Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel

Scheiding

Gie Bogaert

Ik ben een slecht kunstenaar. Tom Lanoye heeft het gezegd. In het NRC-Handelsblad. Wie als schrijver met dédain over de politiek spreekt is geen goed kunstenaar, zegt hij. Zelf schrijft hij om zich zonder gêne op een politieke lijst te kunnen plaatsen en te gaan speechen in het parlement.
Ik schrijf niet om op een politieke lijst te staan of waar dan ook te gaan vertellen wat ik denk. Ik schrijf vooral om mezelf ergens een plaats in het leven en de wereld te geven. Om te achterhalen wat ik en de man die aan de overkant van de straat zijn auto wast en de vrouw die net voorbij komt gefietst met onze levens zoal aanvangen. In het beste geval met een spat hoop dat er iemand is die leest wat ik schrijf en denkt: godsamme, met zo'n man zou ik niet willen ruilen. (Dan heeft het iemand nog iets opgeleverd, al is het alleen maar dat.)
Ik ambieer niet veel met mijn boeken. Ik probeer wat over de liefde te vertellen en dat is het ongeveer. Ik kan wel zeggen dat ik me voornamelijk met de liefde bezighoud. Ik erger me ook niet zoveel, heb ik gemerkt. (Behalve dan aan politici van het slag van Mark Eyskens. Die wilde net voor de jaarwisseling in Leuven-Centraal - de talkshow waarin Gui Polspoel tegen beter weten in politici dichter bij de cultuur probeert te brengen - de volgens Canvas interessantste kijker per se goed nieuws vertellen. Bijvoorbeeld dat die dag tussen vier en zeven uur bijna zeven miljoen mensen zonder ongelukken van hun werk weer thuis waren geraakt, en dat er zoveel schoonheid is in de wereld. Van zo'n vreselijke betutteling word ik niet goed.)
Ik ben geen brenger van goed nieuws. Ik breng tamelijk slecht nieuws, geloof ik. Dat we de tederheid aan het verliezen zijn onder andere. Dat zelfs het woord uit onze woordenschat dreigt te vallen. En dat we aan het begin van een nieuw millennium en een stuk of wat millennia achter ons nog altijd niet weten wat we met de liefde moeten doen.
Ik probeer te vertellen dat we allemaal onze bedoelingen hebben en dat de meeste daarvan goed zijn. Dat bijna alle bedoelingen goede bedoelingen zijn en we ons best doen om die te verwezenlijken, dat we de dingen doen zo goed en zo kwaad als we kunnen, maar dat we daarbij fouten maken, dat op een of andere manier de dingen soms verkeerd lopen en we ons daar dan schuldig over voelen. En dat we de eenzaamheid willen bevechten, vertel ik. Dat het dat is wat de meeste mensen bezighoudt. Dat we soms dingen doen alleen maar uit angst om alleen te zijn. Dat we gekke dingen doen, of verkeerde dingen, of dat we dingen doen waarvan we denken dat ze goed zijn terwijl later blijkt dat dat niet zo is, terwijl dan blijkt dat we de verkeerde dingen hebben gedaan, of de verkeerde keuzes hebben gemaakt. En ik vertel dat we soms helemaal niets doen, omdat we bang zijn voor wat we zullen doen, omdat we geloven dat wat we doen ons nog eenzamer zal maken.
Ik probeer ook te vertellen dat ik niet weet waarom we die dingen doen. Dat ik niet weet waarom we doen wat we doen, waarom we precies op deze of gene manier ons leven willen leiden, en dat ik ook niet weet waarom we op een bepaald moment niet beslissen ons leven weer in de hand te nemen.
En ik vertel dat ik maar één zekerheid heb: dat niemand het recht heeft om daarover te oordelen, hoe dan ook.
Daarom schrijf ik. Om dat te vertellen.

Natuurlijk weet ik: alles is politiek. En wanneer ik zeg dat ik me niet engageer, word ik asociaal genoemd en moet ik me alweer schuldig voelen.
Het zij zo.
Ik zei al: ik hou me met de liefde bezig. Omdat iemand ze moet verdedigen en politici de laatsten zijn van wie je zoiets kunt verwachten. En eerlijk, met wat ik doe heb ik al werk genoeg.

Politiek is mijn vak niet. Zoals de literatuur niet het vak van de politici is. Wanneer ze gaan schrijven, lijkt dat meestal nergens op. Ik ben niet pretentieuzer. Wat zou ik me met de politiek bezighouden? Ik wil helemaal geen wereldverbeteraar zijn. Die illusie laat ik aan de politicus. (Die heeft er een hoofd voor. Of verbeeldt het zich toch.)

Uiteindelijk is het zoals mijn vader zegt (hij houdt van politiek noch literatuur en aan zijn waarheden hecht ik derhalve veel geloof): ieder op zijnen tram.
Ik sta nogal op deze scheiding der machten.
Het laat mij literair onschendbaar.
Dat is een goed gevoel.

Je m'excuse.

© Gie Bogaert