Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel

Rome te koop!

Gaius Sallustius Crispus
(vertaling Vincent Hunink)

Corruptie en protectie van hogerhand, politiek gekonkel, bestuurlijke obstructie, de macht van het grote geld en de doofpot: ze zijn helaas van alle tijden. Ook de antieke wereld was er maar al te bekend mee. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het werk van de Romeinse geschiedschrijver Gaius Sallustius Crispus (86-34 v. Chr.).
Rond 40 v. Chr. schreef Sallustius een monografie over de oorlog van Rome met de Afrikaanse vorst Jugurtha in de jaren 112-105 v. Chr. Deze episode was militair gezien niet van bijzondere betekenis, anders dan bijvoorbeeld de beroemde oorlogen tegen Carthago of de langdurige Romeinse burgeroorlogen. Maar de oorlog met Jugurtha kreeg wel een belangrijke extra lading: volgens Sallustius bleek hierin zonneklaar hoe corrupt de Romeinse heersende klasse was geworden. Daarmee werd deze oorlog exemplarisch voor het verval van de traditionele waarden en voor de beginnende desintegratie van de Romeinse Republiek. In Sallustius' eigen tijd werden de contouren van de Keizertijd al zichtbaar. Het zou nog maar een paar jaar duren of de eerste Romeinse keizers traden aan.
In het volgende fragment uit de
Oorlog met Jugurtha zien we hoe de koning sluw gebruik maakt van het verziekte politieke klimaat in Rome. In het jaar 110 v. Chr. wordt hij door de Romeinse pretor Cassius gedwongen om persoonlijk naar de stad te komen en een verklaring te geven voor zijn militaire acties tegen de Romeinen en hun bondgenoten in Afrika. Hij krijgt van tevoren de officiële garantie dat hij ongedeerd weer zal mogen vertrekken. De Numidische koning gebruikt letterlijk alle middelen die hij heeft om de dans te ontspringen. Het begint met medelijden wekken en Romeinse gezagsdragers omkopen, en het wordt van kwaad tot erger...

Jugurtha kwam dus met Cassius mee naar Rome. In strijd met zijn koninklijke eer zag hij er zo zielig mogelijk uit. En hoewel hij zelf mentaal sterk genoeg was, bracht hij met heel veel geld volkstribuun Gaius Baebius aan zijn kant. Dat deed hij op aandringen van iedereen die door macht of misdaad had bijgedragen aan alle eerder beschreven daden van Jugurtha: dankzij Baebius' schaamteloosheid zou hij beschermd zijn tegen alle recht en onrecht.
Gaius Memmius riep de volksvergadering bijeen. Het volk was gekant tegen de koning; sommige mensen riepen dat hij in de boeien geslagen moest worden, anderen dat hij op oud-Romeinse wijze als vijand de doodstraf moest krijgen wanneer hij de namen van zijn handlangers niet prijsgaf. Maar Memmius dacht meer om waardigheid dan woede. Hij probeerde de onrust te bedaren en de emoties te laten bekoelen, en verklaarde tenslotte dat de staatsgarantie, wat hem betrof, volledig overeind bleef.
Daarna, toen het stil was geworden, liet hij Jugurtha binnenbrengen en voerde het woord. Hij herinnerde aan Jugurtha's optreden in Rome en Numidië, en wees op de misdaden tegen zijn vader en broers. Met wiens steun, met wiens hulp hij dat alles gedaan had, dat wist het Romeinse volk natuurlijk best, maar het wilde het juist uit zijn mond duidelijk horen! Kwam hij met de waarheid voor de dag, dan kon hij alle hoop hebben op de loyaliteit en mildheid van de Romeinen. Maar hield hij zijn mond, dan kon hij zijn handlangers niet redden maar maakte zichzelf en al zijn hoop kapot.
Toen Memmius was uitgesproken, vroeg men Jugurtha om een reactie. Maar Gaius Baebius, de volkstribuun die was omgekocht, zoals we eerder vertelden, gelastte de koning te zwijgen.(1) En hoewel de in de vergadering aanwezige menigte vreselijk opgewonden raakte, en de volkstribuun bedreigde met geschreeuw, kwade blikken, herhaalde gebaren en alles waar woede verder zoal mee gepaard gaat, was het zijn onbeschaamdheid die won. Het volk, aldus voor schut gezet, verliet de vergadering. Jugurtha, Bestia en de rest op wie het onderzoek was gericht, vatten weer moed.

