Terug naar de cover
Terug naar de inhoudstafel

Mijn katoen, mijn thuis

Su Tong

Voorwoord

Su Tong werd in 1963 in Suzhou, Jiangsu geboren. In 1980 ging hij aan de Shifan Daxue-universiteit te Beijing literatuur studeren. In 1984 verhuisde hij naar Nanjing waar hij werkte als redacteur bij het literaire tijdschriftZhongshan Hij debuteerde in 1983. Nu is hij één van de belangrijkste hedendaagse Chinese schrijvers. Zijn werk werd verzameld uitgegeven in Jiangsu. Hij publiceert in alle belangrijke literaire tijdschriften in China, zoals Shouhuo, Huacheng.
In 1991 werd zijn novelle
Een schare vrouwen en concubines door Zhang Yimou verfilmd tot De rode lantaarns, een film die in het westen heel veel succes oogstte.

Door de wind lijkt het alsof het katoen in het water jammert. De mensen op het vlot vissen de katoenpluizen uit het water op en stapelen ze in een bamboemand tot een klamme massa die door het schudden steeds van vorm verandert. Van ver lijkt het op een stervend huisdier. De droom van een rijke oogst is door de overstroming van de uitgestrekte katoenvelden in rook opgegaan. Ellende en verwarring staan op de talloze gezichten te lezen, het katoen in hun handen is het laatste wat ze oogsten.
Shulai staat een eind verder in het water en staart naar de groene weerspiegelingen van het dobberende katoen. De reflectie van zijn grauwe vermoeide gezicht in het water lijkt op een verdord blad. Er is geen tijd meer te verliezen. Hij rolt zijn deken op, hangt het over zijn schouder en waadt door het water. Als hij omlaag kijkt, ziet hij de katoenpluizen als vissen tegen zijn knieën zwemmen, een hoopje pluizen beweegt met hem mee tot aan een stukje droge grond. Hij schept ze uit het water, ze voelen fris en zacht aan, in de namiddagzon zien ze er lichtrood uit. De kleur van katoen is vreemd, bedenkt Shulai, ze verandert soms.
Nog meer mensen uit de geteisterde dorpen in de omgeving verzamelen zich op het stuk droge grond. Op enkele paardenkarren persen de wegtrekkende katoenboeren zich dicht op elkaar en wachten op het vertrek. Vrouwen en kinderen jammeren en huilen. Shulai heeft de indruk dat alle mensen in dorre bladeren zijn veranderd. Over de aarden weg, die de enige verbinding met andere dorpen vormt, stromen ze vooruit, op zoek naar een droog plekje vruchtbare grond. Iemand op een paardenkar ziet Shulai en vraagt: Shulai, ga jij ook weg? Shulai kruipt op de kar. Natuurlijk, waarom zou ik blijven? Waar ga je heen? vraagt de persoon verder. Mijn oom is smid in Maqiao, antwoordt Shulai nadenkend. Misschien vind ik bij hem onderdak, ik weet echter niet zeker of hij daar nog woont.
De paardenkar rijdt door het uitgestrekte overstroomde gebied. De lucht in juli is vochtig en broeierig. Pas na lange tijd krijgen de vluchtende mensen weer vaste aarde, huizen en gewassen te zien. De kinderen die koeien hoeden in de ondergaande zon, staren de katoenboeren uit de getroffen gebieden ontsteld aan. Op dat ogenblik springt Shulai, zonder iets te zeggen, van de kar. De mensen op de kar vermoeden dat hij moet plassen. Shulai loopt naar de sloot, zijn hoofd verdwijnt tussen het cogongras. De paardenkar rijdt verder, de dorpelingen willen weg van het gebied waar hongersnood en armoede heerst, de tocht is erg lastig. Pas na een tijd beseffen ze dat Shulai nergens meer te zien is, zijn verdorde haar is tussen het cogongras verdwenen.
