|
|
Toen premier Dehaene tijdens het politiek jaaroverzicht antwoordde op een reeks vragen van VTM-journalist Dirk Van den Bogaert, drukte hij zich uitsluitend in zeer algemene bewoordingen uit. Tegen iemand die zou hebben opgemerkt dat de kijker op die manier niets te weten kwam, had je minstens kunnen zeggen dat het niet in de bedoeling van de uitzending lag dat de kijker iets te weten kwam. Het ging er enkel om - zoals u en ik en Van den Bogaert weten - dat de premier de gelegenheid kreeg om het zoveelste communiqué over het welslagen van de huidige legislatuur de wereld in te sturen. Wat hij daarbij moest vermijden was dat hij wel degelijk iets zou zeggen, dat hij bijvoorbeeld zijn mond zou voorbijpraten, een voornemen vroegtijdig bekend zou maken, zich een subjectieve uitspraak zou laten ontvallen. Mocht dat tijdens de opname toch zijn gebeurd, dan was het er in elk geval keurig uit weggesneden. (Nog een reden om voor de camera onbeweeglijk te blijven.) Zo werd immers vermeden dat er eventueel kritiek zou komen van de kant van zijn eigen partij, dat de politieke coalitiepartner zich op één of andere manier geviseerd zou voelen, of dat de oppositie een argument zou worden geboden om het gebrek aan politiek talent van de regeringsleider te bewijzen. Ik haal dit voorbeeld aan omdat zowel schrijvers als politici in belangrijke mate hun identiteit ontlenen aan het tekstmateriaal dat ze produceren. Hun taalgebruik is één van de punten waarop ze met elkaar te vergelijken zijn. Ook al komt hun imago voornamelijk via de media tot stand, het zijn hun teksten - of het nu gaat om een gedicht of een decreet, een essay of een redevoering - die de basis vormen voor een gefundeerd oordeel over hun sociale rol of over hun persoonlijke opvattingen. Een politicus mag dan de betekenissen uithollen, een schrijver mag dan de taal verrijken, of precies omgekeerd, beiden bewegen zich met hun werk op de grenzen van waarheid en leugen, feit en fictie, pose en authenticiteit. In elk geval mag men aannemen dat ze net zo goed als een reclametekstschrijver, een persverantwoordelijke van een minister, een bedrijfscurator of een advocaat weten hoe je taal tot je eigen voordeel aanwendt. Een literair schrijver met belangstelling voor stilistiek en retoriek zou, al of niet vanuit zijn politiek engagement, een interessante analyse kunnen schrijven over de manier waarop het taalmateriaal in de verklaringen van de premier georganiseerd werd. Precies zoals hij zou kunnen aantonen hoe de stijlmiddelen literair functioneren binnen een literair werk zou hij kunnen demonstreren hoe ze politiek functioneren binnen een politiek discours. Daarbij zou hij zelfs gebruik kunnen maken van wetenschappelijke studies over de taalideologische aspecten van woordgebruik, zinsbouw, context en verbale interactie. Hoeveel schrijvers hiertoe in staat zijn, laat ik buiten beschouwing. Wat ik mij wil afvragen is of deze analyse uitgerekend door schrijvers moet worden uitgevoerd, althans in de veronderstelling dat zij zouden menen zich aldus op een heel concrete manier binnen hun eigen vakgebied politiek te engageren. Wat natuurlijk nog maar de vraag is. Ik denk dat een criticus, een linguïst of een talenleraar zonder enige literaire aspiratie maar met kennis over argumentatieleer, semantiek, pragmatiek, taalsociologie en literaire esthetica zo'n analyse net zo goed kan uitvoeren. Wellicht zelfs beter. Zelf volg ik al jaren het letterenbeleid in Vlaanderen en Nederland. Af en toe heb ik gemeend mijn mening hierover te moeten publiceren. Onlangs nog in Foto's met de Aap. Vanuit politiek-technisch standpunt bekeken zou een jurist met voldoende uitgebreide contacten binnen de literaire sector dit engagement kunnen omzetten in politiek efficiëntere teksten die, gekoppeld aan de acties van een heuse schrijversvakbond, een veel reë:lere invloed zouden uitoefenen op het beleid. Laat ik maar onmiddellijk mijn excuses aanbieden voor dergelijke corporatistische reflexen en er zelf op wijzen hoe middelmatig dit alles overkomt bij kunsthistorici en filosofen die van de artiest enkel verwachten dat zijn opvattingen, zijn werk, zijn levenswandel hen voldoende mogelijkheden bieden om het excentrieke te definiëren en het onvatbare te vatten, desnoods in zijn metafysische betekenis. Een al even ongepaste vraag is dan of schrijvers zich inhoudelijk met politiek en staatszaken moeten bezighouden. En verder, of ze met hun politieke overtuiging een rol moeten spelen in de openbaarheid. Ik bedoel, specifiek in hun hoedanigheid van schrijver. Wat mij betreft, evenveel of even weinig als om het even wie. Laat ik deze open deur maar intrappen. Waaraan zou immers een literair schrijver zijn specifieke kwaliteiten als politiek waarnemer wel ontlenen? Aan zijn creatieve verbeeldingskracht? Heeft hij daar een patent op? Aan zijn intellectuele capaciteiten? Zijn die daar zo bijzonder geschikt voor? Goed, misschien is hij beroepshalve politiek journalist, socioloog, antropoloog, psycholoog. Loog, peut, paat of iticus. Misschien is hij inderdaad... schrijver.
Iets anders is natuurlijk de vraag welke middelen de openbaarheid hem en u en mij ter beschikking stelt om politieke inzichten mee te delen, uiteen te zetten, in vraag te stellen. Is dat De Zevende Dag? Is dat Humo? Is dat De Standaard? Is dat Radio 1, 2, 3, 4, 5 of 6? Vergat ik De Morgen? Want u zal natuurlijk wijzen op de enorme aantallen intellectuelen en andersdenkenden die op uw opiniebladzijden aan het woord komen. Misschien overtreffen uw cijfers wel die van het aantal afgevaardigden, verkozenen, gedeputeerden en commissieleden uit de vroegere Sovjet-Unie. Iedere inwoner zetelde daar in het bestuur van gemiddeld drie verenigingen. Over democratie gesproken. Hoe dan ook, of u en ik of om het even wie binnen de beperkingen van het gemediatiseerde denkkader de politieke rol kunnen spelen die we aan onze persoonlijke maatschappelijke betrokkenheid wensen te verbinden, dat moeten we maar voor onszelf uitmaken. Net zoals Marcella Baete ooit in De Gentenaar en op de CVP-lijst voor de senaat. Of zoals mevrouw Monika Van Paemel als voorzitter van het PEN-Centrum Vlaanderen en als lid van de Vaste Gemengde Commissie Vlaanderen-Nederland. Of zoals Havel als president van Tsjechië.
|
||||||||