


|  |
Leve de nieuwe politieke cultuur! Leve het sonnet!
Filip Rogiers
Enkele notities over literatuur en politiek
I Guy leest een boek! Tom gaat naar het parlement! Over apen met hoeden en de BZN-ziekte
Een aap met een hoed op. Ik kan het niet helpen, maar toen ik hoorde dat De Brakke Hond een themanummer zou brouwen over het onderwerp 'literatuur en politiek' moest ik aan dat circusbeeld denken. Ik dacht aan de Olijke Hugo Olaerts van de Volksunie die ik ervan verdenk in zijn vrije tijd voor gelegenheidsdichter te spelen. Ik zie hem, getooid met veren in een strategische lichaamsopening, voor de huiskring kunstjes uithalen. Arme familie! Olaerts tekent zo nu en dan in het parlement voor de spreekwoordelijke vrolijke, maar vooral gratuite noot. Zo placht hij Jean-Luc Dehaene in het parlement al eens te interpelleren met een satirisch bedoeld puntdicht of sonnet. Het Sleutelplan noemt hij het Keutelplan. En als ik me niet vergis, vatte hij ook het illustere idee op om poëzie bij wet verplicht te maken in het parlement. Eén gedicht per dag houdt... tja, wàt houdt het weg? De Boze, Harde, Prozaïsche Werkelijkheid van het Politieke Bedrijf misschien?
Ik vrees dat Olaerts in zijn Ontzaglijke Onnozelheid inderdaad de heel dubieuze instelling illustreert die heel wat politici tegenover kunst in het algemeen en literatuur in het bijzonder aan de dag leggen. Zij - toch diegenen die wel eens een boek lezen - vragen niet liever dan dat journalisten hen over hun 'literaire voorkeuren' zouden ondervragen. Een foto voor de boekenkast, het liefst met opgestroopte mouwen, toont dat wij politici ook maar mensen zijn, nietwaar? Nu ook mèt emoties!
Noem het de BZN-ziekte. De Phil Bosmans-kwaal. Het laat zich fysiek aanzien. Als de politieke journalist het woord literatuur in de mond neemt, wringt de geïnterviewde de mondhoeken in een beate glimlach: 'Ach, wat ik zoal lees, vroeg u?' Menig politicus (en journalist, maar dat is een ander verhaal) bevestigt en bestendigt daarmee nolens volens het cliché dat kunst de zeden verzacht. 'Kunst' hoort thuis in het hoofdstuk 'hobby's', in het vakje waar politici aan toe komen als de wetsvoorstellen getekend en de brieven beantwoord zijn, of de interpellatie geschreven is. Of in de koffers voor Sardinië of Toscane. Het behoort tot de sfeer van de zachte waarden, nuttig, strikt menselijk gesproken zelfs noodzakelijk, maar politiek ongevaarlijk. Is het een toeval dat in Vlaanderen de bevoegdheden Welzijn en Cultuur sinds 1995 op één kabinet en onder één minister zijn samengebracht?
Ik ken maar een handvol politici die literatuur ernstig nemen, en dat houdt geen oordeel in over hun gevoel voor humor. Het zijn niet toevallig politici die het ook heel ernstig menen met de politiek en de democratie ten gronde. Ik ken ook een handvol schrijvers die wakker liggen van de democratie, en ook dat zijn weer mensen die de literatuur nooit anders dan gewetensvol en totaal beoefenen. Ze zouden niet anders kunnen. Tom Lanoye is zo iemand (ik zei het al: dit is geen uitspraak over het humorgehalte). Het relevante aan het thema 'literatuur en politiek' ligt in de aan- of afwezigheid van die sérieux, niet in de vaststelling dat Guy Verhofstadt wel eens een Zuid-Amerikaanse auteur leest of dat Tom Lanoye al dan niet de stap naar een politieke partij zal zetten.
Ik wil het hier dus niet hebben over de 'fysieke' contacten tussen literatuur en politiek, niet over de schrijver die in de politiek gaat, of de politicus die schrijft, of over andere apen met hoeden. Het feit op zich dat Vaclav Havel bijvoorbeeld de sjerp van president omgordde, is eigenlijk maar een detail. Het ware raakpunt van de twee werelden die literatuur en politiek heten - al geef ik de voorkeur aan het woord bekwaamheden - ligt elders: in Havels denken en schrijven dat hij zelf samenvatte als een 'poging om in de waarheid te leven'.
