Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel

Het tijdschriftendecreet

Sara Block

Het Tijdschriftendecreet

Recensie

De nacht dat de democratie uitgevonden werd, was het zonder enige twijfel volle maan. Storm, springtij, voort-jagende wolken en een solitaire Fransman achter een dakraam die zich afvraagt waar hij zich met dergelijk kloteweer dan wel mee moet bezighouden. Ongemerkt is het geniale proces zich al aan het voltrekken: de woedende adem Gods stoort deze Franse mens al niet meer. Integendeel, geamuseerd probeert hij uit te rekenen hoe lang het duren zal voor de volgende wolk de maan zal raken. En zo, dankzij het verhoogde bloed in zijn rustige kop, het mechanische van zijn amusement en de niet zo toevallige afwezigheid van God, kon deze alom onbekende malloot de scheiding tussen kerk en staat bewerkstelligen. Het zou, zoals dat gaat, enkele jaren later leiden tot een iets bekendere revolutie, alwaar de scheiding op soms al te letterlijke wijze ettelijke vertegenwoordigers Gods in tweeën hakte. Een simpel suizen, met de scheiding tussen kerk en staat als gevolg. Had de Franse malloot, laten we hem Norbert noemen, dit geweten, hij zou wellicht minder prettig naar de maan hebben staan kijken. Gods toorn indachtig. Al zouden we zonder hem wellicht stukken minder comfortabel op de Euro staan wachten.

Nu, meer dan tweehonderd jaar later, heeft de enorme schokgolf die Frans Norbert met zijn verveling teweeg bracht, eindelijk het literaire tijdschrift geraakt. Het be-droevende mecenaat dat nog uit tijden van (door God aangeduide) adel en bourgeois stamt, zal binnenkort door het alomtegenwoordige economische principe vervangen worden. Tijdschriften die een vooraf bepaalde norm niet halen, zullen vermoedelijk verdwijnen; andere, meer professioneel ingestelde bladen, krijgen RSZ en pensioenfonds om nog professioneler te worden. De rest, waaronder De Brakke Hond, blijft zitten met een aalmoes, een halvering van subsidie oftewel de impliciete boodschap dat het dringend tijd wordt een andere weg in te slaan, 'omdat het zo niet langer kan'.
Hilarisch genoeg komt deze omwenteling van een CVP-minister en getuigt het, zoals het hoort, van een erg dubbelzinnige aanpak. Enerzijds valt het uiteraard niet te ontkennen dat amper nul komma drie procent van de bevolking het literaire tijdschrift koopt om het vervolgens grotendeels ongelezen in de kast te planten en het dus op dit vlak een volkomen irrelevant economisch product betreft dat dringend ofwel moet verdwijnen ofwel aan een grondige reconversie onderworpen dient te worden. Anderzijds krijgt datzelfde product, zij het professioneel of potentieel (d.i. 'beginnend'), wél een voorkeursbehandeling die toch nog steeds naar een erg populistisch aandoend mecenaat riekt. Begrijpe wie kan.

Maar laat ik me niet te zeer vergrijpen aan dingen waar ik geen kaas van gegeten heb. Overigens, naar mij verteld werd, zal de soep vermoedelijk toch niet zo heet gegeten worden als ze over onze hoofden viel. Het betrof slechts een testfase, waarin de verschillende standpunten in kaart gebracht konden worden en aangepast aan de werkelijke noden en behoeften. Of, zoals ik het begrijp, 'ze hebben ons weer goed liggen gehad, haha, wat een krampen heb ik toch opeens'.
Liever zou ik het hebben over datgene waar ik wel iets van begrijp: het literaire tijdschrift zelf. Ik vrees dat de hele heisa, Norbert-gewijs, te wijten is aan één man en één tijdschrift. Het overduidelijke succes van het NWT en zijn bezieler Herman de Coninck (wat een prachtnaam in deze context) moeten, zeker nadat het NWT bijna mee ten grave werd gedragen, zonder enige twijfel een bel hebben doen rinkelen. Het heeft er inderdaad alle schijn van dat het NWT, geschoeid op Humo-leest, een economische succesformule in zich droeg en dat, aangezien Herman de Coninck zich parttime met het blad bezighield, ook dit voor herhaling vatbaar is. Binnenkort verschijnt het nieuwe NWT, mede dankzij de inspanningen van de minister, maandelijks en zal het kunnen rekenen op de creatieve kracht van twee aangeworvenen uit een andere succesformule. Geen enkel bezwaar.
Maar, en daar ligt het kalf gebonden, het NWT zal helemaal geen literair tijdschrift meer zijn. Het lijkt me sterk dat een nieuwe redactie, onder maandelijkse tijdsdruk, het belangrijkste aspect van een literair tijdschrift zal kunnen vervullen. Laat staan dat dat hun ambitie zou wezen. Wat Herman de Coninck mijns inziens voor het literaire leven in Vlaanderen heeft betekend, laat zich niet zo eenvoudig herhalen. Letterlijk iedereen met een beetje talent die ik hierover aangesproken heb, heeft ooit een persoonlijke commentaar van De Coninck op zijn of haar ingestuurd verhaal of gedichten ontvangen. Tegelijkertijd zorgde hij ervoor dat de kwaliteit van de gepubliceerde nationale en internationale teksten dusdanig hoog was dat schrijvend Vlaanderen een norm gesteld kreeg om naar toe te werken en tenslotte slaagde De Coninck er ook nog eens in, via zijn Humo-opleiding, de (ook economische) populariteit van zijn tijdschrift dusdanig op te drijven, dat het niet anders kon of half Vlaanderen stuurde zijn zorgvuldig uitgetikte werkstukken in. Waarop de cirkel rond bleek. Er zijn mensen voor minder heilig verklaard, pardon my French.
Het nieuwe NWT zal dit huzarenstuk niet kunnen herhalen. Dat hoeft ook niet. De twee aangeworven mensen van De Morgen hebben alle gelijk van de wereld dat ze eerder naar een cultureel tijdschrift zullen toewerken. Met hun achtergrond en hun ervaring zou ik precies hetzelfde doen. Wat de lacune op vlak van vakmanschap echter betreft, die moet nog steeds ingevuld worden. Niet door het NWT, maar door de rest van de literaire tijdschriften. Immers, tot spijt van wie het benijdt, een schrijver (schrijfster) wordt niet zomaar geboren. Het kost jaren om datgene wat je te vertellen hebt om te toveren tot een leesbaar en aangenaam geheel. Jaren van proberen, bijschaven, herschrijven, beschrijven, nadenken en dies meer. Het is op dat vlak dat literaire tijdschriften zich bewegen. Het is niet aan hen na te denken over de economische relevantie van hun publicaties; redacties en ander geteisem moeten zich buigen over de kwaliteit van inzendingen en eigen brouwsels, in de overtuiging dat net dat het economisch principe is. Immers, wat levert, literair én economisch gezien, meer op dan een schrijver die zijn vak verstaat? Het zijn goede teksten die verkopen, een instelling en tenslotte een degelijke uitgever. Dat komt niet zomaar uit de lucht vallen.

© Sara Block