In de sloot ligt een man. Eerst ziet Shulai een hoop jonge maïskolven, dan ziet hij een mannenhand uit de berg steken. Afwezig houdt hij de hand voor een boomblad en schenkt er geen aandacht aan. Wanneer hij op de maïs plast, ziet hij dat de hand begint te trillen, heel traag steekt de vieze verweerde hand uit, alsof ze om iets bedelt. Nu tilt de man ook zijn aardkleurige gezicht op. Zijn ogen zijn uitgeput, zijn droge lippen maken een zuigende beweging. Geef me water, ik sterf van de dorst, kreunt de man. Verschrikt springt Shulai achteruit. Terwijl hij zijn riem dichtknoopt, onderzoekt hij haastig de uitgedroogde verschijning. Wij zijn bijna verdronken omdat er zoveel water is, en jij vraagt nog meer water? Shulai gelooft zijn ogen niet. Hij ziet de man een beetje naar voren kruipen, zijn gezicht plakt krachteloos in de modder. Dan hoort Shulai een slurpend geluid. Als een bloedzuiger steekt de man zijn witte tong uit en likt begerig Shulais urine op. Shulai slaakt een kreet, hij is doodsbang, als bezeten sprint hij door de sloot weg. Het lichaam van de man stinkt al naar de dood, die geur maakt Shulai uitzinnig van angst.
De vallei naast de sloot is dicht begroeid, Shulai hurkt neer en snakt naar adem. Plotseling dringt het tot hem door dat de man in de sloot beslist iemand uit zijn geboortestreek moet zijn, hij komt hem erg bekend voor. Hij overweegt of het zijn oom uit Maqiao kan zijn. Die is al jarenlang van huis weg, Shulais herinnering aan hem is erg vervaagd. Hij wil terugkeren om de man beter te bekijken maar zet die gedachte onmiddellijk weer opzij. Als het inderdaad zijn oom is die daar in de sloot ligt te sterven, heeft hij geen reden om hem nog te zoeken.
Shulai klimt op de weg en kijkt naar de sloot onder hem. Een zwerm paardenvliegen zoemt in het rond, paardenvliegen zijn meestal de eerste die een stervende te lijf gaan, misschien hebben ze de aders van zijn oom al kapotgebeten. Zijn oom zal nu gauw sterven. Shulai denkt aan de overstromingen vandit seizoen. Massa's water hebben de uitgestrekte katoenvelden overspoeld, mensen en dieren zijn verdronken, en zijn oom in de sloot likt menselijke urine op. Hij moet wel heel erg ziek zijn, misschien sterft hij van de dorst. Shulai vindt het een beetje ongeloofwaardig.
Shulai is nu in een onbekend dorp. Op de dijk tuurt hij in de verte. De lage huisjes hier en daar lijken in de avondschemering op scheefgezakte hondendrollen. In de steegjes is geen mens, geen hond, geen huisdier te bespeuren. Wanneer Shulai de dijk afloopt, vindt hij enkele afgedankte waterraderen en grote en kleine houten vaten. Op de wieken van een windmolen ontdekt hij een versleten jasje, het ruikt sterk naar zon en zout. Hij trekt het aan en loopt door de dorpsstraatjes. Overal liggen weggegooide dingen. Shulai raapt daar zoveel mogelijk van op om zich in zijn zwerversbestaan te voorzien.
Honderd li van zijn dorp verwijderd is alles anders. Hier heerst droogte. Shulai slentert door het dorp. Alle huizen staan leeg, alle watervaten droog. Hij heeft honger en dorst. Hij hoopt in een van de huizen wat te eten te vinden, of een slokje water. Maar de mensen die voor de hongersnood zijn weggevlucht, hebben al het eten meegenomen. Onder de dakrand van een huis vindt hij twee gedroogde pepertjes en hij schrokt ze naar binnen. Zijn dorst brandt nu nog erger. Met een stok klopt hij het laatste watervat stuk. In het hele dorp is geen druppel water meer te vinden. Ontgoocheld loopt Shulai het laatste huis uit en zet zich neer op een stenen pletmolen, vol afschuw laat hij zijn blik over deze schrale verlaten plek gaan. De stervende man in de sloot, met de uitgestoken hand als een verdord blad, komt hem opnieuw voor de ogen. Nu pas begrijpt hij de volle betekenis ervan. Nu pas beseft hij dat droogte, net als een overstroming, dodelijk is voor de mens, het is even erg.
