gore praat ook en bij het schrijven van dat tweede soort brieven stelde ik me voor dat als die lul brieven zou schrijven nou dat hij dan dit soort brieven zou schrijven en natuurlijk was ik opnieuw de enige die mij geniaal vond want dat meisje wou na een paar van die brieven niet meer met me praten omdat ze zich vreselijk beledigd voelde en nog zo van die sentimentele onzin meer en ze porde ook haar vriendje aan om mij eens goed de les te lezen nou dat moest hij dan maar eens proberen zei ik en ik begon te roepen en hem voor rotte vis uit te schelden en hem te duwen en zo en hij kon me natuurlijk niks maken omdat hij nou ja enzovoorts en dat meisje ondanks het feit dat ze hem had aangepord om mij eens goed de les te lezen dat meisje mijn meisje viel dan ook nog eens ei zo na omver van bewondering voor die lul zijn koelbloedigheid want een gewone jongen van zestien jaar zou me al lang een peer tegen mijn kop hebben verkocht nou ik bedoel hij mocht dan ook nog met de eer weglopen niet een gewone jongen van zestien jaar te zijn en daar stond ik dan en er bleef me niets anders over dan als een boer opnieuw in mijn overall te kruipen en verder te ploegen aan wat mijn eerste boek zou worden en op een mooie avond had ik dan eindelijk de laatste hand aan mijn eerste boek gelegd ahum en ik kwakte de deur van mijn kamer achter me dicht en ik was er zo mogelijk nog heiliger van overtuigd dat ik niet meer te luisteren had naar wat mijn ouwelui tegen mij te vertellen hadden omdat het nu wel heel erg duidelijk was dat ik geen gewone jongen van zestien jaar was en in dat boek van me kwam een verhaaltje voor dat ik zelf nogal pikant vond en waarmee ik me tijdens het schrijven ettelijke keren had liggen bevlekken zo bloedgeil werd ik ervan nou in dat verhaaltje was er een vrouw en die vrouw was niet alleen heel erg mooi maar ze schilderde ook een heuse kunstenares was die vrouw en ik gaf haar het uiterlijk van de lerares godsdienst die ondanks het feit dat ze allerl en zo breeddenkend was ik wel maar wat ze absoluut niet wou en waar ze een bloedhekel aan had nou dat was in herhaling vallen dat wou ze absoluut vermijden immers leonardo da vinci hoeveel mona lisa's had hij geschilderd nou één enkele toch maar en die man kon het schudden natuurlijk en dat had ik dus allemaal geschreven en bij dat schrijven had ik mijn uiterste best gedaan om het zo geloofwaardig mogelijk te maken en daar was ik vond ik best wel in geslaagd want mijn pa aan wie ik het niet eens van harte liet lezen wel mijn pa vond het smeriger dan de goot het was alsof ik zo zei hij alsof ik in plaats van een verhaaltje te schrijven naast de wc-pot had gescheten zo vond hij het en ik hoorde mij diep en lang te schamen zei hij nou het dak op met hem zei ik of dacht ik maar ook mijn ma die ik heel graag zag ook al kon je mij dat nooit horen zeggen natuurlijk nou ook mijn ma stopte na drie luttele bladzijden met lezen en nadat ze mijn eerste boek achteloos op het stapeltje oude kranten had gelegd begon ze over iets heel anders nou dat ik maar eens mijn kamer moest opruimen zo zei ze totaal maar dan ook totaal naast de kwestie was dat en alsof dat qua affront nog niet erg genoeg was zei ze ook dat ik twee weken lang de afwas in mijn eentje moest doen en toen knapte het bij mij en ik dacht wat krijgen we nu en ik wou haar een lel tegen haar kop geven natuurlijk want dat ze niks van literatuur begreep dat kon ik haar niet echt kwalijk nemen omdat ze nooit iets anders dan konsalik had gelezen van die dikke turven waarin drie keer niks staat en waarbij ze dan ook nog eens zat te janken en thans was ze meestal te ziek om ook maar zo'n snotmagazine als het rijk der vrouw te lezen nou ik kon het haar vergeven hoor zo'n onmogelijk karakter had ik nu ook weer niet en zoals ik al zei ik zag mijn moeder wel graag ook al kon je mij dat nooit horen zeggen natuurlijk maar waar ik op afknapte was dat ze er mij om wou straffen nou dat vond ik toch al te kras en ik kon op mijn gezicht niet helemaal verbergen dat ik haar een klap wou verkopen en als mijn ma ook nog maar het geringste spoor van agressie op mijn gezicht bemerkte m'n lip die begon te trillen bijvoorbeeld nou dan haalde ze werkelijk alles boven waarmee ze zelf kon meppen want dat vond ze de enige manier om mij te temmen een wilde aap was ik die dringend getemd moest worden nou een wilde aap die een boek schrijft da's ook mooi zei ik en vlam daar ging mijn kaak en nog een klap en nog een klap en daarna nog één en wat een feestje had moeten worden ontaardde al heel gauw in een slagveld en ook mijn zussen begonnen te janken en het eindigde met tieren en stampen en met deuren gooien en nooit nog mijn mond opentrekken en dat laatste vond ik het allerergste want dat kan je wel twee of drie of zelfs vier en als het echt moet vijf dagen volhouden niks zeggen wil ik zeggen maar na vijf dagen raak je met die stilte wel heel erg in de knoei natuurlijk en dan ga je van die lullige toegevingen doen en na vijf hemeltergend lange dagen laat je al eens het woord ja en het woord nee in je mond toe en ook het woord misschien en daarbij