|
Stefaan van den Bremt
Elegie voor een verdwenen kind
1
Waarom nog een klaagzang over de verdwijning van
een kind? Overal ter wereld
zoeken wollige woorden de sporen zo goed mogelijk
te wissen. Laten we de sporen lezen
van de verduistering. De uitgespaarde elegie
in het vlechtwerk van ons geheugen
vertoont sporen van geweldpleging. De vergeetachtigheid
van vele weldenkenden heeft een keerzijde.
Elk gebannen beeld, elke geschrapte schreeuw, elke betrapte zwijgplicht
zullen getuigen zijn.
Een gedicht om te gedenken het spoorloos verdwenen
geweten. Op elke Plaza de Mayo
zoeken de bewindslieden moeders van verdwenen kinderen
voor gek te zetten. Laten we de sporen lezen
die niet zijn uit te wissen. Het uitgespaarde nieuws
in het rasterwerk van de sensatiegaarders
vertoont tekenen van overbelichting. Het fenomenale geheugen van de jongste generatie computers
is omgekeerd evenredig aan het herinneringsverlies
van de opsporingsambtenaar. Het manco
zal worden aangerekend.
2
Om de genaamde A. en om een onbekende
te gedenken dit gedicht. De genaamde
A. kon nog net haar naam redden en
verdween spoorloos in een zwart gat.
Geen schijnwerper wijst de plaats aan
waar haar lichaam niet meer is, pal
op de plek waar de rechter in ruste
zich niets bij kan voorstellen dan
de onrust van een schaduw.
3
Daarom dit klaaglied om een kind dat is verdwenen
en in herinnering wil voorbestaan. Opdat niets
meer spoorloos zou verdwijnen dan dit klagen.
De onbekende zal om een naam vragen, de rechter
in eeuwige onrust worden opgenomen. De genaamde
A. zal worden weergevonden in het voorgeborchte
der vergetelheid. Noem hen met naam en toenaam,
dek die onstoffelijke resten toe met schaduw.
|