


|  |
Détresse
(een groteske)
Koen Sonck
Eff the ineffable.
Samuel Beckett
Le monde est plein de détresse. Dat zou een uitgelaten meisje hem halverwege een uitgelaten feestje op het hart gedrukt hebben. Meer dan haar diepgaande kennis van de wereldliteratuur en het Frans had ze niet te bieden, maar Tom, die nooit verder was geraakt dan Robinson Crusoë en Voulez-vous coucher avec moi?, was natuurlijk onder de indruk, of wou dat zijn als u dat geloofwaardiger vindt. Het onvermijdelijke gevolg van het wederzijdse opgeilen was dat zij en Tom een halfuur later voor de deur van onze flat stonden, allebei maar wat graag bereid om de ellende in deze wereld voor een uurtje te vergeten. Het was zo een van die avonden waarop ik, in plaats van mij te concentreren op het blad voor mij, meer zat te luisteren naar het onafgebroken gehoest van Mrs Upstairs (zoals we 'dat mens van hierboven' omwille van de vlotte conversatie waren beginnen te noemen). Er drong altijd lawaai door de dunne muren van dit bouwvallige flatgebouw. Je raakte eraan gewend, zoals je een tv die de hele tijd aanstaat uiteindelijk ook niet meer hoort. Het gebulder van de Turken onder ons, het gestommel in de gang en op de trappen, de afgrijselijke hitmuziek die dag in dag uit ergens uit een krakend radiootje kwam en het hysterische geschreeuw van een uit de hand gelopen ruzie ergens boven ons: al dat rumoer smolt samen tot onherkenbaar, onophoudelijk achtergrondlawaai. Alleen als het dan toch eens (min of meer) stil werd, kon je dat zware sleperige gehoest horen. Soms kon ik niet slapen omdat ik mezelf er steeds opnieuw van moest overtuigen dat het er nog was.
'Waarom klop je?' vroeg ik toen ik zag dat hij het was. Achter hem stond een graatmager meisje mij verbaasd aan te staren. Surprise, dear.
'Wat ben je aan het doen?' vroeg hij.
'Schrijven.'
'Lukt het?'
'Nee.'
Hij negeerde haar zo mogelijk nog beter dan ik. Ik schatte haar hooguit een jaar of twintig, beslist niet ouder. Haar glimlach was niet echt van harte. Ik had de indruk dat ze dringend naar het toilet moest.
'Heb je soms geen zin in een wandeling?' vroeg Tom.
'Nee.'
'Echt niet?'
'Beslist niet.'
Hij liep me voorbij, de kamer in. Het kind keek me nog altijd onbegrijpend aan. Ze snapte natuurlijk geen snars van wat we zeiden.
'The toilet's over there,' zei ik met een hoofdbeweging naar het einde van de gang. Dat leek ze ook niet te begrijpen. Tom kwam m'n jas over m'n schouders leggen.
'Een kleintje maar,' zei hij, 'een half uurtje, meer niet.' Ik schudde de jas van m'n schouders.
'Listen,' zei ik (in het Engels dus, for her benefit). 'Als jij met dit lief meisje hier wil neuken, doe het dan bij haar thuis, of doe het op de gang voor mijn part, maar val mij er niet mee lastig. Ik ben aan het werken.'
'I have a roommate,' zei het wicht aarzelend. Het klonk als een beschaamd jongetje dat de weg naar de wc vraagt, eentje met een Duits accent. Ik grijnsde.
'O ja? Had die ook geen zin in een wandeling?'
Aan de uitdrukking op haar gezicht te zien, was het in Keulen behoorlijk hard aan het donderen. Tom sloeg z'n armen om me heen en kuste me in m'n hals.
'Komaan, Marianne,' fluisterde hij in m'n oor. 'Doe me dit niet aan. Je zei toch al dat het vandaag niet lukte. En je hoeft niet zo nodig te gaan wandelen. Kijk eens hoe ze naar je kijkt. Komaan, kijk 's. Kijk.' Ik kon z'n erectie tegen m'n achterwerk voelen.
'Alsof ze het in haar broek aan het doen is, bedoel je?'
'Van verlangen, Marianne, van verlangen. Komaan, ze is toch knap?'
'Soms, Tom - niet zo vaak meer, dat geef ik toe, maar toch, héél soms nog - verbaas je mij nog met jouw totaal gebrek aan smaak.' Ik maakte me los uit z'n omhelzing en ging weer achter mijn bureau/keukentafel zitten, met een frons in m'n voorhoofd alsof ik me werkelijk probeerde te concentreren.
'You're not pretty enough for her,' zei hij tegen het Duitse wicht. 'Maid Marianne verwaardigt zich alleen haar benen te openen voor Robin Hood himself.' Geen reactie, behalve grote ogen. Ik zou haar zo niet doen schrikken. (Want wie zou het mogen opdweilen, denk je?) Hij probeerde haar te overhalen om dan maar te doen alsof ik lucht was, maar dat zag zij dan weer niet zitten. Ik ook niet trouwens. Ze leek me het type dat het licht zou uitdoen.
'Close the fucking door,' riep ik geïrriteerd, 'I'm freezing in here.' Omdat ze weigerde binnen te komen, moest Tom, zeer tot mijn genoegen, zijn onderhandelingen op de gang verderzetten. Ik kon hem horen praten: z'n lieve woordjes klonken net iets te ongeduldig. Die lieve woordjes bleven al helemaal achterwege toen ik de sleutel in het slot omdraaide. Hij bonsde op de deur, eerst dreigend en dan schreeuwend dat ik me verdomme mocht 'haasten om die klotedeur open te doen'. Ik liet hem schreeuwen. Vanop zowat alle verdiepingen werd er vloekend om stilte geroepen. (Dat is een plaatselijk gebruik: om het minste gerucht en masse een orkaan van lawaai ontketenen. Volgens mij is de helft hier nog aan het afkicken van Mountjoy Prison.) Het Duitse wicht probeerde ook iets te zeggen, maar hij snoerde haar snauwend de mond.
'I'm going,' hoorde ik haar verongelijkt zeggen. Ik kon er mij het pruilmondje zo bij voorstellen.
'Fine,' riep hij haar na, 'you fucking...' en de rest verstond ik niet, want hij kent heel wat meer scheldwoorden in om het even welke taal dan ik.