voel je je achteraf zo mogelijk nog meer bescheten want wat er nou precies aan de hand was daar heeft niemand het nog over en daar mag je het zelf ook niet meer over hebben al heb je er meer dan tweehonderd bladzijden over geschreven want de ellende begint dan van voren af aan en het enige dat me overeind hield nou dat was dat later over pakweg twintig jaar als ik eenmaal een beroemde schrijver was geworden nou dat er hier dan in mijn ouderlijk huis een horde journalisten en biografen met hun vuist op de keukentafel zouden timmeren omdat ze het maar niet in hun kop kregen gespijkerd hoe mijn ouders me dat allemaal hadden kunnen aandoen en als ze mij nou latijn hadden laten studeren zo dacht ik dan kon ik dat tafereel alvast in het futurum exactum schrijven dat betekent de voltooid tegenwoordig toekomende tijd en die vervoegingsvorm kennen we helaas niet in de nederlandse taal helaas zeg ik want dan kon ik nu al boontje om zijn loontje laten komen en dan zouden mij voortdurend probeerden te bedelven nou jullie kunnen allemaal het dak op dacht ik en mijn eerste boek kon me eigenlijk ook gestolen worden want ik zou het allemaal herschrijven en met het oog op dat herschrijven gaf ik mijn eerste boek aan mijn zus te lezen want die deed moderne talen op de heilige familie en zij was een crack in spelling en nadat ze er een paar minuten in had zitten bladeren zei ze dat misschien en ze bedoelde het woord misschien niet met een e wordt gespeld dat het niet messchien is maar misschien nou dat wist ik al vanaf mijn tiende maar ik vergat het keer op keer en nog iets vroeg ik maar dat was het enige wat ze erop te zeggen had namelijk dat misschien niet met een e wordt gespeld en die zus van me gaf het bladeren in mijn boek al na een paar minuten op en ging opnieuw zitten bokken in de fauteuil dat deed ze de godganse dag zitten bokken op muziek nou dat was mijn zus dan en loop jij straks maar lekker onder een auto dacht ik maar aan de andere kant kon ik er natuurlijk niet naast dat misschien inderdaad niet met een e in de eerste lettergreep wordt gespeld en dat mijn zus wat dat betreft gelijk had en wat haatte ik het om eerlijk te zijn want om heel eerlijk te zijn vond ik een aantal zinnen uit mijn eerste boek niet erg geslaagd en één bepaalde zin waaraan ik heel hard had gewerkt een zin die ik dankzij een onwaarschijnlijk secuur geweven netje van komma's en gedachtenstreepjes en puntkomma's tot langer dan anderhalve pagina had laten uitgroeien zo'n zin die je niet in één adem kan lezen en waartegen je dus u hoort te zeggen nou die zin vond ik allerminst geslaagd want ik kon die zin zelf niet meer zo goed volgen en wat is me dat nu dacht ik want ik moest toch de eerste zijn om het allemaal te kunnen bevatten omdat ik het zelf geschreven had nou dat vond ik en ik kon dat niet en ik begreep er op mijn beurt geen klap meer van en misschien zou het eerlijker zijn dacht ik niet zo eerlijk te zijn maar hoe langer ik daarover dacht hoe fascistischer ik dat vond of misschien is fascistisch niet het juiste woord maar in ieder geval iets waarvoor ik me hoorde te schamen want het kan nooit eerlijker zijn niet zo eerlijk te zijn omdat eerlijkheid de alfa en de omega is van van van nou weet ik veel van mezelf desnoods want ik raakte met mezelf heel erg in de knoei als ik zo bleef doordenken en op papier kreeg ik ondanks al dat denken geen letter meer en dat was natuurlijk de grootste ramp en ik dacht nou even recapituleren misschien de eerste voorwaarde om het allemaal in de voltooid tegenwoordig toekomende tijd te kunnen herschrijven is dat het in de voor het nederlands gangbare tijd begrijpbaar moet zijn en nadat ik tot mijn allergrootste ergernis had moeten vaststellen dat het ook in de tegenwoordige tijd of in de verleden tijd of in de onvoltooid verleden tijd of in de voltooid verleden tijd of in wat voor tijd ik die zin ook had geschreven niet begrijpbaar was kreeg ik het heel erg kwaad en ja hoor mijn eerste boek gooide ik met pijn in het hart in de kachel en daarmee kwam ik willens nillens tegemoet aan de wens van mijn pa en toen ik dat deed stond hij er ook nog eens met dat potloodluchtje van hem bij te grinniken en ik dacht jij ellendige klootzak ooit komt de dag dat ik in de voltooid tegenwoordig toekomende tijd met stront over jou zal schrijven want ik was echt wel pissig en omdat schrijven mij onderhand de strot uitkwam besloot ik op een goeie dag te gaan schilderen nou op een morgen vond ik dat ik niet zozeer een schrijver als wel een schilder was en ik timmerde mijn vaders oude duivenhok om tot een ruimte die een normaal mens z'n atelier zou noemen maar bij ons thuis was er niks normaal en toen ik eens op de vraag waar ga je naartoe had geantwoord naar mijn atelier en toen iedereen zich daarmee een breuk had gelachen want hoe kon ik dat nou weer over mijn lippen krijgen was ik rubens misschien en toen iedereen was uitgelachen ging ik naar mijn atelier maar dat woord wou ik nooit meer gebruiken en dat was ook geen probleem omdat ik in plaats van een schrijver een schilder was geworden en me du

© Koenraad Goudeseune