


|  |
De Noorse vinvis
Koen Peeters
De oorlogsbatterij had zich net ontladen in een stinkende fosforzure walm die langzaam over Europa was getrokken en Ben, Louis en Marcel zaten zich grondig het hart op te vreten en wilden wel 's weg van vrouw en huis, en eindelijk zelf wat beleven. Avontuur, yes. Zo letterlijk begint Zwerftocht in Engeland, de reportage die Louis Paul Boon schreef vlak na de tweede wereldoorlog.
Hij deed de tocht samen met Marcel Wauters en Ben Cami, beiden bevriende dichters en toen even veelbelovend/onbetekenend als Boon. Ze trokken naar Engeland, ook al omdat Ben Cami de zoon was van een Britse moeder, en Cami wilde het idyllische nabeeld van zijn geboorteland confronteren met het gerantsoeneerde Engeland na de wereldbrand. Louis maakte het verslag, dat wil zeggen, hij keek 'naar iedere onbelangrijke steen, naar elke onbelangrijke voorbijganger'.
Het was banaal wat zij beleefden. Ze namen de trein naar Oostende, en daar staken ze per boot over naar Dover. Ze liftten met luxewagens en vuilniskarren en onderweg kampeerden ze en werden ze aangegaapt. Belgian tourists! Wat er zoal gebeurde op hun traject: een ros meisje dat opvallend stond te vrijen op de boot. Thee die naar pannenkoeken smaakte. Oranje natriumlampen. De grapjes van Marcel en Ben. Vrouwen in een glazen winkelstraat. Een meisje in amper een bloemenrokje, ze wees hun de weg, bevallig neerzittend bij zonnige huisjes waar dichters woonden. En ook: een brede stinkende straatweg met verkeersborden keep left en asfalt en stof, waarlangs de prozaschrijvers woonden.
Dat was volgens Boon het verschil tussen poëzie en proza.
Canterbury, Rochester, Harlow, Gravesend. Ben wilde vooral noordwaarts, hij sloeg op alle momenten de landkaart open en stippelde de weg uit, verbeten. Hij klaagde over het trage tempo en het tijdverlies. Ben wilde vooruit, en Marcel wilde halt houden, en Louis noteerde het. Louis ergerde zich aan de besluiteloosheid van zijn reisgenoten. 'Die twee zijn dichters,' zei hij. 'Ik wil iets doen, iets definitiefs doen.'
Tilbury, Herford, Baldock, Biggleswade, Bedford. Ben verdedigde de Engelsen als Louis hen te hard aanpakte. Hun gedrag, wat zij maaltijden noemen, hun gebrek aan smaak. 'Zelfs de mooie vrouwen maken zich hier lelijk,' vond Boon. En wat een verschil met Brussel en Parijs.
Northampton, Daventry, Coventry, Manchester. Ze reisden langs platgebombardeerde pleinen en industriegebieden met kranen en schepen, boortorens en hoogovens, en altijd de werkmanshuisjes. Soms heel boonesk, 'de vuile huizen, dokken en fabrieken', soms arcadische landschappen. Het ene voor de prozaschrijvers, het andere voor de dichters. 'Wat voor helden zijn we toch,' zei Marcel.
'Of wat voor ongelooflijke gekken,' zei Ben.
'Ze zijn helaas maar een paar dichters,' noteerde Louis, 'heel interessante experimentele dichters', maar ze dachten niet eens aan eten of drinken en ze bewonderden in etalages de pralinedozen en vergaten brood te kopen. Boon werd nerveus van hun onpraktische geest.
Blackburn, Burton, Carlisle en tenslotte de havenstad Newcastle. Ben wilde daar familie bezoeken. Ze keerden dan plots snel, heel snel, 450 km terug, ze bezochten Londen waar ze zich verloren voelden en ze zaten even snel weer in de trein naar huis. Einde van de reis.
Wanneer ik Boons liftreportage uitgelezen heb, aan de betegelde zwembadrand van Hotel Ravelingen in Oostende, zijn de drie kinderen verfrommeld van de chloor. Gesakker. In de kleedhokjes liggen handdoeken kletsnat op de grond. Het vermoeide geluk na het zwemmen.
Het is 2 november, Allerzielen. Dag waarop de doden met chrysanten en goede gedachten worden overladen. Mijn vrouw is met haar moeder naar het graf van een tante.
