Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel

'Vliegt den Blauwvoet,
storm op de Koornmarkt'

Bart Plouvier

Ik heb lang gezocht naar een vorm waarin ik iets zinnigs zou kunnen vertellen over de stelling dat literatuur zich veel te weinig met de politiek bemoeit. Goed onderbouwde theorieën daaromtrent hoeft de lezer van mij niet te verwachten; ik ben geen essayist, geen intellectueel. Ik zal proberen aan de hand van enkele anekdotes en overpeinzingen, puttend uit mijn eigen geschiedenis en ervaring, te schetsen hoe ik evolueerde van politiek actieve niet-schrijver naar politiek gedesinteresseerd auteur. Ik denk dat wel wat collega's van mijn generatie dingen zullen herkennen, al heeft daarom niet iedereen mijn gekte en mateloosheid in zich.

Maar allereerst: politiek is een heel ruim begrip. Niet alleen wie een partijkaart op zak heeft is ermee bezig. Eigenlijk is alles wat wij doen in mindere of meerdere mate politiek. Wie een sigaret opsteekt of een pint drinkt spekt de staatskas en wie weet wordt er met dat geld wel stiekem een partij gefinancierd, een banket voor een dictator georganiseerd of wapens gekocht. Ook literatuur bedrijven is aan politiek doen; de auteur krijgt misschien subsidies van een of ander ministerie; het eindproduct, een boek, komt in het commerciële circuit terecht en daarbovenop kan iedere politicus de inhoud manipuleren, zinnen en uitspraken - al dan niet uit zijn verband gerukt - gebruiken. En verder: waar ligt de grens tussen een levensfilosofie en een politieke overtuiging, tussen religie en politiek, tussen ethiek en politiek?

Ooit was ik, volledig in de geest van mijn tijd en het milieu waarin ik vertoefde, een nonconformistische, linkse rakker met grote idealen, minder dan een minimuminkomen als straatmuzikant, een sterke lever en weinig of geen politiek en historisch inzicht. Tussen mijn helden - Mao, Klee, Dylan, Chagall, Woody Guthrie, Che Guevara, Big Bill Broonzy - zaten toen nauwelijks schrijvers, al was er één uitzondering: John Steinbeck. Ik was al vroeg politiek actief. In mei '68, ik was 17, werd ik, tot wanhoop van mijn ouders, van mijn dertiende school weggestuurd wegens weerspannigheid en trok ik liftend naar Parijs om er met kasseien de argumenten van mijn generatie kracht bij te zetten. Een paar slapeloze dagen en nachten lang droeg ik letterlijk en figuurlijk mijn steentje bij aan de revolutie. Terug in Antwerpen, overtuigd dat het nog maar een kwestie van tijd was voor de hele wereld ten goede zou keren, liet ik mij inschrijven aan de Academie voor Schone Kunsten in de hoop daar te kunnen aarden en en passant de schilderkunst een nieuwe wending te geven. Maar ik had zoveel tijd nodig om aan mijn Utopia te werken en van mijn kloten te maken tegen het systeem dat er om te studeren geen tijd overbleef en ik zelfs daar, als eeuwige rebel, aan de deur werd gezet. Ik vond aansluiting bij de Amadezen, de leden van de toenmalige, uiterst linkse AMADA-partij. Ik ging aan de dokken werken en terwijl ik daar mijn kostje verdiende predikte ik de revolutie en deelde aan 't kot pamfletten uit die de arbeiders opriepen deel te nemen aan de strijd voor een rechtvaardige wereld. Toch ben ik nooit partijlid geworden, altijd sympathisant gebleven. Ik liep wel vooraan in betogingen en ik herinner me nog die keer dat we de Koningin Elisabethzaal binnenvielen en daar, volledig misplaatst, midden in een symfonie van Mahler, georganiseerd door Jeugd en Muziek, Studenten en arbeiders één front stonden te scanderen.

