


|  |
De geëngageerde dienstweigeraar
J.P. Guépin
Als je een echte negrofiel wilt spotten, dan moet je naar een oude man zoeken die lid is geweest van de anarchistische schildersbeweging Cobra; Corneille bijvoorbeeld. Negers zijn oer, net als kabouters en kinderen, vindt hij vast.
Kabouters bestaan niet. Die kinderen zijn het zelf gaan geloven, want hun primitieve zelfportretten hangen tegenwoordig tegen de ramen van de kleuterscholen. En de negers? Volgens mij vinden ze het niet leuk als witte mensen ze 'oer' noemen, ze vinden het ook beledigend dat de zwarten door de witten in de rol van entertainer gedrukt worden en hun heupen moeten verrekken in popprogramma's of dat het navolgenswaard gevonden wordt als ze politieke en seksuele obsceniteiten uitroepen bij het rappen.
Gewone negers zijn gewone mensen en gewone mensen zijn rustige burgers, of zouden het willen zijn als ze in vrede mochten leven, zonder geweld van oorlog, revolutie of criminaliteit.
Waar komt de criminaliteit in de negergetto's vandaan? Van de armoede, van de drugs, van de gebroken gezinnen. Dat zongen de gangs van West Side Story al tegen de wijkagent:
Our mothers all are junkies,
our fathers all are drunks.
Golly! Moses! Naturally we're punks.
Dat vonden we een mooie musical, we, dat waren de gezeten liefhebbers, die sindsdien heel wat meer misérables op het toneel hebben zien rondspringen. Alles is mooi, mits het wangedrag van de armen niet hun eigen schuld is, maar door de omstandigheden geëxcuseerd kan worden: het gebroken gezin, dat weer door uitzichtloosheid van het bestaan wordt veroorzaakt, dat weer door racisme en de wetten van de markt wordt veroorzaakt, dat tenslotte allemaal veroorzaakt wordt door onze eigen witte westerse cultuur, die van het blanke kapitalisme, van de blanke slavendrijvers. Zo staat het in de krant, zo geloven we het, zo wordt het, vooral, de negers bijgebracht.
Vroeger hadden de armen geen tijd voor filosofieën die rellen rechtvaardigen. Die stammen uit de Franse Revolutie en zijn pas tweehonderd jaar oud. Of toch niet?
De idealen van de Amerikaanse en de Franse revoluties, die neerkomen op gelijkheid en de daarop gebaseerde mensenrechten, zijn secularisaties van de kern van het christendom: liefde voor de naaste, ja zelfs voor de vijand, en zo gezien tweeduizend jaar oud.
Het geseculariseerde christendom heeft met het echte christendom gemeen het geloof dat het leven op aarde een hel is; pas de hemel zal daar een eind aan maken, die in de lucht, of die op aarde. Eigenlijk gaat aan de hel op aarde nog een aards paradijs vooraf. Goed, slecht, beter. Voor dit schema hebben de Hegelianen de dialectische drieslag ingezet, want het aardse paradijs is uiteraard een voorafschaduwing van de hemel op aarde. In de nobele wilde, de indiaan, maar ook in het kind, in de onbaatzuchtige arbeidersklasse desnoods, ontwaren we al iets van de spontaniteit van de Nieuwe Mens van de toekomst.
De hel op aarde is als antithese de noodzakelijke voorwaarde voor de hemel op aarde. Dit houdt in dat we de hemel of aarde kunnen verhaasten door de hel ondragelijker te maken. De onhoudbare toestand wordt dan een voldoende voorwaarde.
Dit is een primitieve manier van denken die we in de offerrituelen tegenkomen: door jezelf een klein onheil toe te brengen kun je een groot heil verwezenlijken. De christelijke godsdiensten prijzen dit denkschema aan, van eenvoudige ascese (vasten) tot de zelfopoffering van de martelaar, naar het voorbeeld van de Grote Zelfopofferaar die door Zijn marteldood het grootste Heil heeft verworven.
Dit schema betekent in zijn geseculariseerde vorm dat we hier op aarde het kwaad eerst moeten doen toenemen om ons van het kwaad te zuiveren, door in een bloedige terreur alle aristocraten, joden, niet-islamieten, bourgeois en brildragers uit te roeien of zo mogelijk te bekeren.