Buiten op de winderige dijk zien we volk samentroepen op het strand. Het is een Noorse vinvis, bijna twaalf meter lang, die zich vannacht op de golfbreker heeft gegooid. Een sportvisser dacht eerst dat er een bootje was gekapseisd.
Met kabels en kranen takelt de civiele bescherming het kadaver uit de zee. Als een spoelvormige ufo ligt hij daar, zwevend en deinend, zilverig in de mist, met zijn oude rimpelmond, zijn slappe vinnetje tegen het tien ton zware zoogdierlijf. Als een kunstwerk. Wou de vinvis eindelijk zelf wat beleven?
Er staan VTM-schotelantennes op de dijk, en vijfduizend man op het strand. Wat later zijn het er vijftienduizend: de televisie heeft ze geteld. Witte mannen nemen monsters, in grote zoölogische opwinding. Ze kijken brutaal in de wijdgapende baleinenmond. Gele bulldozers komen aan, en brandweerlui, en zwarte containers zonder raampjes, en alle Oostendse politieagenten zijn er, rijkswachters en zelfs de minister van binnenlandse zaken en van walvissen.
Op de koninklijke kustweg ontstaat een chaos van verkeersstromen. Nadars worden het strand op gedragen. Niemand mag de vinvis aanraken. Alleen kijken. Als we 's avonds het tv-journaal aanklikken, staat de journalist te dampen op het strand. Achter hem liggen de staart en de ingewanden en het gebeente. 'Het skelet zal tentoongesteld worden in Oostende,' zo legt hij uit, 'samen met de andere skeletten.'
In de krant staat dat de situatie geenszins alarmerend is. Dat het geen Noorse maar alleen een gewone vinvis is, dat het dier al twee dagen dood was en dat het al lang niet meer gegeten had. Dat zo'n dier beslist geen zelfmoord pleegt. Dat het een geval is in de toxicologische sfeer, wellicht wat cadmium en kwik en pcb's.
Er staat een foto bij van een garageloods in de Oostendse Klokhofstraat: de bloederige vlees- en vetmassa wordt weggesneden van het skelet. Een week lang wordt in het kadaver gehakt met machetes. De honden van de Oostendse politie blaffen van 's morgens tot 's avonds. Zo'n properwit skelet zal de mensen zeker interesseren.
Ik bel met Ben Cami. Ik vertel hem dat ik net Boons reisverslag heb gelezen. 'Louis heeft véél gefantaseerd,' zegt Cami. 'Hij hoorde veel en zag veel, maar in zijn tekst bleef niet veel over van het oorspronkelijke. Ik heb zijn verslag toen in De Volksgazet gelezen, en dat was in orde.'
'En jij, Ben?'
'Zelf heb ik er niets mee gedaan. Weet ge, Boon schreef die reportage om van te leven. Als ik schrijf, is het omdat ik er niet aan uit kan.' Hij wenst me All the best.
Kijk, en de twee verhalen vallen over elkaar, ook al gingen Ben, Marcel en Louis naar het noorden en zwom de vinvis naar het zuiden.
Het is allemaal ook niet letterlijk te nemen.
Denk even aan al die vinvissen, walvissen en potvissen, veroordeeld tot reizen (niemand weet waarom), hoe ze verdwalen en loeien op de hoogzee. Proza-huilen en poëzie-zingen. Vergissen ze zich door het brommen en snerpen van de boorplatforms in de Shetlandzee en gaan ze op hun Azorentocht niet westwaarts maar oostwaarts, de trechter van het smalle Kanaal in en stranden ze in Denemarken, Duitsland, Nederland en België. Via geomagnetische paden naar de elektromagnetische kusten, en de dood op het strand. Krantenfoto's. Eindelijk zelf wat beleven.
Kunst is een glimp van een grote vis die er even was. Soms leeft hij nog, maar redden heeft geen enkele zin.
Het kunstwerk drukt zichzelf dood door zijn eigen gewicht. Kunst is een restwaarde, een relict van een poging om thuis te raken. Politieke boodschap? Zwijg ervan. Het kunstwerk is nooit letterlijk te nemen. Vooruit willen of halt houden, om van te leven of omdat het niet anders kan, het is het uitspuwen van de wereld. Schrijvers en dichters zijn vinvissen: besluiteloos en zich vergissend van zee, hun sterven een kunstwerk. Hun teksten zitten vol met zware metalen en in hun aders zitten parasieten. Hun properwit skelet is interessant voor de mensen.
|
|