Wanneer Shulai over het zonovergoten dorpsplein loopt, ontdekt hij een voederbak voor kippen. Er zitten twee muizen op. In de kom staan de laatste druppels water in het dorp. Heel even aarzelt hij, maar dan schiet hij er resoluut heen en verjaagt de muizen. Het troebele, bittere water maakt zijn hoofd weer helder. Hij moet voortmaken, weg uit dit dorp. Als hij zich haast, haalt hij misschien de volgende dag de paardenkarren met zijn dorpsgenoten in.
Op de dijk, in de richting van de vlakte, ontmoet Shulai een vluchtende familie: een graatmagere man en vrouw met een graatmager kind aan de hand. De man draagt een stapel flessen op de rug, de vrouw een zak voedsel. Stilletjes sluipt Shulai achter hen aan. Eigenlijk sluipt hij achter het voedsel en het water aan. De man is duidelijk op zijn hoede voor Shulai. Plotseling stopt hij en snauwt: Maak dat je wegkomt, laat ons met rust! Ik weet niet waar ik heen moet, zegt Shulai. Je moet naar het westen, naar een plaats waar water is, antwoordt de man. Shulai krimpt in elkaar en glimlacht wrang. Ik ben op de vlucht voor een overstroming. In het westen is alles overstroomd, alle katoenvelden staan onder water. Achterdochtig kijkt de man Shulai aan. Daar trek ik mij niets van aan. Probeer in ieder geval met ons maar niets uit te halen. Als je ons nog volgt, hak ik je in stukken! Instinctief doet Shulai een paar passen achteruit. Hij schudt zijn hoofd en zegt: Daar geloof ik niets van. Waar zou jij, uitgeput door honger en dorst, de kracht vandaan halen om mij te doden? Het zijn precies honger en dorst die een mens tot moord aanzetten, zegt de man. Begrijp jij dat dan niet? Een dwaas als jij komt vroeg of laat van honger en dorst om. Onzeker besluit Shulai: Je hebt gelijk, ik kan maar beter voor jullie lopen, dan kan ik jullie water en voedsel niet stelen.
Daarna loopt Shulai voor de familie. De lucht wordt stilaan donker, de weg in de verte vervaagt. Opeens denkt hij aan het grenzeloze uitgestrekte water in zijn dorp, aan de ontelbare katoenpluizen die op het water drijven. Massa's mensen zijn voor de hongersnood gevlucht en zwerven nu doelloos als drijvende katoenpluizen over de weg, massa's mensen vol wanhoop en haat, verplicht om hun thuis te verlaten. Waar gaan ze uiteindelijk heen?

Als hij in de richting van de grote vlakte in het zuiden loopt, komt hij talloze mensen tegen op de vlucht voor de hongersnood, maar zijn dorpsgenoten op de paardenkar zijn nergens meer te bespeuren. Shulai heeft er geen idee van welke richting ze zijn uitgegaan. Hij is deze zinloze zoektocht trouwens beu. In tijden als deze kan toch niemand iemand helpen, je kan alleen op jezelf vertrouwen. Hij overweegt wat hij zal doen. Tussen de mensenmenigte voelt hij zich in ieder geval minder eenzaam, daarom volgt hij de mensenstroom in de richting van de zuidelijke vlakte.
De zuidelijke vlakte is deze zomer gespaard gebleven van rampen als overstroming of droogte. Daar kunnen de vluchtelingen overleven met wat ze in de velden vinden of wat ze van de bewoners langs de weg krijgen. Onrustbarend zijn echter de geweerschoten op de vlakte die van 's ochtends vroeg tot 's avonds laat vanuit de verte weerklinken. Shulai kan de afstand tot de schoten niet inschatten, maar hij weet dat het gevaar om de hoek schuilt. Hij is ontsnapt aan de hongerdood maar toch maakt hij zich zorgen.