'Yeah!' riep iemand.
Na vijf minuten vloeken veranderde hij van tactiek. 'Komaan, Marianne,' smeekte hij, 'doe de deur open.'
'Ga wandelen,' riep ik terug, 'een halfuurtje of zo.' Toen begon hij weer te schelden en te vloeken en hij hield pas op toen de conciërge hem kwam vertellen dat ze de Garda zou bellen als hij zo bleef doorgaan. Hij liet haar uitgebreid weten wat hij daarvan dacht, maar droop toch af. Beneden in de hal waren ze elkaar nog aan het uitschelden. Qua volume moest hij de duimen leggen voor haar.
Een halfuur later was hij terug.
'Komaan, Marianne, het spijt me. Het spijt me, oké?'
'Dat is je geraden,' zei ik. Toen ik de sleutel had omgedraaid, kreeg ik de deur bijna tegen m'n gezicht. Voor ik wist wat er gebeurde, had hij me al een klap gegeven. Voor hij wist wat er gebeurde, kreeg hij een trap tegen z'n ballen, een trap in z'n maag en toen hij dubbelgevouwen tegen de grond lag, nog een stuk of vijf in die omgeving; ik heb ze niet geteld.
'Als je het nog één keer in je hoofd haalt om me te slaan, kan je oprotten,' schreeuwde ik, ook al wou ik niet schreeuwen, net zo min als het mijn bedoeling was dat m'n handen trilden of dat m'n hart zo tekeerging. Dus zei ik maar niets meer.
Een kwartier later, toen ik zag hoe hij aan het klungelen was, hielp ik hem het bloed van z'n gezicht te vegen. Z'n neus bloedde eindelijk niet meer. Ik herinnerde me niet eens dat ik hem ook in z'n gezicht had geschopt.
'Je hebt m'n neus gebroken,' zei hij. 'De eerste keer dat iemand me zoiets lapt en dan is het nog een meisje ook.'
'Onzin,' zei ik en ik hoopte dat het waar was.
Toen ik klaar was, slofte hij naar de kast boven het aanrecht. Ik ging weer achter m'n blad zitten en probeerde hem te negeren.
'Laat me raden,' zei hij, 'je bent aan je roman begonnen.'
'Je raadt het.'
'En het wil niet vlotten?'
'Ik word te veel gestoord. Als het dat mens van hierboven niet is, dan ben jij het wel.' Niet dat het hem interesseerde: vloekend door een van de laden rommelen slorpte al z'n aandacht op.
'Er is hier verdomme weer geen enkel schoon lepeltje te vinden. Was jij nooit 's af? Je weet wel: afwassen, met water en zo.'
'Taakverdeling,' zei ik, terwijl ik een blij gezichtje op m'n blad tekende. 'Ik dweil, jij wast af. Harmonie, weet je wel?'
Twee zinnen en vijf blije gezichtjes later zei hij plots dat zinnetje dat nog een paar dagen te pas en te onpas over z'n lippen zou komen: 'Le monde est plein de détresse.' Ik keek op: hij had net z'n arm afgebonden en was een ader aan het zoeken.
'Wat?'
'Dat zei ze op die fuif. Le monde est plein de détresse. Het zou jouw type geweest zijn, Marianne. Je weet niet wat je aan je neus voorbij hebt laten gaan.'
'Mijn type bestaat niet.' Ik stond op.
'Wat ga je doen?' vroeg hij toen hij zag dat ik m'n jas aandeed.
'Een wandeling maken. Iets op tegen?'
Nee, daar had hij niets op tegen.
Op de hoek van Hendrick Street en Queen Street twijfelde ik: links of rechts. Als ik de linkerkant uitging, zou ik uitkomen bij North Circular Road en z'n eeuwenoude bomen. Rechts stroomde de Liffey. Op het braakliggende terrein tussen Queen Street en het eerste flatgebouw stonden enkele mannen hun handen te warmen aan een vuur dat oplaaide uit een olievat. Ze sprongen geschrokken achteruit toen een van hen een fles in het vuur gooide en er een steekvlam uit het vat schoot. Hun geschrokken kreten gingen al gauw over in dronken gelach en nerveus gebabbel in dat onbegrijpelijke Dublins accent. Ik stond nog te staren naar de gensters die uit het vat spatten toen iemand iets riep. Het was een dikzak met een rosse baard, die mij de hemel op aarde plus de helft van zijn fles whisky beloofde, àls... De fles hield hij demonstratief omhoog. Ik draaide me om en liep de andere kant op. Achter mij barstte een orkaan van uitgelaten geschimp los.
In Ellis Quay ging ik op het smalle paadje naast de Liffey lopen in plaats van op het metersbrede voetpad langs de bebouwde kant van de straat. De schittering van de straatlantaarns weerkaatste in het onrustig deinende water, dat door de wind in de richting van het stadscentrum werd gejaagd - dezelfde richting waarin de auto's reden die mij over twee rijvakken voorbijraasden. De wind blies pal in m'n gezicht. Ik zette m'n kraag op en dacht aan Tom en het zinnetje dat hij nog een paar keer grinnikend had herhaald terwijl ik m'n jas aan het dichtknopen was. Elk woord proefde hij op z'n tong (détrrresse) alsof alleen al de klank ervan iets magisch had. Die woorden zouden nog dagenlang door z'n hoofd spoken tot ze, zoals alles bij hem, plaats moesten maken voor nieuwe meisjes, nieuwe aanleidingen tot verrukking, nieuwe zinnetjes. Toen vergat hij ze.
II
Dat was de eerste en ook de enige keer dat we ruzie hebben gehad, echt ruzie, bedoel ik. Misschien was het daarom dat hij zo snel weer uit Dublin weg wou. We waren samen in Barcelona, Napels en Praag geweest, en daar hadden we het altijd minstens een maand of vier uitgehouden, maar nu wou hij al na enkele weken ergens anders naartoe. Hij blééf maar zeuren:
'Komaan, Marianne, laten we naar Parijs gaan. Ik ben nog nooit in Parijs geweest.'
'Ik wel en geloof me: Parijs wordt overschat. Waarom wil je naar Parijs gaan? Je spreekt geen woord Frans.'
'Waarom denk je dat ik vraag of wij naar Parijs gaan? Komaan, Marianne, we zijn hier lang genoeg geweest. Dublin is saai.'