'De korst die ontstaat door het ''leugenbestaan'' is van een merkwaardig materiaal vervaardigd,' schrijft Havel. 'Zolang deze de gehele maatschappij hermetisch afsluit lijkt zij uit steen te bestaan. Zodra iemand er echter op één plaats doorheen breekt, wanneer één persoon roept: ''De keizer is naakt!'' - wanneer één enkel persoon de spelregels doorbreekt en doet blijken dat het systeem slechts een spel is - komt alles plots in een ander licht te staan, en dan lijkt de hele korst te bestaan uit dun gaas dat op het punt staat ongecontroleerd te scheuren en uiteen te vallen.'
Goede literatuur is net zo min ongevaarlijk als goede politiek. Daar zijn schrijvers en politici dus mee bezig: ontmaskeren, doorprikken, zeggen waar het op staat. In één woord: kritisch zijn. De dwarsdoorsnede van de twee bekwaamheden die literatuur en politiek heten, situeert zich dan ook niet in de personen (Guy of Tom) of de artefacten (boek of gedicht/wetsvoorstel of partijprogramma), maar in de taal en het denken. In de kwaliteit of het gebrek daaraan in beide bekwaamheden. Als de kwaliteit aanwezig is, kunnen we terecht spreken van literatuur en politiek. Als de kwaliteit ontbreekt, hebben we veeleer te maken met schrijverij en politique politicienne. Men vergelijke ook het verschil tussen kunst/kunde en kitsch. Dat laatste bestaat in de letteren (het woekert er zelfs), maar ook in de politiek. Wie nu en dan een verkiezingsmeeting meemaakt of een partijcommuniqué bekijkt, weet waar ik het over heb.
Tot mijn eigen verrassing heb ik er altijd al zo over gedacht, en ook al verschillende keren over geschreven. Dat heeft wellicht veel te maken met mijn professionele bezigheden: als literair criticus volgde ik de politiek al op de voet, als politiek journalist bleef ik uiterst gevoelig voor taal en taalmisbruik. Vier jaar als copywriter in de reclamewereld (jaren die ik overleefd heb door mezelf het belachelijke idee aan te praten dat het om een undercover-operatie ging) heeft ook geholpen om mijn gedachten terzake aan te scherpen. Ter voorbereiding van dit artikel begon ik te grasduinen in oude notities en botste ik op volgende passage, ruim zes jaar geleden geschreven:
'De kritiek moet poses doorprikken en niet alleen in de literatuur, maar op elk taalvlak. Inferieure literatuur heeft overigens het gebrek aan werkelijkheidswaarde - geen kwestie van realisme of mimesis in de negentiende-eeuwse betekenis, maar van waarachtigheid - gemeen met bijvoorbeeld reclameteksten of het prototype van de politieke speech. De gemene deler is het fenomeen dat kitsch heet. Geen enkele criticus zou het in zijn hoofd halen om de taal van een reclametekst op zijn inhoud te bespreken. Niet de tekst om de tekst zelf, maar wel als fenomeen is hier interessant terrein voor de criticus. De criticus kan de codes blootleggen, tonen hoe zo'n tekst werkt.'
'Bij wijze van politiek voorbeeld: op 11 juli - feestdag van de Vlaamse Gemeenschap - werden we overspoeld met toespraken van Vlaamse excellenties en verenigingen. Die teksten misten in elke zin van het woord kwaliteit en - dus - werkelijkheidswaarde. De slogantaal van de teksten verried overigens effectief de hand van een copywriter. Het kenmerkende van deze taal is dat ze uit het niets komt, maar wel dingen doet gebeuren, effect ressorteert. Het is taal die niet vertrekt van een reële noodzaak of een feitelijke toestand, maar vanuit abstracte intenties of sentimenten. Ze moet de behoefte aan een product of een toestand kunstmatig veroorzaken: een krachtig waspoeder of de ''splitsing van de sociale zekerheid''. Niet zozeer het wat is hier belangrijk - want eigenlijk doet de wetenschap dat er wel iets te zeggen kan zijn voor het onderwerp hier niet terzake -, wel het hoe. Ze maakt gebruik van taalstructuren, idee-fixen, sjablonen. Uit het niets neemt ze bijvoorbeeld de vorm over van woorden als ''passie'' (reclame) of ''democratie'' (politiek). Op dat fundament van dooddoeners wordt een wereld van bordkarton gebouwd, een wereld van make believe. Je hebt een goed werkende kritiek nodig om in deze wanstaltige verkleedpartij de naakte kiezers aan te wijzen, de klonen te ontmaskeren.'
