Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel

Opstappen

Willy van Poucke

De mensen van ons land hebben altijd gehouden van optochten, stoeten, ommegangen, processies en marsen. Voor alle duidelijkheid, met ons land bedoel ik België. België ons land noemen, was tot voor een paar tientallen jaren een overbodige feitelijke mededeling. Nu is het een uitdagende, voorbijgestreefde stellingname geworden van een minderheid van wie zich hardop met politiek inlaten, van een minieme fractie van de spraakmakende gemeente. De grote, zwijgende meerderheid van de Nederlandstalige bevolking van dit land voelt zich wel nog Belg. Omdat ze zwijgt, mag ze voelen wat ze wil, meetellen doet ze niet. De Vlaamse beweging - ook de Waalse trouwens - is ooit door schrijvers aan de gang gebracht. Onder de schaarse lui die zich vandaag uitdrukkelijk Belg verklaren bevinden zich ook opvallend veel schrijvers. Schrijvers vergissen zich vaak bij hun politieke stellingnamen, dat mag duidelijk zijn. Soms gaan ze politiek zo grof in de fout dat de literaire waarde van hun werk mee tot zinken wordt gebracht, maar hierover meer een andere keer.
Bij nogal wat traditionele optochten in dit land wordt opgestapt in de klederdrachten van de oude gilden en ambachten en van waardigheidsbekleders. Al wat werkte en streefde diende zich in vroeger tijden herkenbaar aan. De ommegangen boden een kleurrijke illustratie van de sociale verhoudingen. Dat is voorbij, figuratie werd abstractie, afgelijnde gestalten werden vage vegen en klodders. Kortom, dat soort werkelijkheid bestaat niet meer, dus nemen we onze toevlucht tot een gedachtenexperiment.
Stel: de hedendaagse beroepsgroepen stappen op een welbepaalde hoogdag stoetsgewijs op door de steden. In wier nabijheid zouden de schrijvers zich ophouden? Zouden ze als vanouds voortschrijden naast de geleerden, de beoefenaren van de wetenschap en van de wijsbegeerte, naast de uitgevers van boeken, de journalisten en redacteuren van de bladen, naast de toondichters, de schilders en de beeldhouwers? Of zouden ze zich in de nabijheid bevinden van de acteurs en de zangers, de showmasters en de tv-interviewers, de presentatoren en de regisseurs?
De vraag stellen is ze beantwoorden, luidt de politieke retoriek.
De schrijvers wier boeken goed verkopen zouden gearmd lopen met de praatjesmakers van de radio en de televisie. Samen met nogal wat kleurrijker mens-, cultuur- en maatschappijwetenschappers, wijsgeren, journalisten, redacteuren, museumdirecteuren en hier en daar een schilder en een beeldhouwer. Allemaal met de zotskap van het amusementswezen op hun kop.
En de gesubsidieerde schrijvers, journalisten, wijsgeren en wetenschappers die zichzelf intellectuelen noemen, zouden eveneens elkaars nabijheid hebben opgezocht. Een verzuurd gezelschap dat zelfbewust voor zich uit zou kijken, maar niettemin het performante performersgroepje tersluiks in de gaten zou houden.
Aan de kop van de optocht zouden de politici elkaar wegdringen. Politici lopen altijd vooraan in optochten. Een paar weken voor hij premier van Frankrijk werd, stapte Lionel Jospin aan het hoofd van in Brussel demonstrerende Renault-arbeiders. Breed gebarend. Schaamteloos. Een verpersoonlijking van de leugen. Een ander soort leugen dan het domme gejok van Delcroix over zijn Zuid-Franse villa. Maar even beschadigend voor het aanzien van de politiek. Jospin kan moeiteloos worden vervangen door inlandse politici aan het hoofd van stoeten, er lopen er altijd. De Fransman maakte alleen duidelijk dat een verplaatsing naar een buitenlandse optocht niet meteen een karwei is als die het tv-journaal in het eigen land haalt.