We dachten toen al, lang voor de Bende van Nijvel en de CCC, aan destabilisering van de samenleving en richtten de 'Groep-PS' op. PS stond voor Positieve Sabotage. We zouden punten die van strategisch belang waren voor de economie, gaan opblazen. De sluizen bij de brug in Wijnegem zouden als eerste de lucht ingaan. Er was zelfs al contact gelegd met figuren uit de onderwereld betreffende de aankoop van springstof, maar gelukkig is het allemaal niet doorgegaan, misten we de nodige lef, anders zat ik nu misschien nog in den bak. De 'Groep-PS' heeft nog een poosje aanslagen op papier gepleegd en is, toen het allemaal een beetje zielig begon te worden, ontbonden. Ik heb mij altijd afgevraagd of we ooit de archieven van de staatsveiligheid hebben gehaald. Schrijven deed ik nog steeds niet.

Wat ik me vandaag afvraag is of ik, als ik vijfentwintig jaar vroeger, met dezelfde rebelse inborst, geboren was in Berlijn of Neurenberg, of ik dan, zeventien jaar zijnde, achter het hakenkruis zou gelopen hebben en mijn kasseien in joodse vitrines zou hebben gegooid? Never say never.

Eind jaren '60 was ik student-arbeider, mijn wapens waren een grote mond, occasioneel een kassei en een stapel pamfletten. Ik kijk niet neer op de jongeman die ik toen was, dat zou makkelijk zijn, hooghartig, blasé. Integendeel, vaak vertedert hij mij. En terugblikkend, zonder nostalgische bril, is het moeilijk te ontkennen dat mei '68, ook als die periode ontdaan wordt van romantiek, een keerpunt was. De verworvenheden van toen zijn vandaag vanzelfsprekendheden - sommige daarvan worden nu weer bedreigd maar dat zijn de wetmatigheden van de geschiedenis. Ik ben blij dat ik er destijds bij was. Toch deed ik op dat ogenblik gewoon wat ik moest doen, zoals ik altijd gedaan heb wat ik dacht te moeten doen. Dat is geen verdienste, mijn tijd, mijn opvoeding en mijn genen hebben mij gemaakt tot wie ik was - en ben - en in die hoedanigheid kon - en kan - ik niet anders; het genie en de kracht om, vrij van alle invloeden, beslissingen te nemen, ontbraken mij. En zelfs al had ik die gaven bezeten en daar gebruik van gemaakt, dan was ook dat weer geen keuze geweest. Wel heb ik dwaze dingen gedaan, op politiek en op persoonlijk vlak, maar ik heb niemand bewust kwaad gedaan, waarmee ik niet wil zeggen dat er geen kwaad in mij zit, wèl dat er gelukkig nooit enig systeem in geslaagd is het naar boven te halen. Zou dat wel gebeurd zijn wanneer ik vijfentwintig jaar eerder in Berlijn of Neurenberg geboren was? Never say never.

In '82 of '83, ik was matroos en had mijn eerste verhalen geschreven maar nog niets gepubliceerd, ben ik voor 't laatst op straat gekomen, heb ik mij nog eens - zelfs fysiek - geëngageerd. In die periode werden er in de buurt van de Antwerpse Grote Markt regelmatig punkers in elkaar geslagen door groepjes Vliegt den Blauwvoet, storm op zee zingende Vlaams-nationalisten, enkel omdat die kinderen - want dat waren het - hun haar anders droegen dan Cyriel Verschaeve en zich niet kleedden als Karel Dillen. Wij, de oudere jongens met nog een beetje street credibility, die in dezelfde buurt onze pinten dronken, en ooit ook nog, aangetakeld als vogelverschrikkers, op straat hadden geslapen, hoorden daar dan wel eens van en aanvankelijk haalden we onze schouders op: die hanenkammen moesten zelf maar hun mannetje leren staan. Chacun sa vie, dachten we - toen al, vóór het een filosofische houding, een manier om te overleven werd. Maar op een dag - de exacte aanleiding ben ik vergeten - werd het ons toch een beetje te gortig en toen we aan de weet kwamen dat het Vlaams Blok de daaropvolgende zaterdag over de Oude Koornmarkt zou marcheren besloten we om ze van 't zelfde laken een pak te geven. We dronken een pint minder en organiseerden ons en toen de Blokkers 's zaterdags inderdaad op straat kwam werden ze opgewacht door een grimmige bende verlopen hippies, matrozen, artiesten, studenten, marginalen, een paar allochtonen en de laatste Amadezen. We vielen hen op de kop als een V1 van hun idool. Ze kregen het pak slaag van hun leven en vluchtten bloedend terug naar hun stamlokaal waar de vloer er algauw ging uitzien als die van de badkamer van een Marokkaan na de rituele slachting. De politie is de hanenkammenmeppers moeten komen ontzetten en de punkerkes werden een poosje met rust gelaten.