'De politieke kritiek had in Italië Silvio Berlusconi al lang moeten ontmaskeren als nep- of pose-staatsman. Zo ook had geen enkele politieke commentator serieus moeten ingaan op de pose van Vlaams minister-president Luc Van den Brande (CVP) over een confederaal België. Er werd toegehapt op een denkbeeldig lokaas. Het enige gebeuren in dat voorval was een taalgebeuren. Héél ''postmodern'': Van den Brande creëerde een talige werkelijkheid die geen enkele referentie had aan wat Edward Saïd de ''wereldsheid'' noemt. Vorm en inhoud waren niet één, en ze zijn dat in het politieke discours uiterst zelden.'
'Hetzelfde mag van literaire kritiek worden verwacht: dat ze ons toont waar een tekst literair is en waar pose. De kritiek moet kunnen aantonen of een tekst die zich fysiek aandient als literatuur - door middel van de indeling in hoofdstukken, het omslag of andere puur vormelijke codes en sjablonen van het boek - daadwerkelijk ook literaire werkelijkheidswaarde bezit.'
Kritiek moet vooral taalkritiek zijn, dacht ik toen (en denk ik nog altijd). Taal in de brede betekenis van medium, communicatiemiddel. Kritiek ontcijfert - deconstructie, jaja - de graad van discrepantie tussen vorm en inhoud. Want dat vorm en inhoud één moeten zijn, dat geldt voor veel meer dan literatuur alleen. Wie de waarde van literatuur of politiek wil meten (en dat moet niet enkel de buitenstaander-criticus, maar elke schrijver en politicus voor zichzelf doen), moet het soortelijk gewicht van het taal- of mediumgebruik juist kunnen inschatten. Vergelijk bij wijze van oefening het woord 'vrijheid' in een reclametekst over tampons of draadloze telefoons, met hetzelfde woord in de beginselverklaring van de Vlaamse Liberalen en Democraten. Vergelijk het woord 'vrijheid' waarmee liberaal X elke regel inzake ruimtelijke ordening verwerpt (Handen Af van Mijn Tuinhuisje!, te vergelijken met: Mijn Auto, mijn Vrijheid) met de volgende bedenking die liberaal Y - hij heet Marc Verwilghen - bij hetzelfde woord maakt: 'Liberalisme is de vrijheid van denken en handelen die moet dienen om mensen onderaan de ladder kansen te geven om vrij en bevrijd te zijn. (...) Het ongebreidelde vrijheidssyndroom mondt uit in iets wat haaks staat op het liberalisme. Dat is dezelfde lippendienst die ook George Orwell over het communisme beschreef: iedereen is gelijk, maar sommigen zijn gelijker. Iedereen is vrij, maar sommigen zijn vrijer.'
Een degelijke politicus herken je, zoals een goede schrijver, aan de zindelijkheid van zijn taalgebruik en dus ook - om het met cultuurpoliticus (!) Jozef Deleu te zeggen - van zijn denken.
Onzindelijkheid staat voor een aantal gebreken: oppervlakkigheid, leugenachtigheid, vormeloosheid, et cetera. 'Misschien bestaat (dat) gebrek aan inhoud niet alleen in beelden of in het taalgebruik, maar ook in de wereld als zodanig. De pest treft ook het leven van mensen en de geschiedenis van landen, en maakt elke historie vormeloos, willekeurig, vaag, zonder begin of eind,' schrijft Italo Calvino. Literatuur die naam waard, is volgens hem het tegendeel van dit alles. Ze bezit lichtheid (geen lichtzinnigheid), snelheid (van geest), exactheid, zichtbaarheid, veelvoudigheid en duurzaamheid. Politiek die naam waard, bezit die kwaliteiten volgens mij ook. Literatuur die naam waard, is om al die redenen kritisch. Ze haalt vormeloosheid onderuit, ze herstelt verbroken relaties tussen taal/vorm en werkelijkheid/inhoud. Ze probeert juist te zijn. 'Zonder nieuwe dichters die de associaties herscheppen die zijn verloren gegaan, blijft de taal dood voor alle andere, meer nobele doelstellingen van de menselijke interactie,' schrijft de Engelse romanticus Percy Bysshe Shelley in zijn A Defence of Poetry. Vervang 'dichters' door 'critici'. En probeer het ook eens met 'politici'.