De optocht als aloude metafoor voor de maatschappelijke verhoudingen en voor hun uiteindelijke futiliteit krijgt een metafysische betekenis als de gewaden om opstappende skeletten hangen, zoals op vergeelde gravures te zien is. De kleren maken niet langer de man, want die is er geweest. Alles ijdelheid. De dood, de grote gelijkmaker, scheert eenieder over dezelfde kam. In de allerlaatste stoet stappen allen op, zonder onderscheid. De uitdossing van de machtigen en de lompen van de armen hangen om dezelfde schamele skeletten. Al weten we heel goed dat we ze uiteindelijk voor lief moeten nemen, toch aanvaarden we allang niet meer die middeleeuwse gelatenheid. Omdat we ze hebben weerlegd. De machtigen zijn niet langer noodzakelijk rijkelijk uitgedost en de armen hoeven helemaal geen lompen meer te dragen. De maakbaarheid van ons leven, van onze wereld is in wezen strikt daartoe beperkt gebleven. Ondanks alles wat we kunnen, blijft de dood de absolute heerser. We zijn alleen niet langer geneigd dat zomaar openlijk te erkennen.
De dood is niet meer wat hij geweest is, hij werd weggeborgen op plekken ver weg van het dagelijks leven, hij werd weggewerkt naar bejaardentehuizen, naar ziekenhuizen en de begraafplaatsen liggen allang niet langer rond de kerk van de dorpen en de steden, maar ver ervandaan. Hij werd verbannen naar afgelegen oorden, zoals misdadigers eertijds naar het Duivelseiland en naar Australië. De doden verbleven niet meer onder de levenden, leek het. Tot zij ontsnapten uit de vergeetputten, toesloegen als guerrillero's en het hart van de samenleving troffen die hen dacht te kunnen ontkennen.
Het land van de vele marsen had dit nooit tevoren meegemaakt. Met honderdduizenden waren ze gekomen. Ze droegen niets dat hen van elkaar kon onderscheiden, geen vlaggen, banieren noch partijkleuren, geen borden waarop werd verkondigd waar ze vandaan kwamen, waar ze voor stonden, hoe hun dorp en hun vereniging heetten. Ze riepen om niets. Ze zwegen. Ze waren er, ze konden niet anders. Geen schreeuw kon luider klinken dan de oorverdovende stilte die dag. Nooit was een massa minder massa. Nooit tevoren was een massa vormelozer. Ze kon onmogelijk uit elkaar worden gehaald in herkenbare, benoembare onderdelen. Ze was even ondeelbaar als een moreel oordeel.
In de grootste mars uit de naoorlogse geschiedenis van het land liepen voorin geen politici. Naar dit historisch rendez-vous hadden de mannen en de paar vrouwen met een gereserveerde plaats op de eerste rijen zich niet gehaast. Ze waren thuisgebleven en luisterden laf naar de berichten over het ongewone massagedrag, ze keken met verbazing naar de beelden.
De honderdduizenden waren alleen gekomen of vergezeld van gezinsleden en familie, van kennissen en vrienden. Ze dienden zich aan in de kleinste organische eenheden waaruit de samenleving is samengesteld. Ze stapten niet achter de vlaggen van hun verenigingen, ze bevonden zich niet tussen mensen uit hun eigen streek, van hun eigen bedrijf of leden van hun club, met wie ze spraken in hun eigen taal, hun vertrouwd dialect. De veelkleurige en meertalige Belgen - dat volk dat zogezegd niet zou bestaan - waren in stilte verenigd onder de basiskleur wit.