De mensen gissen naar de oorlog in de vlakte. De strijdende partijen veranderen daarbij voortdurend, niemand weet hoe het precies in elkaar zit. Soms valt het leger van de Guomindang het Japanse leger aan, soms bestormt het Japanse leger het communistische leger, en soms zijn het de communisten die het Guomindangleger bestoken. Vaak ziet Shulai de kruitdampen in de dorpen in de verte. Schril huilende vrouwen en kinderen uit die dorpen sluiten zich bij de vluchtende massa aan. Zo bemerkt Shulai ook een vreemde man met kaalgeschoren hoofd en een afgerukt been dat druipt van het bloed, die zich mankend en springend bij de menigte voegt. De man vloekt onophoudelijk en steelt voedsel uit de rugzak van een andere vluchteling. Iemand vertelt Shulai dat de man een deserteur is die zal worden geëxecuteerd. Shulai kijkt om naar de bloedende beenstomp van de soldaat en vraagt: Waarom wordt hij geëxecuteerd? Hij is al een been kwijt, hij kan onmogelijk nog vechten. Terwijl hij dat zegt, hoort hij een geweerschot achter zich. Wanneer hij opnieuw omkijkt, ligt de gewonde soldaat in een bloedbad. Het gestoomde broodje van de soldaat rolt voor Shulais voeten. Even wordt de mensenmassa door paniek uiteengedreven. Shulai is zich rot geschrokken door het schot vlakbij. Hij ziet twee soldaten in vliegende vaart komen aandraven en de dode soldaat op hun paard hijsen. Shulai staat aan de grond genageld, het afgerukte been van de gewonde soldaat, als een afgebroken boomtak, schommelt krachteloos naast het paard. Het verse bloed vormt een grillig rood spoor op de aarden weg. Ze hebben hem echt geëxecuteerd. Shulai zoekt steun bij een grote boom, hij beeft van kop tot teen, verlamd van schrik door wat zich hier heeft afgespeeld: een mens loopt rustig over de weg en het volgende moment is hij dood.
Verschrikkelijk is het, herhaalt Shulai steeds weer. Oorlog voeren is nog erger dan een overstroming of droogte, niets is erger dan een kogel. Ik heb met mijn eigen ogen gezien hoe ze een man executeerden, en weet je, de man was al een been kwijt, hij was al beklagenswaardig. Shulai vraagt zich af waarom die soldaten een man met een afgerukt been ook nog zo nodig moesten doodschieten. Iemand antwoordt: Omdat hij op de vlucht was. Shulai begrijpt er nog steeds geen snars van. Natuurlijk was hij op de vlucht, iedereen is bang voor de dood, zou jij niet vluchten met de dood voor ogen?
Overmand door vragen en twijfels brengt Shulai de nacht door in een acaciabos. Het kleine barakje in het bos is al overbevolkt. Shulai loopt een eindje terug, hij moet de nacht in open lucht doorbrengen. Hij vouwt zijn tas open en spreidt zijn kletsnatte katoenen deken op de grond uit. Dan trekt hij zijn schoenen uit en gebruikt die als hoofdkussen. Zo zal Shulai de nacht doorbrengen op dezelfde manier als de andere vluchtelingen onderweg. Op deze vreemde plek ziet alles er anders uit, de donkere nachtlucht en de grijswitte sterren, het hout van de bomen en de contouren van de huizen. Shulai voelt zich vreemd. Hier is geen snelstijgende overstroming en geen rondvliegend katoen, de nachten in deze vreemde streek zijn saai en eindeloos lang. Net voor hij inslaapt, ziet Shulai vaag één katoenpluisje op het water drijven, het is lichtrood, het kan van kleur veranderen. Voor de wanhopige Shulai is dit de enige troost.
Om middernacht worden de mensen in het acaciabos uit hun slaap opgeschrikt door wanordelijk hoefgetrappel op de grote weg. Slaapdronken hoort Shulai iemand schreeuwen: Maak dat je wegkomt, ze pakken alle mannen op! Shulai springt overeind. Terwijl hij blootsvoets, als een wild hert wegrent, hoort hij de opschudding in het bos achter hem, het geluid van geweerschoten vermengt zich met menselijke geluiden. Een verdwaalde kogel fluit boven zijn hoofd. Hij rent voor zijn leven, tot hij geen enkel geluid meer hoort, en valt dan op een berg stro neer om op adem te komen, blij dat hij weer aan het gevaar is ontsnapt. Nooit word ik soldaat, besluit hij, nooit zal ik iemand de dood insturen.