Misschien gaat dit alles veel te ver en bezondig ik mij aan overtrokken vergelijkingen. Maar ik vind dit leuker en - persoonlijk - relevanter dan te blijven steken in een beschrijving van apen met een hoed. In de volgende hoofdstukken laat ik mijn gedachten nog meer de vrije loop - u weze gewaarschuwd - en beschrijf ik de crisis van de politieke instellingen aan de hand van een hoogst eigenzinnig postmodernistisch referentiemodel. Met datzelfde model meen ik te kunnen aantonen dat wat meer postmodernisme in de Wetstraat de nieuwe politieke cultuur al een flink stuk had kunnen vooruithelpen. Tenslotte zal ik het mechanisme van vernieuwing in de literatuurgeschiedenis over de politieke puzzel schuiven.
II Waarom Louis Paul Boon niet achter de rode vaan kon lopen zonder zich op zijn ongemak te voelen. Over het postmodernisme (pardon) als gemiste (mep) kans (ha-ha) voor een nieuwe (au!) politieke (knal) cultuur (bijt).
Wat nu volgt, zal wel een heel onorthodoxe kijk op het postmodernisme zijn, het is wel de mijne. Het postmodernisme droeg de belofte in zich van iets heel moois, van meer menselijkheid. Het was, in vergelijking met het modernisme, een nog sterker gif tegen de vele karikaturen van de werkelijkheid, tegen de eendimensionale invulling van die realiteit, tegen de vele Grote Gelijken. Tegen al die patronen, schema's, dogma's, ideologische kaders et cetera die de werkelijkheid geweld aandeden en daarmee ook in de meest letterlijke zin onmenselijk waren (zijn). Het betekende nog een stap verder in de erkenning van de complexiteit van de werkelijkheid, van de veelvoudigheid van het menszijn. De modernisten hadden de naturalistische werkelijkheidsbeleving van de negentiende eeuw al aan de deur gezet, wegens niet meer adequaat voor de twintigste-eeuwse mens en wereld. De postmodernisten begrepen dat de realiteit nog ingewikkelder was. Postmodernisme betekende - om kort te gaan - niets meer en zeker niet minder dan een perfectionering van de kritische zin, van het realisme.
Enfin, dat had het moeten zijn. Want het gif is niet benut, te veel dwepers hebben de belofte van het postmodernisme zo hartgrondig verbrod. Ze hebben de juiste analyse gemaakt ('de realiteit is complexer dan we dachten'), maar er intellectueel heel luie conclusies aan verbonden ('we kunnen de realiteit niet meer vatten, dus alles kan en mag, alles is even veel of even weinig waard, we besparen ons de moeite van een synthese'). Het ware juister geweest om als conclusie de kritische zin aan te scherpen, de Grote Gelijken bij te stellen - in plaats van ze naast elkaar te laten voortbestaan.
Een kolossaal en spijtig misverstand is het geworden. Edward Saïd was één van de eerste postmodernisten die dat begon in te zien. Hij schoof het niet in de schoenen van Derrida maar wel in die van diens dwepers. 'Als je zegt dat alles wat feitelijk ontsluierend en ontnuchterend werkt - waarbij ideologische oogkleppen worden verwijderd en vormen van betrokkenheid worden blootgelegd -, gelijk is aan deconstructie, ben ik er voor. Maar er bestaat een ander soort deconstructie, die ik ''dogmatische'' of ''theoretische'' deconstructie zou noemen en die een soort striktheid eist. Ik denk overigens niet dat Derrida daar erg schuldig aan is geweest - daarvoor tapt hij te graag uit verschillende vaatjes tegelijk. Maar veel van zijn volgelingen lijken zo te redeneren.'