Het verlies maakt sprakeloos. De honderdduizenden voerden stilzwijgend aan dat de samenleving haar staat was verloren. Alledrie de machten waaruit hij had moeten zijn geconstitueerd, werden onbetrouwbaar bevonden. Het apparaat werkte niet naar behoren, de drie machten waren zozeer met elkaar verstrengeld dat ze hun evenwicht reddeloos hadden verloren. Ze schopten naar elkaar in hun pogingen om overeind te krabbelen. De samenleving zag toe en stelde vast dat de staatsraison zinloos was geworden, het staatsdiscours hol klonk en onsamenhangend.
Als de honderdduizenden sprakeloos zijn, geven schrijvers hen een stem. Zo was het altijd. De achtergebleven, ongeletterde Vlamingen uit de vorige eeuw waren door hun schrijvers in de vaart der volkeren opgestuwd; schrijvers hadden de eisen verwoord van de uitgebuite, ongeletterde arbeiders. Zo was het sinds de eeuw van de revoluties: schrijvers spraken de woorden uit waar de zwijgende massa niet op kon komen.
Zo is het niet langer. De schrijvers gaven geen stem aan de grootste zwijgende massa uit de geschiedenis van dit land. Ze kibbelden een beetje onderling. Ze sloegen wat wartaal uit. Hun oude prins verklaarde bij het aanschouwen van de mensenzee (op de televisie) te hebben moeten denken aan de beestachtige massa op de markt van zijn na de Tweede Wereldoorlog bevrijde Kortrijk. Toen had hij geleerd 'dat de grote massa per definitie groot ongelijk kan hebben'. Aldus de oude prins over de meest atypische massa die ooit door Brussel opstapte. De jonge kroonprins van de letteren betreurde dat de massa zich zo weinig als massa had gedragen en Brussel niet steen voor steen had afgebroken. Dat was een duidelijker politiek signaal geweest.
Met uitzondering van de jonge kroonprins der Vlaamse letteren bleven de Vlaamse schrijvers nagenoeg even sprakeloos als de massa. De honderdduizenden konden een ogenblik lang de illussie koesteren dat hun massale aanwezigheid gekoppeld aan hun imponerende zwijgzaamheid van tel konden zijn. Roerloze ernst geeft immers aanleiding tot ontzag. Van de schrijvers ging niets uit. Ze wogen nog lichter dan een witte ballon.
Maar ook, als ze hun stem zouden hebben verheven, wie zou naar hen hebben geluisterd? Aandacht moeten worden verdiend. Aandacht krijgt vooral hij die tevoren al behartenswaardige dingen heeft laten horen. Keer op keer en ook al had hij niet altijd gelijk, hij kon het hebben gehad, want hij had nooit gedachtenloos gesproken en hij had altijd naar de passende woorden gezocht. Dat soort bedachtzame schrijvers waren er nauwelijks overgebleven, omdat in geen jaren er nog iemand naar had gevraagd. De weinigen die er nog waren, hadden aan dovemans deur geklopt. Nu er bereidheid tot luisteren was ontstaan, hadden ook zij hun stem verloren. De traditie van sociale commentaar was verloren gegaan.
En de narrenwijsheid, de prerogatief van de schrijver, dat summum van 'freischwebende Intelligenz'? Het commentaar dat heersers prikte, nooit tot bloedens toe, maar wel raak, ook dat was welkom, voor als de ernst te zwaarwichtig zou worden om nog au sérieux te worden genomen. Jawel, zelfs die was verzwonden, te veel schrijvers waren in de optocht uit ons gedachtenexperiment te lang tussen de amuseurs opgestapt. Hadden zich te veel nar en te weinig wijsgeer getoond.
In deze tijden waarin honderdduizenden, zonder dat enige mobilisatie nodig was, bereid waren op te stappen, weliswaar sprakeloos, is het woord terechtgekomen bij heel gewone mensen met een wrang verhaal, wie nauwelijks recht van spreken wordt gegund, maar die het even goed kunnen dan om het even wie. Dat is goed. Misschien kunnen schrijvers beter meer gewone mensen worden.

© Willy van Poucke