'Ik heb het je al gezegd: ik blijf hier tot m'n roman af is. En als je nog één keer komaan zegt, flikker ik je door het raam.'
'En hoe lang gaat dat nog duren?'
'Een jaar. Misschien twee. Weet ik veel.'
'Twee jaar?! Komaan, Marianne! Binnen twee jaar ben ik tweeëntwintig! Binnen twee jaar ben ik oud!'
'Ga dan zonder mij. We zijn toch geen siamese tweeling?'
Hij mokte nog een paar dagen (schold mij dus uit voor egoïst, gierigaard, muurbloempje en rotte vis), maar daar bleef het bij. De waarheid was natuurlijk dat hij zonder mij en m'n geld nergens heen kon (dat en de haast aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid dat hij binnen twee jaar niet oud, maar dood zou zijn). We droegen elk de helft van de kosten, dat wil zeggen: ik betaalde huur, eten, kleren... en hij kocht heroïne. Zijn verslaving kostte handenvol geld en z'n ouders stortten wel elke maand schandalig veel geld op z'n rekening, maar de laatste twee maanden had hij toch bot gevangen met de slijmtelefoontjes waarmee hij nog meer los probeerde te weken. Niet dat ze zijn overdosis niet wilden financieren - de feiten spraken wat dat betreft in hun voordeel - maar zijn vader, een uit z'n voegen gegroeide middenstander (het brein achter een bescheiden warenhuisketen), was waarschijnlijk tot de conclusie gekomen dat de behaalde resultaten niet in overeenstemming waren met de gedane investeringen. Dus zolang er geen nieuwe strategie was uitgedokterd, moest Tom het met een veelvoud van het bestaansminimum stellen.
Dat was dus nog iets dat we gemeen hadden: een nogal plotse 'verkoeling' in onze 'relatie' met onze 'ouders' (oeps, dat mocht niet tussen aanhalingstekens) na ons achttiende jaar in dit tranendal. Zelf heb ik mijn ouders al bijna anderhalf jaar niet meer gesproken en het moet zo stilaan drie jaar geleden zijn dat ik hen voor het laatst gezien heb. Niet dat we ruzie hebben of zo: we praten alleen niet meer met elkaar. Daar zijn goede verklaringen voor: mijn absoluut onvermogen tot achterbaksheid bijvoorbeeld. Representatief is wat dat betreft de discussie waarin ik binnen de kortste keren verstrikt raakte toen ik hen probeerde uit te leggen hoe ik Tom had ontmoet. (In Barcelona kotste hij m'n schoenen onder toen hij de ingang versperde van het flatgebouw waar ik toen hokte en ik daar iets aan probeerde te doen.)
'Waarom heb je in 's hemelsnaam een DRUGSVERSLAAFDE in huis genomen,' tierde mijn moeder. 'Waarom in 's hemelsnaam? Leg dat 's uit.'
'Omdat ik daar zin in had, ma.'
'Zin? ZIN?!'
'Zin, ja.' (stilte)
'Kindje,' - (zucht) - 'waarom probeer je je toch altijd de ellende van de hele wereld aan te trekken?'
'Ik trek me de -'
'En wat als hij misbruik van je probeert te maken, Marianne? Wat dan? Heb je daar al 's aan gedacht?'
'Hoe bedoel je?'
'Je weet wat ik bedoel, Marianne.'
'Wel, als je inderdaad bedoelt wat ik denk dat je bedoelt, zou het correcter zijn om te stellen dat ik van hem misbruik heb gemaakt.' (Oké, ik kan dus wel liegen: Tom zat toen al een tijd zonder geld en het enige waar hij op dat moment toe in staat was, was in leven blijven tot ik hem z'n volgende shot had gekocht, laat staan... wel, laat staan dat ik zin gehad zou hebben om te neuken met iets in zo'n toestand.)
'Marianne, zeg niet dat je -'
'Oké, dan zeg ik het niet.'
'Waarom in 's hemelsnaam?!' (Alles waar mijn moeders verstand niet bij kan, gebeurt in 's hemelsnaam.)
'Omdat ik daar zin in had, hoe vaak moet ik -'
'En met een drugsverslaafde, ben je helemaal gek geworden?! Zelfs als je een - Marianne, je hebt toch wel een condoom gebruikt? Alsjeblief, zeg me dat je een condoom hebt gebruikt.'
'Een condoom? Wat is dat: een condoom?'
'Godverdómme, Marianne, ga je nog wat grappig proberen te zijn ook! Heb je een condoom gebruikt, ja of nee?' (Stilte, gevolgd door: nog meer stilte.)
'Nee.'
Waarna off telephone een nieuwe discussie losbarstte, dit keer tussen m'n moeder en m'n vader. Een halve minuut later bulderde die door de telefoon dat hij me stante pede kwam halen. Waarna ik hem meedeelde hoeveel inwoners Barcelona telde en hem nog veel geluk wenste. Waarna ik de telefoon op de haak gooide. Waarna ik nooit nog een woord tegen hen zei. Het enige teken van leven dat ze van mij nog krijgen, zijn kaartjes waarop staat: 'gelukkige verjaardag, mama' (op m'n eigen verjaardag) of 'vrolijk kerstfeest' (tijdens een hittegolf). Ik stel me altijd voor dat m'n vader met een vergrootglas over de poststempel zit gebogen om dan naar de telefoon te duiken en zijn privé-detective uit z'n nest te bellen: 'Ze zit in Praag, Jan! ZE ZIT IN PRAAG!!'