Shulai loopt nu alleen op de weg in de donkere nacht. Hij is bovendien zijn deken, zijn reistas en alle spullen die hij onderweg had verzameld kwijt. Ontmoedigd, op blote voeten, loopt hij onder het maanlicht. Hij had die spulletjes willen behouden. Zijn laatste bezittingen zullen nu door andere vluchtelingen worden opgeraapt, ze zullen nu van hen zijn. Shulai bezit alleen nog zijn uitgeputte lichaam. De hele omgeving is verlaten.

Na vele omzwervingen bereikt Shulai, op een brandend hete middag, Maqiao. Het is een handelsstadje dat in het zuiden bekendstaat om allerlei soorten handenarbeid. Shulai is hier nog nooit geweest. Hij meent zich te herinneren dat Maqiao niet ver van zijn geboortedorp ligt, slechts zo'n zeventig, tachtig li. Hij heeft de hele zomer rondgezworven en is ervan overtuigd dat hij ten minste vijfhonderd li heeft afgelegd en nu plots komt hij in Maqiao aan. Hij moet beslist ergens in de verkeerde richting gegaan zijn. Hij dacht dat hij heel ver weg ging, en nu blijkt dat hij steeds dichter bij zijn dorp is gekomen.
Maqiao is eigenlijk een klein straatje dat aan beide zijden is bezaaid met winkeltjes van allerlei soort. Bij een kraampje met gebakken sanzi ziet Shulai het deeg in de olie rondwentelen en hij zegt tegen de vrouw naast de frituurpot: Wat ruiken ze heerlijk, hoeveel is het voor ééntje? De vrouw kijkt hem schuin aan. Als je geld hebt om sanzi te kopen, waarom koop je dan niet eerst schoenen? Kijk eens, je tenen zitten vol hondenpoep. Shulai antwoordt: Je hebt gelijk, ik heb geen geld meer. Eerst had ik er een beetje, in mijn deken, maar die heb ik verloren. De vrouw roert met stokjes door de sanzi en zucht zachtjes. Al die vluchtelingen, waar willen jullie toch heen? Verlekkerd likt Shulai zijn lippen af. Dat weet alleen God, zegt hij, ik volg de weg die hij voor mij uitkiest. Dit jaar is een rampenjaar, klaagt de vrouw, de boeren hebben geleden en mijn zaakje hier loopt ook al niet schitterend, niemand koopt nog sanzi, ze sterven liever van honger dan wat geld uit te geven. Shulai gaat niet akkoord met de vrouw en verbetert haar. Hoe kan je verwachten dat iemand geld uitgeeft aan sanzi? Niemand heeft nog geld. De vrouw kijkt op en staart hem aan. Plotseling schreeuwt ze luid: Maak dat je wegkomt! Dacht je misschien dat je wat zou krijgen als je hier lang genoeg rondhangt? Denk maar niet dat ik je één sanzi geef, ik voeder ze nog liever aan een hond dan aan een hongerige sukkel als jij. Verrast door de plotselinge uitbarsting van de vrouw, antwoordt Shulai: Ik heb niet eens om een sanzi gevraagd, waarom maak je je zo boos? Daarbij spuwt hij een rochel in de pot en maakt zich uit de voeten. Hij hoort de vrouw achter hem de meest platvloerse verwensingen naar zijn hoofd slingeren, maar doet alsof hij het niet merkt. Shulai is bang voor rampen maar niet voor iemand die hem uitscheldt.
