|
|
pamflet voor het volgende millennium Schoenmaker, blijf bij uw leest! Schrijvers dienen fraaie zinnen in elkaar te knutselen en politici horen het volk te dienen. De schone letteren en de vuile politiek hebben zo op het eerste gezicht weinig met elkaar te maken. Maar de fabel over de wederzijdse liefde tussen de schone en het beest is altijd een intrigerende realiteit geweest. Schrijvers koesterden een ideële band met de werkelijkheid. Politici, daarentegen, stroopten de mouwen op en ploeterden in het moeras van alledag. Vandaar de natuurlijke aantrekkingskracht tussen de twee koningskinderen. De auteur keek jaloers naar de feitelijke invloed van de politiek en de politicus zou maar al te graag wat meer verfijning in zijn realisaties hebben gelegd. Beiden zijn immers begaan met constructies voor het publiek. Beiden dromen ervan fictie en feit, het gedroomde en het echte leven, met elkaar te verzoenen. Moraal van het verhaal: elk literair kunstwerk, die naam waardig, is in het werkelijke leven verankerd. En elke pragmatische politicus, hoe laag-bij-de-gronds ook, bezit een utopische ader. De werkelijkheid zag er tot voor enkele jaren enigszins anders uit dan in deze blauwdruk. Schrijvers hadden zich min of meer teruggetrokken uit het werkelijke leven en zwoeren bij een autonoom kunstwerk. Trouwens: wat is het werkelijke leven? heet het in postmoderne kringen. Ieder doet zijn ding en de schrijver schrijft. So what? Ondertussen vergaderden de politici zich suf en ontpopten zich tot procedurekunstenaars. Toch voelden de schone en het beest zich in onvrijwillige ballingschap en hengelden zoveel mogelijk naar de aandacht van het publiek. Reikhalzend keken ze uit naar mediabelangstelling bij gebrek aan reëel contact. Meestal hadden ze hun staat van splendid isolation immers niet bewust opgezocht. Honderd jaar na de Dreyfus-affaire staat het goed om nostalgisch terug te denken aan het politieke engagement van schrijvers van het slag van Emile Zola. In de negentiende eeuw bestond er een symbiose tussen de schrijver en de politicus. Zelfs Guido Gezelle leende zijn pen voor de katholieke verzuilingspolitiek in West-Vlaanderen. En ook omgekeerd schreven grote politici literaire bespie- gelingen over hun werken en daden. Benjamin Disraeli kan hier model staan voor de mindere politieke goden die in memoires en andere belletristische reflecties op zoek gingen naar het utopisch gehalte van hun politieke denkbeelden. Zola en Disraeli, de schrijver en de politicus, opereerden op het einde van de negentiende eeuw echter duidelijk op een tweesprong. Zoals de Tachtigers bij ons de verzelfstandiging van de literatuur op gang brachten, zo groeide ook in Frankrijk het literaire ambacht uit tot een zelfgenoegzaam spel met woorden. En zoals de politiek in Engeland na de eeuwwende meer en meer een zaak werd van technici, zo werd de Belgische politieke aula eveneens het uitverkoren terrein voor partijcreaturen die uitsluitend dachten in termen van machtsbehoud. De droogkloterij van de professionalisering deed iedereen uitblinken in de eigen specialiteit. Waar was de tijd van de amateuristisch bevlogen uomo universale die met evenveel passie minister van verkeer werd, geoloog, tekenaar, kleurenspecialist, vrouwenverslinder en natuurlijk schrijver? Had de zesenzeventigjarige Goethe gelijk toen hij in de jaren twintig van de negentiende eeuw aan zijn oude vriend Zelter schreef dat zij de laatsten van de mohikanen waren - aristocraten van de geest én van het lichaam - en dat nu het tijdperk aangebroken was voor de middelmatigen die alleen maar beschikken over een zekere handigheid? Schrijvers en politici bevolkten in de negentiende eeuw de publieke arena met evenveel vanzelfsprekend aplomb. Ze waren aan elkaar gewaagd en het publiek keek geïnteresseerd naar hun kunstjes. Na 1900 lagen de prioriteiten elders. De captains of industry namen het voortouw op politiek-economisch gebied en de cinematografische mogols deden hetzelfde op het artistieke niveau. Politici en schrijvers werden satellieten van een economisch-mediatechnologisch bestel waarin ze probeerden te infiltreren of waartegen ze zich wapenden. Beide strategieën leverden politieke en literaire hoogstandjes op. De grote politiek-maatschappelijke utopieën waar nu zo schamper over wordt gedaan, genereerden bij de tijdgenoten heel wat enthousiasme. En hetzelfde is waar voor de literaire voor- èn achterhoede. Nieuwlichters en traditionalisten - van Paul van Ostaijen tot Felix Timmermans - schreven beklemmende literatuur bij het licht van de moderne muze. De literaire reactie op de nieuwerwetse technologische media, zoals jazz, film en radio, en op de moderne mobiele stadscultuur inspireerde progressieve en conservatieve auteurs tot meeslepende kunstwerken die tot vandaag herkauwd worden. De voortschrijdende specialisering en professionalisering van de economische en technologische logica op wereldschaal heeft de politiek en literatuur na de Tweede Wereldoorlog nog meer in hun schulp doen kruipen. Het weerwerk dat vroeger werd geboden kwam tot stilstand. Politici en schrijvers groeven zich in en cultiveerden meer en meer de eigen tuin. De schaarse keren dat ze optraden, gebeurde dat tot meerdere eer en glorie van de eigen activiteiten. Verkiezingsshows of poëzienachten waren PR-onderne- mingen voor het promoten van een politiek-artistieke activiteit die met het publiek of met het echte leven maar weinig meer van doen hadden. De mondialisering van de politiek in de jaren negentig en de multimediatisering van de artistieke praktijk maken anno 2000 een einde aan de overwinteringsstrategie van de politicus en de schrijver. De politicus wordt uit zijn cocon gesleept, of het nu gaat om de groeiende Europese dynamiek of om de roep van sociale bewegingen naar meer gerechtigheid. Het alomtegenwoordige verlangen naar een Nieuwe Politieke Cultuur bewijst het failliet van de klassieke zelfgenoegzame politiek. Het contact met de burger dient hersteld. Er wordt opnieuw creativiteit van de politicus verwacht. De plotselinge proliferatie van nieuwe politieke initiatieven èn de vertwijfeling van de klassieke partijen om toch maar bij te benen, illustreren het begin van een politieke mars door de realiteit. Ook de schrijvers kunnen zich niet blijven oefenen in het reactionair bezingen van een antimoderne wereld van de traagheid waarin de privileges van een aristocratische elite intact waren. De multimediale fureur inspireert een jongere generatie - van Tom Lanoye tot Paul Mennes - om eerst en vooral méé te doen met wat er vandaag beweegt en niet steeds hoofdschuddend terug te blikken op vroeger. In dit fin-de-millénaire heeft er zowaar een nieuw Pinksteren plaats waarin Belle en het beest, de schrijver en de politicus, weer naar elkaar worden toegedreven. Ze worden gedwongen de oude gewaden af te leggen en zich te oefenen in experimentele gebaren voor een nieuw millennium. Van de politicus wordt een visie gevraagd, een project met een hoog ontroeringsgehalte. De auteur herschoolt zich tot alert journalist, tegendraadse cabaretier of intelligente sampler. Veni, Creator Spiritus!
|
||||||||