Praten over onze ouders deden we trouwens niet. Meer dan een terloopse opmerking werden ze doorgaans niet waardig geacht. In feite werd alles wat aan mijn ondergekotste schoenen voorafging, geklasseerd onder Het Verleden om daarna nooit meer uit de archieven opgedolven te worden. We leefden allebei min of meer volgens het credo dat alles wat voor je achttiende en na je vijfentwintigste gebeurt per definitie oninteressant is, dus dingen zoals 'jeugdherinneringen delen' of 'elkaar je dromen vertellen', daar moest je bij ons niet mee komen aanzetten. Grappig eigenlijk dat wij, die tijdverspilling hadden verheven tot eerbare levenshouding bij uitstek, elkaar de illusie probeerden aan te praten dat we geen seconde te verliezen hadden. De werkelijkheid was een heel stuk logischer. Mijn verleden is zo zielig dat ik nooit zou toegeven dat ik er iets mee te maken heb als iemand mij ermee zou confronteren, en wat de toekomst betreft, wel: Tom die had er geen en mijn toekomst, die zag er in het beste geval verschrikkelijk langdradig uit. En dat wisten we, ook al stonden we er nooit langer dan een ogenblik bij stil. In de praktijk maakten we ons enkel zorgen over de toekomst voor zover we nog geen bevredigend antwoord hadden weten te verzinnen op vragen als: 'Wat vreten we vanavond?', 'Hoe raken we, liefst gratis, van A naar B?', 'Houdt het nu nog niet op met regenen?' en 'Waar gaan we het geld vinden voor onze volgende maand huur?' Vooral het antwoord op die laatste vraag lag niet altijd voor de hand. Tom had wel z'n maandelijkse ronde bedrag, maar als hij één keer inkopen deed, bleef daar vrijwel niets van over en naar het einde toe zelfs minder dan niets. Ik leef van m'n pen, dat wil zeggen: ik schrijf boeken (met de opbrengst van m'n debuut heb ik een kilo smakelijke sinaasappelen gekocht, waarvoor dank, lezer), ik vertaal boeken (tenminste, ik heb twee voorschotten gekregen voor de vertaling van twee boeken waarvan ik intussen de titels weer vergeten ben) en ik schrijf freelance artikelen voor onder andere een damesblad. (Ik ben twee jaar lang hun correspondente in om de drie maand een andere Europese hoofdstad. Tot zover ben ik al in Parijs, Amsterdam, Madrid, Praag, Rome en Dublin geweest en sinds verleden week ben ik in Berlijn, waar m'n kat deze week spijtig genoeg ziek zal worden. Het zal de redactie een rotzorg zijn zolang ze er maar Van onze correspondente in... boven kunnen zetten. Hoe het arme beestje herstelt, dat vertel ik m'n lezers volgende week.) Om maar te zeggen dat ik de laatste jaren ook maar weinig geld opzij heb kunnen leggen. Tom had dan nog de ongelukkige neiging het geld dat hij op zak had ook zo snel mogelijk weer kwijt te willen raken. Desnoods gaf hij het weg. Ik heb hem ooit een brood zien kopen met een briefje van 20 £ en vervolgens ging hij naar buiten zonder het wisselgeld aan te nemen. Hij schijt op geld, naar eigen zeggen, en hij schept er een vreemd soort genoegen in het te verkwisten aan prullen of wildvreemden. Fooien gaf hij aan zowat iedereen: van de postbode tot de caissière in de supermarkt. Alleen bedelaars konden niet op zijn vrijgevigheid rekenen. Tom had een gloeiende hekel aan bedelaars en dat zouden ze geweten hebben ook. Als hij hen voorbijliep, kon hij het meestal niet laten om het bekertje omver te schoppen waarmee ze hun avondeten bij elkaar bedelden, of om hen zelf een trap tussen hun ribben te verkopen. De meesten ondergingen het lijdzaam, zoals sommige honden altijd liever de klappen van hun baas verdragen dan hun tanden te moeten laten zien. In het najaar van 1996 kon je aan de bedelaars in Dublin zien of Tom in aantocht was. Dan sloegen ze of op de vlucht of, als daar geen tijd meer voor was, ze maakten zich zo klein mogelijk, in een hulpeloze poging om op te gaan in het niets.
'Wat heb je tegen die mensen?' vroeg ik hem soms. (Lang niet altijd: laat ik me vooral niet beter voorstellen dan ik ben. Ik geef enkel om mensen die om mij geven, en dan nog.)
'Niets,' zei hij dan, en meer werd er over het onderwerp niet gezegd. Ik moet toegeven dat ik het grappig vond om Tom een bedelaar verrot te zien schelden, terwijl ik hem toch zelf uit de goot had opgeraapt. Als dat soms enigszins tot hem doordrong, liet hij het in ieder geval nooit merken. Er gaat een zekere vertedering uit van domheid en onwetendheid, gelooft u dat maar, niet minder dan van kwaadaardigheid.
Eén keer haalde Tom een briefje van 20 £ tevoorschijn en hield het voor het gezicht van een meisje van een jaar of twaalf. Dat kind zat bijna elke dag op de trappen voor de Ha'penny Bridge, waarschijnlijk omdat daar veel toeristen voorbijkomen en omdat die zich sneller laten vertederen door een ongewassen kindergezichtje dan een gewone pendelaar. Tom had haar met rust gelaten sinds hij een pijnlijke enkel had overgehouden aan een klap die hij haar had gegeven. Ze was hem toen achterna gekomen en had hem een venijnige trap tegen z'n scheenbeen gegeven. Voor het ook nog maar in hem opkwam om haar de nek om te draaien, was ze de hoek al om. Nu keek ze met grote ogen naar het bankbiljet dat hij voor haar neus zwaaide, gretig weliswaar, maar aan die achterdochtige blik in haar ogen kon je zien dat ze die klap nog niet vergeten was.
'Komaan, Tom,' zei ik. 'Kunnen we eens één dag hebben zonder dit soort grappen?'
Hij deed alsof hij me niet hoorde.
'Wil je 's snel 20 £ verdienen?' vroeg hij aan het meisje. Ze schudde haar hoofd en zei iets dat ik voor hem in een verstaanbare taal moest vertalen.
'Ze mag alleen geld aannemen van mannen die ook doorlopen,' zei ik.
Hij keek me niet begrijpend aan.
'Neuken, Tom, ze denkt dat je met haar wil neuken.'
Op dat moment probeerde ze onder z'n arm door te duiken, maar hij greep haar stevig vast bij haar bovenarm.
'No, no, sweetie,' zei hij grijnzend. 'Je haren zijn me iets te vettig. Ik heb iets anders in gedachten. Dat briefje van 20 £ dat ik hier vasthou, dat is voor jou, op één voorwaarde: ik wil jou in je gezicht spuwen.'
'Je doet me pijn,' klaagde ze.
'Laat haar los, Tom. Ik sta hier te bevriezen, verdomme.'
'Wat wordt het?' vroeg Tom. 'Ja of nee?'