Alle winkels zien er leeg en verlaten uit. Terwijl Shulai voorbij de halfgesloten winkels loopt, bestudeert hij de gezichten van de mensen in Maqiao in de hoop een vertrouwd gezicht van een dorpsgenoot te ontmoeten. Hij hoopt dat zijn oom niet in de sloot is gestorven zodat hij bij hem onderdak kan vinden. Maar hij komt enkel onbekende bedelaars en vluchtelingen tegen. Als zwermen vliegen verzamelen ze zich aan de oever van de rivier, jammerende geluiden zoemen overal. Opeens lichten Shulais ogen op, hij ontdekt het geraamte van de paardenkar uit zijn dorp. Het paard en de mensen zijn verdwenen maar het iepenhouten geraamte staat stil aan de oever. Shulai loopt erheen en ziet een slapende oude man op de kar. Hij kent hem niet. Ruw wekt hij hem en hij vraagt: Waar zijn de mensen van deze kar? De man schopt naar Shulais onderbuik en bromt: Waarom maak je mij wakker? Ik was bijna ingeslapen. Ik kon het schimmenrijk al voelen en nu maak jij mij wakker. Waar zijn de mensen van deze kar? vraagt Shulai nog een keer. Waar zijn ze heen? De oude man sluit zijn ogen en zegt: Gestorven onderweg, ze zijn allemaal dood, ik ben ook bijna dood. In een rampenjaar sterft iedereen die is voorbestemd, jij zoekt zelf ook best een plek om op je dood te wachten. Shulai schudt zijn hoofd. Het lichaam van de oude man ruikt al naar de vertrouwde geur van de dood, hij zal inderdaad gauw sterven. Shulai haast zich weg van de mensenmassa aan de oever. Hij vraagt zich af waarom die smerige grijsaard hem dood wenst, hij is nog jong, hij heeft nog niet genoeg geleefd, waarom zou hij nu al moeten sterven?
Shulai merkt dat er in Maqiao verschillende begrafenisondernemers zijn, en nog meer smidsen, alleen die zaken floreren nog als voorheen. Hij beseft dat dit komt doordat er zoveel mensen sterven. De aarde in het zuiden is dit jaar met doodskisten geplaveid. Als reuzenaardappelen onder de aarde vechten ze als rivalen om lucht en water met de overblijvende gewassen. Toch staan de smidsen nog vol boerenwerktuigen. De koppigste en meest volhardende boeren kopen nog steeds ploegen, eggen en schoffels. In een jaar waarin ze niets hebben geoogst, bewerken ze nog even ijverig het land. Met pijn in het hart staart Shulai de boeren met hun nieuwe materiaal na. Hij denkt aan het overstroomde katoenveld van duizend mu thuis en aan het harde werk dat hij vorig jaar heeft geleverd om het land te bewerken. Als het lot ongunstig is, is het zinloos om te zaaien en te planten. Het is zo simpel, waarom wil niemand dat begrijpen?
Shulai komt aan bij drie smeden. Hij bestudeert hoe ze met ontbloot bovenlichaam het ruwe ijzer bewerken. Het ritmische geluid klinkt zwak en krachteloos, ze zijn in stilzwijgen verzonken. Zolang mensen landbouwwerktuigen nodig hebben, moeten zij ijzer smeden. Af en toe kijkt een van hen even naar Shulai. De gloed van het vuur glanst helderrood in de ogen van de smid, en ook op zijn handen en schouders danst de rode gloed op en neer.
Wil je een werktuig kopen?
Nee. Ik zoek mijn oom.
Wie is je oom?
Ik weet het niet. Misschien woont hij hier niet meer. Misschien is hij al dood.
De smid weet Shulai te vertellen dat zijn oom lang geleden naar zijn geboortedorp is teruggekeerd, om katoen te zaaien. Dat is onmogelijk, bedenkt Shulai, alle katoenvelden zijn overstroomd. Waar kan zijn oom heen om katoen te kweken? Shulai gelooft eerder dat de man in de sloot zijn oom was. Misschien is hij op weg naar huis, bij de tocht door het gebied dat door droogte geteisterd werd, van honger en dorst omgekomen. Dat ligt waarschijnlijk dichter bij de realiteit. Vele mensen zijn onderweg gestorven, op weg naar huis of juist van huis wegvluchtend.
In de smidse slaat Shulai een tijdlang de smeden gade. Op de vensterbank binnen ontdekt hij een pot rijst. Deze smeden zijn waarschijnlijk de laatsten in de wereld die rijst eten, denkt Shulai bij zichzelf. Na lang nadenken knielt hij neer, zonder iets te zeggen, en staart toegewijd naar de smeden en naar de pot rijst achter hen.
Waarom kniel je?