Vergelijk Saïds eerste definitie van deconstructie met Havels poging om in de waarheid te leven zoals boven geciteerd. Saïd noemde de volle kritische realiteitszin, die het postmodernisme had moeten zijn, 'wereldsheid'. Hij probeerde de door de pomodwepers ontspoorde kritiek weer op de sporen te zetten, en die sporen leiden naar de deconstructie van alles wat een karikatuur of een eenzijdige abstractie is van die veelzijdige verstands- en gevoelsrealiteit. Kritiek maakt weer menselijk. Kritiek legt de mechanismen van de 'onmenselijkheid' bloot, het legt de vinger op de zwakke plekken in een tekst waar het leven uit geweken is en waarin alleen abstractie of vormelijkheid overblijft. Saïd nam afscheid van het postmodernisme omdat het niet postmodern genoeg was, zoals Lodewijk van Deyssel ooit De dood van het naturalisme afkondigde omdat het zijn doel - meer realiteitszin - was voorbijgeschoten en in de praktijk was ontaard in het tegendeel (leugenachtigheid).
'De wereld van vandaag is te ingewikkeld en te hard voor u en voor mij die een hart hebben dat ontroerd geraakt bij de dingen die onze ogen aanschouwen,' schrijft Louis Paul Boon in Ook de afbreker bouwt op. 'En alleen zij die zich aangepast hebben om tussen de machines en de formulieren te leven, zullen het uithouden. (...) De rest, dat een hart, ogen, en wat hersenen heeft, zal vergaan in de lawine van papier, van staal-en-glas, als men niet begint te doen gelijk Boontje doet: zoeken hoe er in de wereld van vandaag weer wat menselijkheid kan gebracht worden.'
Het heeft jaren geduurd voor het juist ingeschatte postmodernisme zijn vruchten begon af te werpen in de literaire kritiek. In Vlaanderen zijn Louis Paul Boon en Gerard Walschap daar - eindelijk - beter van geworden, dankzij critici als respectievelijk Kris Humbeeck en Joris Note. Die slaagden erin om vele aspecten van het schrijverschap van deze complexe auteurs - aspecten die door ideologische deelkritieken telkens weer werden geïsoleerd - in hun geheel te duiden. Humbeeck gaf een treffende impressie van hoe de deelcritici tot dan toe om hùn Boon-been hadden gevochten: 'Dat heet dan polemiek: Boon is een socialist, nee een (post-)nihilist, nee-nee (pardon) een tedere anarchist, allez jong (mep), een volksschrijver, (ha-ha) (au!) mensch meneer, (knal) een (bijt) erudiete, euh... postmoderne pornograaf, toch?' De postmoderne criticus die Humbeeck zelf is, bracht de hele complexiteit van Boon in beeld, niet door de deelaspecten naast of onder elkaar te zetten als in een blokkendoos maar in een synthese. De postmoderne kritiek benadert de literatuur in haar intrinsieke waarde. Ze zoekt de taal en het denken van de schrijver, hoe versplinterd ook, toch op in haar initiële eenheid, in het samenvallende moment van het schrijfproces. Kortom, ze doet de werkelijkheid het minste geweld aan. Het ligt namelijk in de natuur van de literatuur zelf dat ze hokjes die het zicht op haar eigenheid belemmeren, opheft.
Ligt het ook in de natuur van de politiek om hokjes op te heffen? Of liever, zou dat moeten? Op het eerste gezicht is het postmodernisme volledig aan de Wetstraat voorbijgegaan. Voor politieke partijen en andere structuren is het dan ook veel moeilijker dan voor individuen om de groeiende complexiteit van de werkelijkheid te erkennen.
Maar waarom zouden in de politiek de Grote Gelijken onaangetast blijven? Waarom zouden de schema's hier niet vervreemden van de realiteit waarop ze decennia geleden gemodelleerd werden? Je zou juist verwachten dat die vervreemding zich in de politiek veel sterker en sneller doorzet, omdat de politiek toch directer gevoed wordt door en ingrijpt in de realiteit dan de kunst?
Die vervreemding is er, laat daar geen twijfel over bestaan, maar zoals dat bij het misbegrepen postmodernisme het geval was, zijn de conclusies van de politieke wereld tot nog toe misschien niet zo adequaat geweest. Politicoloog Luc Huyse heeft de vervreemding in kaart gebracht in menig boek en artikel: het afkalven van de zuilen, het verglijden van de macht naar terreinen buiten de politiek in enge zin, de opkomst van een generatie 'nieuwe' burgers die zich niet meer voor de rest van hun leven achter één partijprogramma kunnen scharen omdat het haaks staat op hun werkelijkheidsbeleving, enzovoort.