Het meisje aarzelde, maar knikte uiteindelijk toch, waarschijnlijk omdat ze dacht dat ze geen keuze had. Terecht trouwens. Tom boog zich naar haar toe en spuwde in haar linkeroog. Daarna verfrommelde hij het briefje van 20 £ en wierp het met een boogje in de rivier.
'Never trust strangers,' zei hij en hij haalde een hand door haar haar. Hij veegde ze meteen af aan z'n broek.
Aan de overkant moesten we wachten om over te steken.
'Heb je je wens gemaakt?' vroeg ik.
Hij keek opzij.
'Ik heb honger,' zei hij, met een blik op oneindig. 'Laten we iets gaan eten.'
Een halfuur later moesten we rennen omdat we de rekening niet konden betalen.
III
Tom dacht nooit na voor hij iets deed. Ook achteraf bleef hij nooit erg lang bij iets stilstaan. Meestal alleen maar zolang er geen nieuwe gelegenheid om iets te doen zijn richting kwam uitgewaaid. Dat kon een vrouw zijn die zich door hem wilde laten neuken, of z'n volgende shot, of een bedelaar met een gezicht om op te slaan (wat hij dan ook altijd prompt deed). Dom, zegt u? Nee, dom was hij niet. Slim ook niet. Met intelligentie heeft zoiets weinig of niets te maken. Talent, dat heb je ervoor nodig, niet meer of niet minder. Ik benijd iedereen, of die nu achterlijk is of briljant, die erin slaagt om te vergeten wat er voor het laatste glas gebeurd is en of er nog een volgende zal zijn. Wie niet consequent kan zijn, doet er beter aan nooit te beginnen met nadenken.
(Negentien jaar naar school geweest, maar niemand heeft het ooit nodig gevonden om me dat te vertellen, ook niet toen het te laat was.)
IV
Als ik ging wandelen, wou Tom altijd weten waarom hij niet mee mocht. Zelf trok hij er voortdurend alleen op uit. Dan liep hij godweetwaar godweetwat te doen. Niets wereldschokkends, veronderstel ik. Ik wou het ook niet weten. Wat niet weet, niet deert, en zo hoefde ik me tenminste niet schuldig te voelen, omdat het me helemaal niet deerde als ik het wel wist. Tom echter wou altijd weten wat je hem niet wou vertellen.
'Wat doe je dan tijdens die wandelingen?' vroeg hij ooit 's.
'Wandelen.'
'En verder?'
'Verder niets.'
'En je kan het niet hebben dat er iemand naast je loopt die ook niets doet? Dat kan je onmogelijk verdragen?'
'Dat kan ik onmogelijk verdragen, ja. Dat vervult mij met haast fysieke weerzin.'
'Je houdt me voor de gek.'
'Ik hou je helemaal niet voor de gek,' zei ik, verbaasd lachend.
'Zie je wel: je houdt me voor de gek.'
De waarheid was dat ik er echt behoefte aan had om alleen te zijn tijdens die wandelingen. Daarom ook dat ik meestal 's nachts ging wandelen, als de uitlaatgassen weggetrokken waren en ik de straten voor mij alleen had. Meestal liep ik langs North Circular Road. Er was iets met die straat dat me altijd die richting uitdreef: iets in de geur van de rottende blaren die de halve straat bedekten, in de glinsterende weerkaatsing van de straatverlichting op het wegdek na een regenbui en in de sombere berusting die uitging van die oude bomen en hun breed uitwaaierende kruinen. En de geluiden: een jongen van een jaar of twaalf die met een ijzeren staaf over de spijlen van de zwartgeverfde omheiningen ratelde, voorbijrazende auto's die je één seconde in het schijnsel van hun koplampen vangen, krakende bladeren onder je voeten waar je tot aan je enkels inzakt en het gieren van de wind door de boomtoppen als het stormde. Ik hield van storm, van wind door m'n haar en regen in m'n gezicht, van plotselinge windstoten die je een ogenblik lang onverbiddelijk tot stilstand brengen, van meebrullen met de huilende wind, van tegen dat geweld in te schreeuwen en nog harder, boven alles uit, tot m'n stem schor was en ik alleen nog kon luisteren en zwijgen en naar huis terugkeren.
'Goed,' zei ik dan als Tom me vroeg hoe de wandeling was geweest, 'goed.' Het was altijd goed geweest.
Er waren wel meer dingen die hij wou weten en die ik hem niet wou vertellen. Bijvoorbeeld wat die twee foto's betekenden die ik boven mijn schrijftafel aan de muur had gehangen. De ene foto was er een van een vrolijk lachend blond jongetje. De andere toonde een oude man die z'n gerimpelde gezicht in z'n ene hand verborg. Die foto's hingen daar alleen maar omdat ik het grappig vond dat de een me zou toelachen als ik aan het schrijven was, terwijl de ander het niet kon aanzien, meer zat er niet achter, maar ik vertikte het om hem dat te vertellen.
'Wie is het, Marianne?' zeurde hij. 'Je vader? Je te vroeg gestorven broertje? Je zoon?'
'Breek er je hoofd nog maar wat over,' zei ik, 'ik ga intussen naar het toilet.'
Ik was halfweg m'n eerste drol toen de deur werd opengerukt.
'Komaan, Marianne. Zeg het. Ik ga niet weg voor je het me vertelt.'
'Blijf gerust staan, lomperik. Kijk wat je gedaan hebt: het hele slot is naar de kloten.'
Dat incident was het begin van wat ik, in alle bescheidenheid en ondanks het korte leven dat het beschoren was, toch een traditie zou willen noemen: de een keek terwijl de ander scheet. Onze beste gesprekken hebben we daar gevoerd: met elkaar en met om het even wie die zoveel pech had dat hij langs de wc van de vierde etage moest zien te raken als wij er gebruik van maakten. Het is verbazend hoeveel mensen zullen pikken als je maar brutaal genoeg bent. Ooit kwam er een afgeleefd burgertrutje voorbij toen Tom met de deur open in volle glorie op z'n troon zat. Alleen al de manier waarop ze met dichtgeknepen billen door de gang kwam aangetippeld, zou je doen vermoeden hebben dat ze elke avond nog haar ex en God erbij vervloekte omdat die haar hier tussen het vuil van de straat lieten wegrotten, maar toen Tom haar om een sigaret vroeg, kréég hij ze, tot z'n eigen stomme verbazing. Hij stamelde zelfs 'dank u' toen ze hem een vuurtje gaf en ik zweer het: zijn hand trilde al even erg als de hare.