In die tijd was er in Rome een Numidiër, Massiva. Hij was de zoon van Gulussa en kleinzoon van Masinissa. Destijds, bij de onenigheid van de koningen, was hij tegen Jugurtha geweest, en na de overgave van Cirta en de terechtstelling van Adherbal was hij als vluchteling uit zijn vaderland weggegaan. Op deze man werd met succes ingepraat door Spurius Albinus, consul in het jaar na Bestia, samen met Quintus Minucius Rufus [110 v. Chr.]: hij was toch uit de stam van Masinissa? En Jugurtha was door zijn misdaden toch alom gehaat en gevreesd? Daarom moest hij de senaat verzoeken om de Numidische troon! - De consul was eropuit oorlog te kunnen voeren, en zag alles dus liever in beroering dan in versukkeling raken. Zelf had hij de provincie Numidië gekregen, en Minuscius Macedonië.
Zodra Massiva stappen in deze richting begon te zetten, had Jugurtha niet meer genoeg bescherming aan zijn vrienden: sommigen kampten met een slecht geweten, anderen met kwalijke reputatie en angst. Daarom beval hij Bomilcar, zijn naaste verwant en grootste vertrouweling, om voor veel geld (zijn al zo vaak geslaagde strategie) mensen in te huren voor een moordaanslag op Massiva, en wel zoveel mogelijk in het geheim; lukte dat laatste niet goed, dan mocht hij alle middelen inzetten om de Numidiër te doden.
Bomilcar voerde dadelijk 's konings opdrachten uit. Via mensen die in dat soort zaken bedreven zijn, onderzocht hij Massiva's handel en wandel: hij wist precies waar hij zich op elk moment ophield. Vervolgens legde hij op een geschikte plaats een hinderlaag. Maar één van de mensen die voor de moordaanslag ingehuurd waren, ging Massiva enigszins onbezonnen te lijf. Hij stak hem wel dood maar werd zelf gegrepen. Op aandrang van velen, vooral consul Albinus, legde hij een belastende verklaring af. Bomilcar werd in staat van beschuldiging gesteld, meer krachtens wat billijk en juist is dan krachtens het volkerenrecht (hij hoorde tot het gevolg van iemand die was gekomen onder garanties van de Romeinse staat).
Jugurtha was duidelijk schuldig aan deze grote misdaad, maar hield niet op de waarheid tegen te werken voordat hij merkte dat de ontstane afkeer zijn invloed en geld te boven ging. Hoewel hij in eerste termijn vijftig van zijn vrienden als borg gesteld had, dacht hij meer om zijn troon dan om zijn borgen. Hij zond Bomilcar stilletjes weg naar Numidië, uit vrees dat de rest van zijn mensen bang zou worden hem te gehoorzamen als Bomilcar de doodstraf zou krijgen.
Zelf vertrok hij een paar dagen daarna ook in die richting, op een bevel van de senaat Italië te verlaten. Eenmaal buiten Rome, aldus het verhaal, keek hij herhaaldelijk in stilte om, en zei tenslotte: 'Stad te koop, klaar voor de ondergang! Alleen nog een koper!'
Albinus hervatte intussen de oorlog. Hij maakte haast met het transport naar Afrika van proviand, soldij en andere benodigdheden voor soldaten. Onmiddellijk vertrok hij ook zelf, om nog vóór de verkiezing, die al niet meer ver weg lag, de oorlog met wapens of door overgave of op welke manier dan ook af te ronden.
Maar van zijn kant probeerde Jugurtha alles op de lange baan te schuiven. Hij kwam nu eens met deze reden voor uitstel en dan weer met die, beloofde overgave en deed vervolgens of hij bang was, zwichtte voor militaire druk en viel kort daarna weer aan om zijn mensen het vertrouwen niet te laten verliezen. Zo speelde hij met de consul, door soms de oorlog, soms de vrede te rekken. Er waren mensen die meenden dat Albinus zeker niet onkundig was van het plan van de koning. Als een oorlog na zoveel voortvarendheid zo gemakkelijk een slepende zaak werd, was dat niet zozeer een kwestie van slapheid, geloofden ze, maar van bedrog.

Door de vertragings- en omkopingstactieken van Jugurtha, de politieke machinaties in Rome en de onkunde van de Romeinse militair die de operaties in Afrika leidt, leiden de Romeinen daar een smadelijke nederlaag. Daarmee heeft Jugurtha het initiatief weer even in handen.
Pas na enige tijd krijgen competentere en minder snel omkoopbare Romeinen de leiding van de oorlog in Afrika. Uiteindelijk weten Marius en Sulla de Numidische koning te verslaan, zij het met hulp van list en bedrog: Jugurtha wordt in de val gelokt door een andere Afrikaanse koning die voordeel ziet in een verbond met Rome. Marius en Sulla zijn, niet geheel toevallig, twee belangrijke figuren in de burgeroorlogen die Rome in de decennia na Jugurtha's val zouden teisteren. Zo eindigt Sallustius' monografie allerminst met een Romeinse triomf: het is, integendeel, het begin van het einde.

Aantekeningen

De hier weergegeven fragmenten van Sallustius (Jugurtha 32-35 en 40-42) zijn afkomstig uit een nieuwe, integrale vertaling: Sallustius, Verzameld Werk, vertaald door Vincent Hunink en toegelicht door Fik Meijer, (Athenaeum - Polak & Van Gennep) Amsterdam 1998 (te verschijnen).

1. Een volkstribuun bezat in de Romeinse Republiek de macht om bepaalde procedures met een veto te blokkeren. Door zijn onschendbaarheid kon hij dit straffeloos doen, ook al was er duidelijk sprake van machtsmisbruik, zoals in dit geval.

© Gaius Sallustius Crispus; © vertaling Vincent Hunink