Wat is dit anders dan een groeiende discrepantie tussen vorm en inhoud, tussen politieke structuren zoals de partijen en de gewijzigde maatschappelijke realiteit? De analyse is dus gemaakt. Maar hoe zit het met de conclusies? Waar blijven in de politiek de Saïds, de Humbeecks en de Notes? En wat zou dat politiek betekenen, zo'n postmodern-kritische instelling? Ongetwijfeld zou het kunnen bijdragen tot een politieke cultuur waarin minder energie wordt verspild aan zinloze polemiek, of wat dan polemiek heet (pardon, mep, ha-ha, au! knal, bijt). Meer politiek, minder politique politicienne. Meer synthese voor het algemeen belang, minder versnippering door deelbelangen.
Partijbelangen zouden misschien iets vaker, intenser en onafhankelijker getoetst worden aan de reële realiteit eerder dan aan de veronderstelde realiteit. Politici zouden zich meer kunnen (moeten) laten leiden door rede, door de kennis van dossiers die complexer zijn dan wat die politici doorgaans in hun interpellatie of perscommuniqués laten vermoeden.
Dat lijkt allemaal evident, maar is het niet. Sommige politici kunnen niet meer onafhankelijk of kritisch denken, zo vast zitten ze in de steriliteit van de sjablonen waar de beleefde 'werkelijkheid' van de Wetstraat hen in dwingt. Het vergt intellectuele moed en ook kunde om die sjablonen - meerderheid/oppositie, partij X/partij Y, Franstalig/Vlaams - te doorbreken. De sjablonen modelleren het discours.
Propagandateksten rollen o zo makkelijk uit de pen en van de fax. Het idee dat politici hebben van kritisch denken komt overeen met 'partijdigheid' in de meest letterlijke zin van het woord: kritisch ten opzichte van de andere partij(en), niet intellectueel kritisch tout court. Het loont de moeite om sommige teksten van Marc Verwilghen (VLD) over justitie naast die van zijn partijgenoot Patrick Dewael te leggen. Of vergelijk de teksten van Norbert De Batselier (SP) over het communautaire vraagstuk met de praatjes van Johan Sauwens (VU) of Luc Van den Brande (CVP). Het is geen toeval dat de politicus die er toch in slaagt om werkelijk onafhankelijk en kritisch - zindelijk van taal en denken - zijn of haar ideeën op papier te zetten, verwarring zaait in het parlementaire halfrond. Het strookt niet met de sjablonen, het gooit de verwachtingspatronen overhoop. Die verwarring zegt veel over de onwereldsheid van de Wetstraat, de virtuele realiteit, de kritische onvolwassenheid.
Meer postmodernisme in de politiek hoeft dus geenszins een evolutie naar 'de lauwe consensus' te betekenen, en al helemaal niet het einde van 'het democratisch debat', zoals politicoloog Kris Deschouwer meent. Het tegendeel is waar.
III Waarom Bert Anciaux wellicht de Simon Vinkenoog van de Belgische politiek wordt. Over het mechanisme van vernieuwing in de literatuur en de politiek.
Vernieuwingen in de literatuur vertrekken altijd van het gevoel dat de bestaande kunst van dat moment verstard is, dat de discrepantie tussen vorm en inhoud te groot is geworden. Nog anders gezegd, dat de literaire vormen van dat moment niet (langer) adequaat zijn om het - ook in de literatuurgeschiedenis steevast als 'nieuw' omschreven - realiteitsbeleven gestalte te geven. Tegenover het besef van het volle of volledige leven staat de platitude van de bestaande vormen. Vijftiger Lucebert trachtte 'op poëtische wijze' de 'ruimte van het volledige leven tot uitdrukking te brengen', vanuit de vaststelling dat 'in deze tijd' wat 'men altijd noemde/ Schoonheid schoonheid haar gezicht (heeft) verbrand/ Zij troost niet meer de mensen/ Zij troost de larven de reptielen de ratten/ Maar de mens verschrikt zij/ En treft hem met het besef/ Een broodkruimel te zijn op de rok van het universum'. Ook hier praten we dus opnieuw over vervreemding, over vormen/sjablonen die uitgehold raken, waar de initieel overeenstemmende werkelijkheid uit wegglijdt.