Ik weet het niet. Shulai kijkt naar zijn knieën. Mijn knieën knielen vanzelf neer, ik smeek jullie mij te helpen, alsjeblief, help me toch.
Hoezo jou helpen? Als wij jou helpen, wie helpt ons dan?
Geef mij wat rijst, laat mij werken, laat mij in de smidse blijven.
De drie smeden werpen elkaar een blik toe en grijnzen, tegelijk gooien ze hun werk neer en komen naar Shulai toe. Shulai voelt de brandend hete ruwe handen zijn armen en benen bruusk vastgrijpen en schreeuwt luid. Als een steen gooien de smeden hem naar buiten.
Als wij jou rijst geven, komen we zelf van honger om, roept de smid aan het vuur hem na.
Onbeweeglijk ligt Shulai op de plek waar ze hem hebben neergegooid. Hij wil niet meer bewegen. Boven hem is de hemel van Maqiao azuurblauw met talloze wolkjes. Shulai heeft het gevoel dat de wolkjes echt katoen zijn, spierwit en zacht veranderen ze in de wind. Hij beseft dat het laatste katoenveld zich in de lucht bevindt, zijn dorpsgenoten zijn jarenlang misleid. Het katoen heeft hen jarenlang voor de gek gehouden en is er nu de oorzaak van dat ontelbare mensen alles achterlieten. Ze hebben het land bewerkt, gezaaid, de planten gekoesterd. Wat ze oogsten was honger en een zwerversbestaan. Met een bittere glimlach staat Shulai op en zegt tegen de drie smeden in de smidse: Ik haat jullie niet, ik haat katoen, God weet wat voor iets dat is.

De rest van de zomer blijft Shulai in Maqiao. De zomer in 1941 is verstikkend heet en lang. Om de hitte te ontlopen zet Shulai uiteindelijk zijn weg verder. Hij heeft opnieuw een uitpuilende tas met daarin een glazen fles, een stuk stof, een kogelhuls, een gedroogd broodje en allerlei andere spulletjes. Hij heeft ook een plukje katoen op een vuilnishoop gevonden. In één oogopslag herkende hij het katoen uit zijn geboortestreek en hij heeft het in de glazen fles gestopt. Het is zijn allerlaatste aandenken.
Die zomer begint ook het choleravirus zich in Maqiao te verspreiden. Van aan de oever waar de vluchtelingen zich verzamelen, verspreidt de cholera zich razendsnel. De choleralijders zijn lijkbleek, braken, hebben diarree of liggen in een coma. De lucht in Maqiao is vervuld van de stank. Angstig hangt Shulai rond in de straten vol smerige lijken die in rieten matten zijn gerold of hier en daar aan de oever zijn begraven. Sommigen liggen gewoon naast de weg en trekken ontelbare vliegen en wilde honden aan. Hij loopt voorbij de smidse. Het vuur is al dagenlang gedoofd. De landbouwwerktuigen die aan de muur hangen en op de grond liggen opgestapeld, zien er sereen uit in de verlatenheid. Slechts één van de drie smeden blijft over. Shulai ziet hem traag in de richting van de deur kruipen. Hij houdt iets in zijn hand.
Wat ga je doen? Shulai kijkt de smid nieuwsgierig aan.
Nagels. De laatste smid richt zijn asgrauwe gezicht op en laat de nagels in zijn hand zien. Dat zijn doodskistnagels, ik heb ze gisteren voor mezelf gesmeed.
Wat wil je ermee? Shulai richt zijn blik star op de nagels.
Mijn doodskist staat opgeborgen in de begrafeniswinkel hiernaast, wil jij mijn kist dichtnagelen? De smidse schenk ik aan jou.
Shulai lacht. Hij vindt de smid vreemd naïef, en bovendien onredelijk. Ik doe het niet, zegt hij. Als ik jouw doodskist dichtnagel, wie nagelt de mijne dan dicht? Trouwens, als alle mensen dood zijn, wat heb ik dan aan een smidse? Ik wil die smidse niet, ik wil alleen in leven blijven. Uiteindelijk zal ik een plaatsje vinden als een paradijs op aarde.