'Die moeten we ook 's op visite vragen,' zei hij toen ze met haastige stapjes de trap was afgelopen. Hij nam een trekje van de sigaret en flikkerde ze meteen kuchend tussen z'n benen in de toiletpot. Hij rookte niet eens.
'Heb je nog altijd geen zin om naar Parijs te gaan?' vroeg hij toen z'n hoestbui over was.
'Natuurlijk. Binnen een jaar of twee.'
Hij zweeg.
'Waarom wil je zo nodig naar Parijs? Denk je dat het daar beter zal zijn?'
Hij haalde z'n schouders op.
'Het wordt alsmaar erger,' zei hij tenslotte. Hij bedoelde het gehoest van Mrs Upstairs. Het was alsof iemand een luidspreker in de gang had opgehangen, zo luid. 'Zo eenzaam ga ik nooit worden,' zei hij. Het klonk als een vaststelling.
'Nee,' zei ik glimlachend, 'jij stijgt op een mooie dag als een kaarsje naar de hemel.'
'Op een mooie dag?'
'Zoals de dichter zegt: And still the sun will shine.'
'Denk je?'
'Nou ja. Misschien niet naar de hemel.'
V
Wat kan ik u nog meer vertellen? Iets over dat beroemde Ierse gevoel voor humor (vanop de derde verdieping in iemands nek zeiken)? Of over die keer dat ik Tom naast die enorme reclameposter voor Southern Comfort Whisky zag staan en ik de slappe lach kreeg van die slogan: take comfort where you can? Of heeft u liever dat ik een paar woorden vuil maak aan de vogeltjes voor de kat in O'Connell Street, die je toesnauwen of je dead wil zijn als je iets te nadrukkelijk in hun richting kijkt, of aan die eeuwige sirenes die je hier altijd en overal kan horen, tot in je dromen toe? Of zal ik het onmogelijke proberen en u duidelijk proberen te maken hoe het voelt om samen te leven met iemand die alleen maar op onbereikbare hoogten wil zweven en verwacht dat hij z'n rotzooi bij jou in bewaring kan geven? Nee, toch maar liever niet. Laat ik u vertellen over de meeuwen boven de Liffey.
Het gebeurde uitgerekend voor The Four Courts, het Ierse hooggerechtshof. Een jongen van een jaar of zestien die op de trappen een sigaret zat te roken, vroeg ons om geld. Toen we deden alsof we hem niet hoorden, mompelde hij iets - ik had het niet eens verstaan. Tom wel. De jongen zag het niet eens aankomen: toen Tom zich omdraaide, keek hij al de andere kant op. Voor hij goed en wel besefte wat er gebeurde, zat Tom al boven op hem. Ik draaide er mijn rug naar, niet omdat ik het niet kon aanzien, maar omdat ik dit net één keer te vaak had gezien. Boven de Liffey cirkelden enkele meeuwen. Ze troepten enkele meters boven het water samen, stoven dan uit elkaar om tenslotte altijd weer naar datzelfde punt terug te keren. Daarna begon alles weer van voor af aan. Het hele gebeuren ging gepaard met een hels gekrijs. Ik stond er nog altijd gefascineerd naar te kijken toen het tot me doordrong dat Tom m'n naam aan het roepen was. Ik keek om. De jongen lag op de trappen. Tom stond op een paar passen van hem vandaan te kijken naar wat hij had aangericht.
'Wat is er?' vroeg ik.
'Kom 's kijken.'
'Waarom?'
'Kom kijken,' zei hij, dringender dit keer. Hij zei het zonder zijn ogen van de jongen los te laten.
Hij lag met opengesperde mond op de trappen. Z'n ogen waren dicht en er liep een dun straaltje bloed uit z'n neus. Toen ik opkeek, zag ik dat Tom me half angstig, half verwachtend stond aan te kijken. Ik zei niets.
'Is hij dood?' vroeg hij tenslotte.
'Geen idee.' Ik bukte me om de jongen z'n pols te voelen. Toen ik me oprichtte en niets zei, begon Tom te vloeken.
'Nee, hè,' riep hij, 'nee, hè, verdomme.'
Ik keek verwonderd opzij.
'Gaan we plots sentimenteel beginnen doen?' vroeg ik, scherper dan ik het had bedoeld. Het deed hem in ieder geval zwijgen.
Hoe lang we daar zo gestaan hebben, weet ik niet meer. Ik weet alleen dat Tom de hele tijd aan mijn mouw zat te trekken, maar dat ik koppig bleef staan. Pas toen iemand met haastige stappen op ons afkwam, liet ik me door Tom meetrekken. Na enkele meters zetten we het op een lopen.
VI
... die avond precies zoals het altijd al was gegaan: ik die deed alsof ik de schaduw niet zag die over m'n blad gleed en hem negeerde toen hij iets mompelde waar hij toch geen antwoord op verwachtte en net zoals al die vorige keren haalde hij dan een hand door m'n haar en begon in een van m'n oorlelletjes te bijten (het linker, altijd het linker) en terwijl ik hem nog half klagend, half kwaad zei dat hij me met rust moest laten, dat ik bezig was, dat ik hier geen tijd voor had, toen wist ik al wat er onvermijdelijk zou gebeuren: die magere hand die dan nog onbeholpen op m'n schouder lag, die zou nog geen vijf gefluisterde woorden later onder m'n trui glijden - die dikke wollen slobbertrui van mij waar hij me altijd om uitlachte - en met z'n andere hand zou hij dan de knopen van m'n jeans los beginnen te knopen zonder zich te storen aan dat wrevelige gezucht van mij - bijna een instinctieve reactie was dat na al die tijd geworden - en wat hij in m'n oor fluisterde, dat drong dan al niet meer tot mij door, net zo min als hij luisterde naar de kribbige protesten die ik automatisch zou blijven mompelen, ook al was m'n potlood al uit m'n hand gevallen en ergens onder een kast gerold, ook al was m'n stoel achterover gekanteld en leunde ik tegen hem aan, m'n kniëen ver uit elkaar, en waren z'n vingers naar binnen gegleden en zelfs dan kon ik nog altijd niet die gedachte van me afschudden, dat besef dat altijd als een baksteen op m'n maag lag: dat we straks weer op die matras zouden liggen, dat we naar het plafond zouden liggen staren en dat geen van ons twee nog een woord over z'n lippen zou krijgen: geen bevlogen, gelogen liefdesverklaring en zeker niet de geruststellende platitudes die een mens op zo'n moment wil horen en ik zou die verachting weer onweerstaanbaar in mij voelen opkomen, verachting voor hem, voor mij, maar ook al wist ik dat allemaal van tevoren, als hij achter mij kwam staan en aarzelend vroeg of het een beetje lukte: ik heb mezelf er nooit toe kunnen brengen hem te zeggen dat hij moest oprotten en de reden, die kleefde aan zijn vingers.