Die analyse van literaire 'vernieuwers' is een constante, van het naturalisme over het modernisme naar het postmodernisme. Zonder in details te treden, wil ik hier even lukraak in de literatuurgeschiedenis bladeren om het mechanisme van vernieuwing te illustreren. En probeert u zich voor de aardigheid ook al eens in te beelden dat de geciteerde teksten eigenlijk net zo goed over politiek zouden kunnen gaan. Vervang bijvoorbeeld 'vormen' of 'teksten' door 'partijen' of 'zuilen', 'lezers' door 'burgers', enzovoort. Douwe Fokkema en Elrud Ibsch, in hun standaardwerk Het modernisme in de Europese Letterkunde: 'De dynamiek van de literatuurgeschiedenis wordt aangedreven door het besef bij lezers en schrijvers dat de bestaande uitdrukkingsvormen niet adequaat zijn, vooral niet naarmate hun betekenis duidelijker is gecodificeerd. De wereld van de ervaring blijkt telkens gecompliceerder te zijn dan in de bestaande teksten wordt voorgesteld. Dit verklaart hoe het mogelijk is dat nieuwe schrijversgeneraties telkens weer menen dat met de methoden van de voorgaande generatie de werkelijkheid niet adequaat onder woorden kan worden gebracht. Virginia Woolf voegde zich met haar essay Modern Fiction (1919) bij degenen die menen dat de methoden van de voorgangers niet meer voldoen: ''Admitting the vagueness which afflicts all criticism of novels, let us hazard the option that for us at this moment the form of fiction most in vogue more often misses than secures the thing we seek. Whether we call it life or spirit, truth or reality, this, the essential thing, has moved off, or on, and refuses to be contained any longer in such ill-fitting vestments as we provide''.' (Cursivering van mij.)
Tachtiger Willem Kloos had in de context van zijn tijd een gelijkaardig inzicht waaraan hij op zijn eigen, pathetische manier uiting gaf. Ook hij had het over de vervreemding tussen vorm en inhoud, tussen oude sjablonen en nieuwe inhouden, over 'het schoone hulsel' dat gaandeweg een 'lijkkleed' wordt, 'dat de angst der kinderen over het bleeke lichaam der moeder slaat'. August Vermeylen, Negentiger ofte Van-Nu-en-Strakser, heeft het over 'mechanische kunst, die slechts onder de invloed der mode ligt en der woorden wezenloos, die kunst die zich niet meer innig vereenigd voelt met het leven en uit het volle leven opgroeit'.
Such ill-fitting vestments as we provide? Het laat zich moeiteloos vertalen naar de politiek en de analyses die daar telkens weer opduiken als er van vernieuwing sprake is. Herman Gorter was niet alleen dichter, ook een revolutionair marxist. En nog belangrijker, hij bleef een 'revolutionair' die al heel snel na 1917 begon in te zien dat ook de nieuwe (sovjet-)vormen niet zo fitting waren als gehoopt. Echte vernieuwers zijn permanente revolutionairen. Laat het mij iets eenvoudiger zeggen: ze blijven kritisch, ook ten opzichte van de nieuwe vestments die ze naar voren schuiven. Dat leidt tot paradoxen waar de politieke vernieuwers in België anno 1998 iets van kunnen opsteken. Zo was en bleef Vijftiger Hans Andreus een grotere vernieuwer dan de meest enthousiaste dichter van het gezelschap, Simon Vinkenoog. Ook al keerde Andreus dan vrij snel 'terug' naar die in de eerste dagen van Vijftig zo verfoeide klassieke vorm van het sonnet, zijn verdiensten voor de vernieuwing van de literatuur in die dagen zijn groter dan die van Vinkenoog. Dat komt omdat Andreas eigenlijk niet terugkeerde naar het sonnet, maar het wel vernieuwde, het verder droeg. Simon Vinkenoog zag dat niet, begreep het in elk geval niet. Die reed zich al snel vast in het betoverende refreintje van 'nieuw, nieuwer, nieuwst'. De vernieuwing werd een dogma, sonnetten mochten niet meer. Waarom niet? Daarom niet! Het is het klassieke verhaal van de revolutie die haar eigen kinderen opeet, vaak nog voor de geboorte.