Maar hoe wordt deze terreur op zichzelf, los van het hoge doel, aantrekkelijk? Dan moet hij toch meer dan een louter kille logische voorwaarde zijn - zoals Robespierre dacht, dan moet je er genoegen in scheppen met bijl en mes kinderen in stukken te hakken om hun ingewanden om de takken van een boom te draperen. Die geestdrift komt vanzelf wel, want martelen schijnt heerlijk te zijn als je het een paar keer met overtuiging gedaan hebt. Maar de theoretische rechtvaardiging ontbreekt nog.
Daarvoor moet je gevoel ontwikkelen voor het verhevene van het extreme kwaad. Dat gevoel heeft Sade ons proberen bij te brengen, tijdgenoot van de Franse Revolutie.
Maar Sade was niet mogelijk geweest als in de achttiende eeuw het sublieme niet in de mode was gekomen als esthetische categorie en langzamerhand het schone (het overzichtelijke, het harmonische) was gaan verdringen. Ook hier weer een van oorsprong religieus idee. Je wordt van verheven gevoelens bezield bij de aanblik van wat te groot is voor het mensenverstand: de oceaan, de woestijn of de piramides. Die zijn bepaald niet mooi. De zee en de Alpen werden voordat het sublieme in de mode kwam zelfs afzichtelijk gevonden en door hun gevaarlijkheid afstotelijk. Het sublieme stoot ook af, maar het trekt ook aan, net als een duizelingwekkende afgrond. Hetzelfde geldt voor het oneindige, dat je God doet beseffen, maar door Zijn onbegrijpelijke Almacht boezemt Hij ook schrik aan en Zijn Liefde is onpeilbaar, onverdiend en daarom zo verrukkelijk! Het religieuze sublieme heeft wel iets, al wordt het me gauw te gevoelig.
De secularisatie van het sublieme werd in de achttiende eeuw voltooid door Burke, die de nadruk legde op de Horror. En ziedaar, met deze nieuwe esthetische categorie wordt de griezelroman geboren, die zijn religieuze oorsprong nog verraadt door het ronddwalen van enge monniken en rinkelende skeletten. Ziehier het begin van de flirt met het kwade, uitgedrukt in de titel van Baudelaires bundel Les Fleurs du Mal, het spel van het sadisme. Als je voor het hele erge terugschrikt, kun je tegenwoordig nog aangemoedigd worden door de therapie van de catharsis: je kunt, ja je moet, jezelf reinigen door het kwaad intens te beleven, als spel dan wel.
Maar nog niet genoeg, want ik wil alles noemen. We hebben de vier grote negentiende-eeuwse ontmaskeraars nog nodig: Darwin, Marx, Nietzsche en Freud. Zij maken dat het gewoon is om systematisch te ontmaskeren: achter de schone natuur woedt de strijd, achter het ogenschijnlijk geluk de uitbuiting, achter de liefde schuilen obscene driften en het verlangen je vader te vermoorden, en al het fatsoenlijke belemmert slechts de wil van de sterke. Het gevolg van de populariteit van deze verklaringen van menselijk gedrag is systematische paranoia.
Kunstenaars hadden de burgerij moeten verheerlijken. Romanschrijvers geven echter de voorkeur aan heroïsche passies van een voorbije tijd, die dus in een burgerlijke maatschappij wel leeg moeten lijken (Stendhal) of ze overdrijven satirisch het egoïsme van de nouveaux riches (Balzac).
En als de moderne kunstenaars ophouden met zwelgen in het sensationeel vieze en pijnlijke uit naam van realisme en hun eerlijkheid, als ze ophouden met hun schildering van de vervreemding (christelijke term) van de burger, als ze iets willen prijzen, dan worden ze aanhangers van de walgelijkste dictaturen.
Kunstenaars hebben altijd al hun brood verdiend met het prijzen of het esthetiseren van de politiek van de rijken, de machtigen, de adel en de clerus. Nu we sinds tweehonderd jaar de mogelijkheid hebben een min of meer - nu eens meer dan eens min, maar altijd meer dan onder het Ancien Regime - rechtvaardige samenleving te ontwikkelen, misbruiken de kunstenaars de vrijheid voor het bejubelen van geweld en seks.
Geëngageerd? Met wie?
|
|