Shulai hoort de nagels uit de hand van de smid op de grond neerkomen. Hij schopt ertegenaan, draait zich om en verlaat de smidse. De smid op de grond jammert. Dat geluid klinkt Shulai vertrouwd in de oren, het gejammer van stervende mensen klinkt voor hem precies hetzelfde als katoenpluizen in water.
Op de weg lopen nog steeds talloze vluchtelingen, hele gezinnen die hun hebben en houden achterlieten. Als een kudde wilde schapen zwerven ze doelloos verder. Dit soort taferelen zijn tijdens de zomer van 1941 onophoudelijk te zien. Shulai is één van hen, zijn gezichtsuitdrukking verschilt niet van die van anderen. Onverschilligheid brengt een beetje gemoedsrust. Op een punt waar drie wegen samenlopen raakt Shulai in gesprek met een oude man. Welke kant moet ik op? Zonder aarzelen antwoordt de man: Ga naar huis, naar je geboortedorp. Mijn geboortestreek is overstroomd, zegt Shulai, de grote katoenvelden, de huizen, alles is overspoeld. Verontwaardigd bromt de oude man: Ook al is het overstroomd, het is en blijft je thuis, doe het voor mij, ga naar huis terug, dat is de enige uitweg, wij keren allemaal naar huis terug.
Shulai staat op de wegsplitsing en denkt even na. Hij twijfelt sterk aan de woorden van de oude man. In deze tijden moet je niet te goedgelovig zijn. Hij is niet van plan om terug naar huis te gaan, de angst voor de afschuwelijke overstromingen in zijn streek maakt hem nog steeds duizelig. Hij besluit verder naar het zuiden te trekken, iemand heeft hem verteld dat er in het zuiden een spoorweg is, en dat een spoorweg iets betoverends heeft. Als je een spoorweg volgt, kom je op de mooiste plekjes ter wereld, dan vind je een paradijs op aarde.

Enkele dagen later ziet Shulai de spoorweg in de verte. De rails schitteren goudgeel in de zon en lopen kaarsrecht over de vlakte, tot in de grenzeloze verte. Shulai kruipt op de helling. Midden op de spoorweg kijkt hij naar alle richtingen en lacht begrijpend. Deze plaats is ten minste duizend li van zijn huis verwijderd, de wereld ligt voor hem open. Hij is weg van overstromingen en droogte, weg van ziekte en dood, weg van alle rampen.
Aan het uiteinde van de spoorweg verschijnt een zwart punt. Samen met het trillen en het rommelen van de rails wordt het punt steeds groter. Shulai ziet de trein en zwaait met zijn handen alsof zijn leven ervan afhangt. Stop, neem mij mee! De trein dondert voort. Ongeduldig schreeuwt hij uit alle macht. Stop, neem mij mee! Shulai ziet de prachtige blinkende wielen en de ijzeren pijp waaruit stoom wordt geblazen. Nog steeds stopt de trein niet. Shulai stampt op de grond en krijst als een gek. Stop snel, neem mij mee! Shulai begrijpt niet waarom de trein niet stopt, hij schreeuwt zich hees. Hij spreidt zijn armen en rent als een vliegende vogel, hij moet en zal de trein tegenhouden, hij is wanhopig. Zijn uitgeputte lichaam wordt door de trein opgeschept. Als een verdord blad vliegt hij door de lucht. Voor hij het bewustzijn verliest, komt hem het uitgestrekte gebied van zijn overstroomde geboortedorp voor de ogen, ontelbare katoenpluizen dobberen op het water. Hun prachtig witte kleur verandert in lichtrood.
De zomer is bijna voorbij. De vluchtelingen die over de spoorweg lopen, vinden een afgedankte reistas op de helling. De één na de ander doorzoekt de tas, wie iets kan gebruiken, neemt het mee. De laatste vindt een fles met een katoenpluisje. Hij neemt het pluisje eruit en gooit het weg, de fles neemt hij mee, die kan nog van pas komen.
Een katoenpluisje is heel zacht. Soms wordt het door de wind opgeschept en vliegt het langzaam langs de spoorweg.

© Su Tong; © vertaling : Jeanne Boden