In elke literaire en politieke vernieuwing heb je altijd baanbrekers en stormlopers nodig. Het is hun droef lot dat ze binnen de kortste keren een karikatuur worden van zichzelf en van de hele beweging. Hans Andreus verweet Vinkenoog al heel snel te veel bezig te zijn met bijkomstigheden, uiterlijkheden, dressing. Bert Anciaux zou wel eens de Vinkenoog van de Belgische politiek kunnen worden, om binnen de kortste keren te verstarren in het experiment.
De echte, duurzame vernieuwing zit hem in de permanente kritische zin, het blijvend toetsen van de vormen aan de inhoud. Andreus bleef alert, zijn gedichten bleven modern. 'En misschien zal wat ik schrijf (sonnetten, FR) Remco Campert of Gerrit Kouwenaar of Simon Vinkenoog niet meer bevallen. Dat kan ik dan niet helpen,' schreef hij. 'Ik kan slechts mijzelf volgen. Misschien zullen, omdat ik nu soms ook ''klassieke'' vormen gebruik, Nijhovianen en anderen lianen een zacht doch doordringend gejuich aanheffen. Zij zouden ongelijk hebben. Ik wil ook iets anders dan de dichters van het passen, meten en gladstrijken. Ik pas niet, meet niet en strijk niet glad. Ik schrijf.'
Elke vernieuwing die gewicht in de schaal legt, is een poging tot 'rechtzetting'. Het moet de vormen opnieuw menselijker maken, de vervreemding bekampen. In de ogen van literaire vernieuwers is de oude poëzie die naam niet meer waard omdat ze is afgegleden naar rijmelarij of matjes vlechten. In de ogen van de politieke vernieuwers is de oude politiek een parodie geworden van de kunde die politiek heet. Ze is politique politicienne geworden. Echte vernieuwers doen niets anders dan permanent terugkeren naar de poëzie, naar de politiek, naar the essential thing. Zoeken naar nieuwe interfaces,zoals Jean-Luc Dehaene het placht te noemen. Maar zoals bij Andreus is de term 'terugkeer' hier verwarrend, omdat het allesbehalve om een achteruitgang, maar juist een vooruitgang gaat. Octavio Paz karakteriseert de 'eigentijdse' poëzie tussen twee polen: 'Aan de ene kant is zij een diepe bevestiging van magische waarden; aan de andere kant een revolutionaire roeping.'*
Andreus zegt het zo: 'Ik zie de experimentele of atonale poëzie - evenals Jan Elburg dat op zijn manier doet - als een overgangsstadium en bovendien als een opruimingswerk. (En ik zie het dikwijls als poëzie tout court, maar daar gaat het niet om.)' In dit artikel ging het daar wèl om. Het raakpunt van de twee bekwaamheden die literatuur en politiek heten, schuilt in de permanente 'vernieuwingsdrang' die dichters en politici moeten opbrengen om hun taal en denken zindelijk te houden, om de kloof tussen vorm en inhoud minimaal te houden. Het raakpunt is het engagement waarmee ze in het leven staan. Met die kritische zin bewaken ze automatisch de kwaliteit van hun werk en hadden we al menig politicus en zondagsschrijver met pek en veren uit de tempel kunnen jagen. Olijke Olaerts op kop. Exit with bear.
Leve de nieuwe politieke cultuur? Leve politiek tout court, leve the essential thing!
*Hetzelfde idee van vooruitgang/terugkeer kwam terug in een dubbelgesprek over politieke vernieuwing dat ik voor De Morgen van zaterdag 24 januari 1998 met Nobert De Batselier (SP) en Marc Verwilghen (VLD) voerde, op een moment dat de bovenstaande tekst al geschreven was. Wezenlijke vernieuwing is een back to basics-beweging, argumenteren deze twee politici. Het is een terugkeer naar enkele basiswaarden van de samenleving waarvan de politiek en de burgers vervreemd zijn geraakt. Waarden zoals die van de Franse Revolutie: gelijkheid, vrijheid en solidariteit. 'Het is curieus,' zegt Verwilghen. 'We noemen het vernieuwing, maar eigenlijk betekent het dat we moeten terugkeren naar een aantal waarden die we uit het oog zijn verloren.' En Norbert De Batselier: 'Als je politiek vernieuwend wil zijn, moet je permanent kritisch en alert blijven. Zoals Jos Van Eynde over het socialisme zei: politiek is altijd herbeginnen.'
|
|