VII
Een week later stond ik op het kruispunt van North Circular Road met Old Cabra Road. Het enige wat bewoog was een verkeerslicht dat zacht heen en weer wiegde in de wind. Ook nu weer werd ik getroffen door de wonderlijke radeloosheid die uitgaat van zo'n verlaten kruispunt. Misschien komt het omdat het allemaal zo doelloos lijkt: al dat licht dat zo eenzaam schittert, het waarschuwende geratel dat onzichtbare spookvoetgangers tot spoed moet aanzetten en verkeerslichten die afwisselend rood, groen, oranje oplichten ook al is er geen auto in zicht - een beetje zoals een blinde die tegen een muur staat te praten. Hetzelfde morbide gevoel dat anderen op zoek doet gaan naar vergeten kerkhoven of ruïnes, drijft mij naar dit soort plaatsen - plaatsen waar de mens onbewust vorm heeft gegeven aan zijn eigen nachtmerrie, die een deel van zijn dagelijkse leven zijn gaan uitmaken en die ik met voorbedachten rade ga opzoeken, wellicht om me erover te verwonderen dat ik de enige ben die daar staat en kijkt en het niet begrijpt.
Het was stil, maar toen ik naar het midden van het kruispunt stapte, kon ik het geluid van m'n eigen voetstappen niet horen. De wind overstemde het. Als ik ooit uit Dublin wegging, zou dat het enige zijn wat me zou bijblijven: het geluid van een zacht huilende, huiverige wind. Tenminste, dat hoopte ik. Ik ging zitten op het beton. Na een tijdje ging ik op m'n rug liggen. Alleen het puntje van m'n neus werd nu nog beroerd door de wind. Boven mij kleurde de lucht diep donkerblauw.
De eerste auto liet lang op zich wachten. Hij kwam uit noordelijke richting, uit Old Cabra Road, en sloeg linksaf zonder in mijn buurt te komen. Alleen het schijnsel van z'n koplampen was even over mij gegleden. Op de tweede auto moest ik maar een paar minuten wachten. Hij reed rechtdoor in de richting van Phibsborough. Ik kon de luchtverplaatsing langs m'n gezicht voelen toen hij me voorbijreed. Hij toeterde, maar stopte niet. Een tiental minuten later begon het te motregenen. Ik besloot naar huis te gaan voor ik er een longontsteking aan overhield.
Tom was niet thuis. Ik had hem niet meer gezien sinds ik die middag naar de Hugh Lane Art Gallery was gegaan. 'Vertel me later maar of het de moeite waard is,' had hij gezegd.
Toen ik de volgende morgen wakker werd, was hij er nog niet. Dat was al eerder gebeurd. In Praag was hij eens wekenlang weggebleven zonder een teken van leven te geven en toen stond hij op een morgen gewoon onder de douche toen ik wakker werd. Zorgen maakte ik me dus niet. Terwijl ik mijn eitje aan het bakken was, nam ik me nog voor om hem straks over m'n wandeling van de vorige avond te vertellen. Het was pas toen ik de deur van de kleerkast opendeed dat ik begreep dat hij dit keer niet terug zou komen.
VIII
Tom was weg en ik stortte me weer op de roman waar ik al zo vaak aan begonnen was. De personages had ik al grondig uitgewerkt, het scenario was geschreven en herschreven, wat het moest worden, stond me haarscherp voor ogen en zo sleepte ik nu al bijna een jaar een paar kilo papier met me mee zonder dat ooit een hoofdstuk naar voldoening voltooid werd. Wat het dan wel moest worden? Dè Roman natuurlijk: een uitbarsting van virtuositeit en misplaatste levensvreugde, een elegie voor arrogante melancholici, opgedragen aan de hubris, een tedere haattirade, een manifest, een aanklacht, een regelrechte guerrilla, een vreugdedansje op uw graf, kortom: zowat alles waartoe literatuur niet in staat is. Ik zou waarschijnlijk al tevreden zijn als ik er een kortstondige zelfmoordrage mee zou ontketenen, vooral als die een onverwacht hoge tol zou eisen onder mijn collegae schrijvers. Na twee weken had ik vier pagina's geschreven en vijf keer gemasturbeerd. (Als niets lukt, tel je die dingen.) Ik had behoorlijk de pest in. Ik liep voortdurend tegen mezelf te schelden - in gedachten dan, want ik had een keelontsteking waardoor ik geen verstaanbaar woord meer over m'n lippen kreeg - en bovendien kwam ik in financiële problemen. Ik had Tom het geld gegeven om onze laatste twee maand huur mee te betalen en de huisbaas beweerde nu dat het nooit bij hem terecht was gekomen. Shit keeps on happening. Een tijdje zag het ernaar uit dat ik heel binnenkort rekken zou moeten gaan vullen in Quinsworth, maar met een drastische herziening van mijn budget en een overschrijving van Het Hooggeachte Damesblad redde ik het nog net. (Geen probleem anders om anno 1996 een job te vinden in Ierland. Irish Economy Booms! Zelfs de bedelaars vinden tegenwoordig al heel wat meer in de vuilnisbakken.) Maar een kunstenaar hoort natuurlijk boven dat soort futiliteiten te staan. Ik nam me voor (en denkt u er het grimmige trekje rond m'n lippen bij) zo niet met dubbele verbetenheid verder te schrijven, dan toch, ten minste, minder te masturberen. Weer twee weken later, na een halfuur lusteloos gevinger om meer precies te zijn, hield ik het voor bekeken en spoelde de vijf pagina's die ik had door in de wc. Het stonk op de gang. Meer dan anders, bedoel ik. Nog een ogenblik langer in dat krot van een flatgebouw zou ik niet overleefd hebben, dacht ik. Ik trok m'n jas aan en ging naar Slattery's.