Nu beschik ik over een, in theorie, veel machtiger wapen: mijn pen en af en toe een podium in de media. En ik moet in alle ootmoed bekennen, ik doe er niet zo erg veel mee. Hoe komt dat? Er is iets van aan dat ik oud word (grootvader in mei!); dat ik vandaag mezelf zou moeten verloochenen om aan politiek te doen; dat de fakkel moet worden doorgegeven, maar om me daarachter te verschuilen is een beetje ouwezakkerig. Het is ook waar dat, ondanks de schandalen en het gesjoemel, een grote, zichtbare, leven en vrijheid bedreigende vijand ontbreekt. Maar er is meer aan de hand. Ook nu, dertig jaar na '68, blijk ik niet aan mijn tijd te kunnen ontsnappen, hoe graag ik dat ook zou willen en hoe ik dat naar buiten toe wel eens pretendeer. Ik lijd, samen met zoveel anderen, aan de welbekende, laat-twintigste-eeuwse kwalen: existentieangsten, vermoeidheid, stress, concentratiestoornissen, onbestemde spijt, depressieve buien, prestatiedrang en faalangst, slapeloosheid. De wereld wordt te groot, het leven onoverzichtelijk. Ik heb er een fulltime job aan om mij staande te houden in de wind van de voortdurende veranderingen, om te kunnen ademen onder de tonnen informatie die over mij wordt uitgekieperd, waarin wetenschappers en moraalfilosofen elkaar aan de lopende band tegenspreken. Ik moet het zelf allemaal uitvissen en op 't eerste gezicht is dat leuk maar te veel kan te veel worden. En dan vind ik bevredigendere antwoorden in de literatuur dan in de politiek. Een manier om overeind te blijven is de wereld te verkleinen, een terrein af te bakenen. Dus worden we individualist - ieder voor zich en God niet eens meer voor ons allen. Schrijvers kunnen dat met hun pen, schrijven is een manier om de dingen hanteerbaar te maken, te ordenen, te verwerken, te bezweren. Schrijven als houvast, als medicijn. Literatuur is de politiek gaan vervangen. Hugo Claus heeft eens gezegd in Humo: De schrijver schrijft om te ontdekken wat hij denkt; dat is voor mij inderdaad een van de redenen om voor de literatuur te kiezen, ik heb het hard nodig om te ontdekken wat ik denk. Claus zelf bewijst dat dat niet in navelstaarderij hoeft te resulteren.

Mijn enige engagement zit hem hier nog in: wat ik doe doe ik zo goed mogelijk, wat ik schrijf om te ontdekken wat ik denk, wil ik zó vormgeven dat de lezer er esthetisch genoegen aan beleeft. Elke mooie zin die ik schrijf, elk mooi beeld dat ik bedenk, is een daad van verzet tegen de VTM-isering en de ver-Dagallemaaling van de samenleving. Eigenlijk ben ik een ouderwetse poète maudit geworden. In die hoedanigheid voel ik mij boven de politiek verheven, al weet ik dat dat onzin is: we kunnen niet zonder politiek, alles is politiek. Voelen en weten, emotie en ratio, en proberen daar een evenwicht tussen te vinden, is dat niet wat we een leven lang proberen en waar schrijvers hun boeken mee vullen? Ik ben met de jaren apolitiek geworden, maar gelukkig is niet iedereen dat, bevolkt door te veel Plouviers zou de wereld ten ondergaan. Daarom zal ik het ook nooit in mijn hoofd halen om mijn manier van denken, leven en schrijven als de enige, de juiste voor te stellen. Dit in tegenstelling tot de politici.

En hoe zie ik de toekomst dan in? Ach, alles komt wel weer tot een oplossing al zal ik het waarschijnlijk niet meer meemaken. Tenzij Lanoye president wordt.

© Bart Plouvier