|
Ik sta op wacht en denk aan jou
Dirk Verbruggen
Vroeger moest je als man nog in het leger. Je vraagt je achteraf af of dat zo'n slechte zaak was. Voor de anderen. Burgerzin, het zal de postmoderne Belg een zorg wezen. Het vaderland. De vlag. De koning. De Brabançonne.
O, dierbaar België. Het heilig land.
Zaden in het zand.
Je was in een beweging. Het leger, de jeugd, de bond met en zonder naam.
Je had God en koning, premier en burgemeester. Ze waakten over het heilig land. Je kreeg ze bijna nooit te zien. Soms kwam God met laarzen aan door ondergelopen land waden. Of was het Boudewijn?
Ze spraken niet, God en co.
Alles was goed, zwegen ze in het goud.
Iedereen kende zijn plaats.
Mensen die zwijgen krijgen makkelijk een aureool van respect.
Achter de stilte ging het gewone middeleeuwse leven zijn gang. Eenvoudige meisjes werden verkracht, omdat het zo was.
En alles was goed.
Ze hadden het recht op het leven van hun lijfeigenen, God en co.
Je kon stakers gewoon doodschieten. Iedereen kende zijn plaats.
Vroeger waren er geen schandalen, want er was geen pers voor.
In de Gazet werden Gouden Jubilarissen onder bloemen bedolven en Eddy won Tour na Tour. De Vooruit zorgde voor biefstukken op het bord en als er al eens een scoop in Humo verscheen, moest je dat niet serieus nemen, het blad had zijn naam niet voor niets aan humor en radio te danken.
Leerlingen waren eigendom van de scholen. Scholen waren eigendom van de kerk.
Mooie jongens moesten het celibaat draaglijk helpen maken.
Kom eens naar mijn slaapkamer.
Kinderen waren eigendom van hun ouders. Ouders gingen nooit uit elkaar. Vrouwen bleven thuis. Om op hun eigen zenuwen te werken en om hun kinderen op te zadelen met een oedipuscomplex.
Mensen gingen naar de kerk. Als je niet naar de kerk ging, werd je uit alle soorten bonden gegooid. Mensen vielen nog liever dood dan uit alle soorten bonden te worden gegooid.
Toen brak mei achtenzestig uit. Mei achtenzestig was de langste maand van de hele eeuw. Ze begon in negentienzesenzestig en eindigde in negentiendriënzeventig.
Geen steen bleef nog op de andere staan.
Ze vonden seks uit en homofilie.
En weerbaarheid en schandalen.
Schandalen had je eerst in het buitenland. Je had Vietnam en Watergate. Terroristen, vrijheidsstrijders, neofascisten. En het Eurosongfestival. En Heintje zingt Mama.
En in eigen land? In de Gazet werden Gouden Jubilarissen onder de bloemen bedolven. En Lowie Luypaerts brak het record van levend onder de grond liggen. Ook hij werd onder de bloemen bedolven. En Eddy werd door de paus ontvangen.
Met autoloze zondagen begon het allemaal in ons land. De Economische Crisis sloeg toe. Mensen verveelden zich op zondag en kwamen op vreemde ideeën.
Vrouwen werden feminist en veroverden het recht op werk. Kinderen werden het huis uitgebonjourd.
De school zou wel voor hun opvoeding zorgen.
De school zou op den duur voor alles zorgen. Want de ouders waren niet thuis. Ze hadden het te druk met werken om hun huis vol te stouwen met ijskasten, was- en vaatwasmachines, tv-toestellen, hifi-installaties, auto's, pc's, fax- en antwoordapparaten.
Cocooning werd in België uitgevonden. Door mensen die voortdurend op elkaars zenuwen werkten in een zitkuil.
België was het enige land waar ze ooit zitkuilen in hun huizen inrichtten.
Nergens anders kon je beter op elkaars zenuwen werken. Terwijl het Eurosongfestival op tv woedde, hingen ouders met te veel lauwe Martini achter de kiezen in hun ribfluwelen banken. Ze waren nergens meer lid van en hadden al helemaal geen zin om monopoly te spelen met zeurende kinderen die door de totale verkavelingsoplossing van België geen kant meer opkonden.
Door cocooning is het helemaal uit de hand gelopen. Gezinnen vielen uit elkaar, of overleefden op incest. Moegetergde jongeren sloten zich aan bij de Cellules Combattantes Communistes of bij voetbalclub Anderlecht of bij een politieke partij.
Ouders waren plotseling volwassenen die zichzelf tegenkwamen. Bij gebrek aan bond en God en co wisten ze niet meer waar ze naartoe gingen en waar ze vandaan kwamen.
Daar kwam dan nog de taalachterstand bij en het feit dat de ons omringende landen ongelofelijk superieur deden.
Belgische volwassenen zaten plotseling vol complexen. Er was geen God meer die zich over hun onzekerheid ontfermde.
Met God was de Belg nog iemand.
Met God wist hij zijn plaats.
De school zal de kinderen wel opvoeden, denken de ouders.
Scholen gaan kapot aan opvoeding. Scholen willen alleen maar leren. Leren nieuwsgierig zijn, bijvoorbeeld.
Scholen willen niet echt eerst nog even kinderen opvoeden.
Daar zijn scholen niet voor gemaakt.
Daar zijn ouders voor gemaakt.
De kinderen met de grootste complexen gaan in de politiek. Wie anders dan misvormde, geteisterde kinderen zouden er dromen van een leven vol macht?
Politici houden niet van mensen. Ze hebben het te druk met zichzelf. Liefdeloos bedrijven ze het spel van de macht.
Liefdevol gaan ze alleen maar om met zichzelf.
