Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel

In naam van de roos,
over kunst en politiek

Sus van Elzen

Moet een schrijver zich met politiek afgeven? De vraag komt elke tien jaar terug, de antwoorden verschillen. Zelfs de vraag is open voor variaties: màg een schrijver zich met politiek afgeven? De eerste variant - moeten en dwang - vraagt blijkbaar naar de ethische plicht van de schrijver, de mens, en roept antwoorden op in het gamma: 'Wie dat niet doet is een boef.' De tweede variant - het bescheiden mógen - vraagt misschien naar de gevolgen van zo'n bemoeienis voor het literaire werk en doet een antwoord verwachten in de zin van: 'Wie dat doet is geen echte schrijver.' Ruzies hierover lopen doorgaans hoog op.

Natuurlijk, een mens met een hart wordt uiteengetrokken tussen twee uitersten. Ik zal ze noemen. Het ene is Lenin die schreef dat de literatuur maar een klein radertje mocht zijn in de grote machine van de revolutionaire organisatie. Zijn echtgenote, de zachte Kroepskaia, schreef omtrent die opmerking aan Georg Lukacs dat zij 'natuurlijk' niet sloeg op de literatuur die kunst was, maar alleen op politieke vakliteratuur. Ik heb het altijd ontroerend gevonden, maar ik denk nu al een tijdje echt wel dat Kroepskaia loog. Om bestwil misschien, om Vladimir Iljitsj tegen nodeloze kritiek te beschermen, of om met hem akkoord te kunnen blijven gaan. Liegen is geen zonde in de revolutionaire politiek. Liegen tegen het volk zou zonde kunnen zijn, tegen 'de massa's'. Maar de massa's hebben geen belangstelling voor literatuur.

Het andere uiterste is door Voltaire belachelijk gemaakt - of juist niet? Het vraagstuk is minder simpel dan het lijkt. Het zou erop neerkomen dat wij leven in de beste der mogelijke werelden, wat wereldverbetering uiteraard onmogelijk en absurd maakt, en dus ook politieke bemoeienissen. Candide in het verhaal van Voltaire heeft dit lang geloofd, maar nadat hij die beste wereld over zich heen gekregen heeft in de vorm van verkrachtende, moordende, rovende dragonders en ander gespuis, en murwgeslagen weer in relatieve veiligheid arriveert, weet hij, met de goddelijke dooddoener geconfronteerd, geen bijtender antwoord te formuleren dan het beroemde 'Certainement, mais il faut cultiver notre jardin.' Het antwoord is goddelijker dan de dooddoener, maar de vraag is wat het betekent: is dit de beste der mogelijke werelden, of is ze het niet? Het antwoord staat niet in het boek, maar blijkt uit de praktijk van Voltaire zelf, die zelf zijn leven lang politiek bezig is gebleven, èn erover is blijven schrijven.

Misschien moeten we enkele verschillen aanstippen. Dat tussen de burger en de kunstenaar - nee, ik bedoel de burger in zijn republiek, de kunstenaar in zijn werk. Het is de welbegrepen en nooit bereikte essentie van elke democratie dat de mensen die daarin leven er ook mee bezig zijn. Dat zij dus politiek bezig zijn, erover geïnformeerd zijn, er actief in tussenbeide komen. Minder mag men dan ook van de schrijver, de schilder en de klarinettist niet verwachten. Zij moeten niet verplicht worden om allemaal zoals Tom Lanoye hoog van de toren te gaan blazen - niet iedereen is geestig en verbaal begaafd als Tom, niet iedereen heeft talent voor het politieke spel, en vergeten we ook niet dat het hoog is, daar op die toren. Je komt er gemakkelijk alleen te staan, en een kwaaie klap is gauw gegeven. We kunnen alleen maar hopen dat ieder, volgens de formule van Karl Marx, naar eigen mogelijkheden en behoeften zijn verantwoordelijkheden opneemt. Dus jawel, de kunstenaar moet welzeker tussenbeide komen in de politiek. Caramba. Maar ik kan mij voorstellen dat dit, al is het een stuk van het antwoord, de vraag niet was.

Het zal wel weer gaan over de kwestie of de kunstenaar ook en vooral in zijn werk met politiek dient bezig te zijn. Hetzij of zijn werk daar rechtstreeks over moet gaan, hetzij of het ingeschreven dient te zijn in een zekere politieke doelstelling (de vriendschap tussen de volkeren, de verdediging van de democratie tegen het fascisme, de ontvoogding van de mensheid, ik noem maar wat - laat ik de vrouwenemancipatie ook maar noemen). Eigenlijk zijn we daar dan opnieuw bij Lenin, die vond van wel (zie boven). Trotsky was daar niet zo zeker van. Het aartsbisdom Mechelen daarentegen weer wel (niet waar). Maar ik dwaal af.

Ik neem aan dat we hier de discussie over het nut van de literatuur niet moeten voeren: literatuur maken is net zo zinvol als rozen kweken. Moet een rozenkweker met politiek bezig zijn? Zeker niet minder dan de timmermanszoon. Wil dat zeggen dat hij politieke rozen moet kweken? En zo ja, wie doet het hem voor?

Zelf heb ik redelijk lang gedacht dat ik politieke rozen moest kweken. Alleen rode. Of alleen zwarte. Of rode met een zwarte rand. En nu zouden het volgens die lieden daar dus allemaal witte moeten zijn. De verveling die me om het hart slaat als ik eraan terugdenk

En de dankbaarheid die ik voel voor de schrijver Emile Habiebi, de Israëlisch-Arabische communist die voor mij formuleerde wat ik al wel een tijd vermoedde, maar wat ik nooit zo dicht bij mezelf gezocht had. Probeerde hij toen al zijn kanker in de whisky te verzuipen? Ik weet het niet, de poging is trouwens niet gelukt, maar graag zou ik Emile Habiebi tot eregrootvader benoemen. Alle schrijvers zouden zo'n grootvader moeten hebben. Zeker als ze met rode rozen voor hun hoofd lopen.

Emile Habiebi vertelde het verhaal van de mooie jonge dochter Soraya en het monster, de 'ghoul' die haar geschaakt had en meegenomen naar zijn kasteel in de wolken. Het is het verhaal van zijn laatste roman. Die had hij geschreven, zei hij, om erachter te komen waar in zijn leven hij zich vergist had.
Ik kwam tot de conclusie dat er een ghoul was die van mij mijn kinderlijke liefde voor waarheid en rechtvaardigheid ontvoerd had, waar elk kind mee geboren wordt. En ik ging zoeken wie dat monster kon zijn. Ik heb er véél gevonden, onder meer de sleur van het dagelijks leven, maar in de eerste plaats was het de noodzaak een machiavellist te zijn in de politiek. Dàt was het monster. En daarbij bedacht ik dat mensen die de genade ontvangen hebben van artistieke creativiteit door de eeuwen heen heel weinig in getal zijn, en dat dat ook niet anders kan. Waarom zouden zij dan dat talent moeten opofferen voor een zogenaamd 'hoger doel'? De strijd voor vrijheid, gelijkheid, onafhankelijkheid, dat is allemaal heel noodzakelijk, maar het is niet dààrvoor dat wij geboren zijn. Er is een andere reden, een andere taak.
De opdracht van een politicus is naar buiten te kijken: strijd voeren, bondgenootschappen sluiten, de schuld van alles elders leggen... Maar de echte plicht van een schrijver is naar binnen te kijken. Naar de binnenkant van het individu en van de gemeenschap. Niet om de vertegenwoordiger te zijn van het bewustzijn van zijn volk. Nee. Om te proberen zijn eigen bewustzijn en dat van zijn volk in leven te houden en het te beschermen tegen verschillende vormen van vervuiling. Waar zijn wij anders voor geboren? Waarvoor hebben wij anders die genade meegekregen?
Zodoende kwam ik op het einde van mijn roman bij twee oude mannen uit, van mijn leeftijd, die zitten op de schaal van het einde zonder te weten of dat de schaal van het einde of van het begin is, en de ene vraagt: 'Wat zou jij ervan zeggen als een perenboom in plaats van peren aubergines begon te dragen, met het argument dat aubergines belangrijker zijn dan peren om er de armen mee te eten te geven?' En zijn vriend antwoordt: 'Het staat wel vast dat aubergines beter zijn om er de armen mee te voeden, maar zijn de perenbomen dan voor niets geboren? Hebben die dan geen eigen taak?'
Zo eindigt mijn boek. Ik heb het grootste deel van mijn leven doorgebracht in de overtuiging dat ik aubergines moest voortbrengen. De verdrukten verdedigen, de uitgebuiten, de bezetten enzovoort, en daar valt ook niet aan te ontsnappen, ik zeg ook nu niet dat literatuur belangrijker is dan politiek. Maar er zijn veel aubergineplanten. En het was beter voor de zaak van mijn volk, dacht ik, als ik mij hield bij mijn opdracht van artistiek scheppend kunstenaar. En de raad die ik aan mijn collega's in heel de wereld geef is dat ze, ondanks alle hindernissen en de noodzaak om voor aubergines te zorgen, zich zouden beperken tot de opdracht waar ze voor geboren zijn. Dat ze zich in geen enkele kooi zouden laten opsluiten, in geen enkele politieke kooi. Dat wil niet zeggen dat ik de noodzaak van het politieke werk niet apprecieer, zonder dat is er geen vooruitgang, dat weet ik. Maar laat die zeer weinige perenbomen ook maar bloeien, en de vruchten voortbrengen waar ze voor geboren zijn.

Dat wil niet zeggen dat rozen niet uit zichzelf rood en zwart kunnen zijn. Dat kunst niet politiek kan zijn. Wij weten wel beter. Ik mag daar trouwens over meepraten omdat mijn eigen literaire werk in essentie politiek van aard is, en ik mij nog herinner hoe lang het zoeken was naar een vorm die me toeliet op een literaire manier te schrijven over dat wat ik het beste meende te kennen: de politiek in de wereld - niet in België, niet in Antwerpen, niet in de Wetstraat. Want geen enkel onderwerp is natuurlijk te zot om erover te schrijven. Rimbaud schreef zelfs een gedicht over klinkers, maar elk onderwerp wil, om goed behandeld te worden, zijn eigen vorm. Die vorm vinden is het werk van de kunstenaar, en dat werk is altijd moeilijk. Om die reden moet men zich, vind ik, niet haasten om schrijvers onder druk te zetten om politieke kunst te maken: als die niet uit henzelf komt zal dat in bijna alle gevallen niet tot politieke maar tot mislukte kunst leiden, en tot ondoeltreffende politiek. En niets is lelijker en saaier dan mislukte kunst met een boodschap, niets is groter tijdverlies dan ondoeltreffende politiek. Terwijl rozen...

Daarom durf ik hier de Zoon van de timmerman aanhalen, boven vermeld, die desgevraagd zei: Geef dan aan de keizer wat van de keizer is, en geef aan God wat van God is.
En wie politieke rozen wil kweken, doet dat voor eigen rekening.

© Sus van Elzen