Politieke leiders zouden moeten overlopen van liefde voor de anderen. Zoveel liefde zouden ze moeten hebben dat ze een heel volk aankunnen. Maar het is net het omgekeerde. Ze hebben de liefde van een heel volk nodig om zichzelf te redden.
Politici van nu kunnen niet meer zwijgen, zoals de oude God en co. Door voortdurend in de media te komen, gooien ze met het oeverloos praten hun aureool van respect van zich af.
Een politicus zonder aureool van respect of gezag biedt een troosteloze aanblik.
Politici van nu vluchten niet meer in hun zwijgen of hun studeerkamer. Ze vluchten weg.
Dat is de excentrische beweging van de postmoderne macht.
Leiders, zonder evenwicht en zonder gezag, opgejaagd door de media, door weerbare onderdanen, voelen zich in die mate onbegrepen dat ze voortdurend ergens heen moeten, het dondert niet waar.
Leiders van nu geven niet thuis. Als ze maar niet in hun werkkamer met zichzelf worden geconfronteerd.
De paus is ermee begonnen. En met groot succes.
Niets zo goed voor een benauwde geest dan een reis in den vreemde.
Postmoderne leiders hebben het te druk met Europa. Met reizen in het algemeen. Met het voorbereiden van reizen. Met het evalueren van reizen.
Als opgejaagd wild zijn ze nog maar net neergestreken, of ze voelen alweer de drang om ervandoor te gaan.
Waar klinkend goud van macht hen plaagt.
De nieuwe leider kent zijn plaats niet meer.
Uit zijn burcht van stilte, uit zijn werkkamer verjaagd, is hij nergens meer thuis.
Zo valt de macht in handen van onbekende medewerkers. De echte machthebbers, die aan niemand verantwoording verschuldigd zijn. De stille onderkoningen.
Iedereen die verantwoordelijkheid heeft, schijnt zijn macht af te dragen aan iemand anders. Ouders aan de school, directeuren aan een comité, politici aan hun kabinet.
Wat is er zo mis met macht, dat ze als een hete aardappel doorgegeven wordt?
Dit is een slechte tijd voor vaderfiguren. En moederfiguren, uiteraard. Wie is er allemaal niet dood? God, Marx, de koning, de wijze vader, de zwijgzame politicus.
Ze weten het ook niet meer, de leiders. Ze halen de schouders op.
Wat weten ze niet meer?
Waarheen het moet.
De heilsleer.
Of hoe het moet.
De regels, de wetten, de afspraken.
En omgekeerd, de schuld, de boete, de straf.
Mensen met complexen vluchten weg van hun verantwoordelijkheid. Ze maken zich onzichtbaar.
Iemand straffen is iemand aarden. Iemand met zijn voeten op de grond zetten.
Onzichtbare mensen durven niet straffen.
Vroeger sloegen vaders hun opstandige zonen de hersenen in.
Niet echt een aanrader, dat niet. Nu doen opstandige zonen wat ze willen.
Tegen de achtergrond van afwezige vaders, straffeloosheid, liefdeloos geklets, en aan de andere kant ongebonden media en assertieve mensen, ontstaan de schandalen van deze tijd.
Of beter, komen ze aan de oppervlakte.
België is niet echt anders dan de wereld. Of tenminste het westen.
België is gewoon het topje van de ijsberg. En de mensen schijnen onder het gezag van narcistische leiders als een nieuwe Titanic naar hun lot te varen.
De gezagvoerders hebben geen heilsleer meer, geen God of geen Marx.
Ze drijven rond zonder richting, het enige wat overblijft om boven te blijven is het opgebazen ik. Het kapitale ik.
Het kapitalisme is geen leer, geen overtuiging, het is alleen de naam die ze geven aan het christelijk verlangen naar lust, veelvraterij, ellebogenwerk, de eerste zijn.
Het kapitalisme doodt de verbeelding, de inleving in de verhalen van andere mensen.
Politici moeten een verhaal hebben, van zichzelf en van een beweging, waarin de andere mensen hun verhalen kunnen inbedden.
Schrijvers maken nog verhalen. Een schrijver is een achterhoedevechter. Hij beoefent een vak dat niet veel mensen nog interesseert, zoals hij werkt op een onmoderne wijze, zonder beeldengeflits en snelle communicatie. Een schrijver is een uitstervende vaderfiguur.
Schrijvers moeten zich niet echt inlaten met de actualiteit. Kijk maar hoe sommige schrijvers hun literaire eigenwaarde verliezen door zich te begeven in de politiek.
Boeken die over actualiteit gaan, lossen op in die actualiteit. Ze werken niet, noch als boek, noch als pamflet, integendeel, ze werken maatschappijbevestigend. Zulke boeken bestaan alleen bij de gratie van de alomtegenwoordige media, en ze roepen het beeld op van een afwezige schrijver, een pretentieuze journalist.
Een boek, een schrijver heeft afstand nodig.
Een boek is misschien door zijn tegendraadsheid al een politieke stellingname.
Een boek verzet zich net door zijn aard tegen zwartwitdenken en snelle conclusies en slogantaal, een schrijver neemt afstand en twijfelt en overweegt, hij werkt op de verbeelding van de mensen en geeft hen de zin terug om te luisteren naar andermans verhaal.
Een schrijver moet zijn werk goed doen. Hij moet moedig zijn en geduldig en intuïtief. Een schrijver moet er staan en duidelijk zichtbaar zijn. Hij moet op wacht staan.
Misschien ramt de werkelijkheid van hier en nu zich wel zijn hersenen in. Door alle omzichtigheid heen.
Maar een boek gaat niet over de actualiteit, zelfs niet hier en nu.
En als er al politiek in zit, vind je die in de nuances, in de verborgen motieven van het verhaal, niet in het onderwerp.
De stijl is de enige politiek van de schrijver.
|