Slattery's is een café in Capel Street, de straat die, voor zover ik weet, de enige twee seksshops in Dublin huisvest. Elke avond is er in een rokerig zaaltje boven dat café een optreden en op maandag is dat The Heavy Waits Band, een groepje met een repertoire dat uitsluitend bestaat uit Tom Waits' covers. Toen Tom en ik pas twee dagen in Dublin waren, had ik een affiche van hen gezien en de volgende maandag al had ik Tom mee naar daar gesleurd. We vonden het allebei prachtig: ik het optreden en hij het blonde meisje achter de drums. Er waren hooguit tien mensen komen opdagen, die dan ook nog in de donkerste hoekjes van het zaaltje gingen zitten, de meesten alleen. Waarom wij daar op een stel Japanse toeristen op leeftijd na het enige koppel waren, bleek na afloop toen elk van de bandleden zich in een uitnodigend paar armen stortte, sommigen zelfs in meer dan een. Drie vierden van de aanwezigen had een relatie met een van de groepsleden, zo leek het. Tom en ik probeerden zijn blonde elfje nog uit de armen van haar droomprins te lokken, maar tevergeefs. Zelfs ik vond het jammer.
Er was nog minder volk dan de vorige keer. Ik telde hooguit een drietal mensen toen ik binnenkwam. Terwijl ik betaalde (3 £, mijn eten voor de komende twee dagen), zwaaide er iemand naar mij, een slanke jonge vrouw met kort zwart haar die op een van de banken tegen de muur zat. Eerst herkende ik haar niet, maar toen ik stompzinnig terugzwaaide en zij mij wenkte, zag ik dat het Het Duitse Wicht was waar Tom ooit eens mee was komen aanzetten, die van het feestje.
'Hi,' zei Het Duitse Wicht toen ik bij haar was komen zitten. Ze straalde echt. 'I'm Karolin,' zei ze terwijl ze enthousiast haar hand uitstak, 'how's Tom?'
'Tom?' herhaalde ik vragend. 'Tom's gone.' Ze trok haar hand terug.
The Heavy Waits Band liet meer dan een uur op zich wachten. In de tussentijd kwam ik, zonder daar zelf ook maar de minste moeite voor te doen, te weten dat ze geen Duits wicht was, maar een Oostenrijks, dat ze een jaar lang studeerde aan Trinity College hier in Dublin en dat ze total crazy was van Tom Waits, 'in fact, this is where I met Tom.'
'Ik dacht dat jullie elkaar op een fuif hadden ontmoet,' zei ik, 'dat zei hij toch tenminste.'
'Als je dit een fuif wil noemen,' zei ze glimlachend. 'We kwamen hier elke week tot hij - nou ja, tot hij stopte met komen.' Ik ging er niet op in. 'Waar is Tom eigenlijk?' vroeg ze aarzelend. 'Er is toch niets met hem gebeurd?'
'Tom's gone,' zei ik weer en net op dat moment begon The Heavy Waits Band met Frank's wild years zodat ik niet meer hoefde te antwoorden.
Even voor elven stond ze op. 'Ik moet m'n trein halen,' zei ze verontschuldigend. Ik trok haar weer op haar plaats.
'Blijf zitten,' zei ik, 'je kan bij mij blijven slapen.' Ze maakte geen bezwaar.
Voor we naar huis gingen, haalden we een fles Scotch in een Spar die de klok rond open was. Tenminste: ik stelde het voor en zij betaalde. (Ze dacht waarschijnlijk dat ik haar anders op straat zou gooien. Verstandig kind.)
'Heb jij dat tegen hem gezegd,' vroeg ik op weg naar huis, 'le monde est plein de détresse?'
'Sorry,' zei ze met een verontschuldigende glimlach. 'Ik spreek nog slechter Frans dan Engels. Waarom vraag je dat?'
'Zomaar,' zei ik schouderophalend.
We dronken de fles Scotch in ijltempo leeg. Ik wou heel snel heel dronken worden. Ik werd het ook. Toen de fles leeg was en ik haar in haar nek kuste, duwde ze me lachend weg.
'Lassen wir zusammen zugrunde gehen,' zei ik, terwijl ik haar lachend mee op de matras trok. Ze plooide ook dubbel, langer dan mijn bedoeling was geweest. Toen ze eindelijk van haar lachstuip bekomen was, zei ze iets in het Duits dat ik niet begreep, want m'n Duits is eigenlijk abominabel slecht. Zij moest er in ieder geval weer hartelijk om lachen. Een poging om haar gulp open te krijgen faalde jammerlijk. Ze sprong al overeind nog voor ik de bovenste knoop los had gekregen. Ze lachte niet meer.
'Het is niet omdat ik met je broer heb geslapen dat ik dat ook met jou wil doen,' zei ze, zonder taalfouten dit keer en nog net zonder een vermanend wijsvingertje. Geboren om kleuterleidster te worden, dacht ik, maar dat zei ik niet.
'O, fuck off,' zei ik.
'What?'
'F-U-C-K. Fuck off!'
Ze vond haar adem terug. 'You bet,' zei ze terwijl ze driftig haar jas begon aan te trekken. Ik wou haar hoogstpersoonlijk buitengooien, maar voor ik was opgekrabbeld (twee à drie minuten) had ze de deur al achter zich dicht geslagen. Dat weten we dan ook weer, dacht ik terwijl ik naar het plasje staarde dat zich onder de tafel op de vloer had gevormd. Een van onze glazen was omgevallen. Het andere was nog halfvol. Ik dronk het leeg. Daarna ging ik naar de wc. Kotsen. Van Scotch moet ik altijd kotsen.
IX
Walging. Verachting. Kotsneigingen over de hele linie. Meer dan tautologische opsommingen hoeft u van mij niet te verwachten als ik hoofdpijn heb. Goede smaak: always the first thing to go. Buiten regent het - een miezerige motregen, het vermelden niet waard - en hierbinnen tocht het zo erg dat de gloeilamp boven m'n hoofd, die al een paar minuten onheilspellend aan het knipperen is, zacht heen en weer hangt te zwaaien aan z'n geelgroene elektriciteitsdraadje. Voor mij staat een halflege fles whisky. Jameson, geen Southern Comfort, die verkopen ze hier niet eens. (Men zal de literatuur ook nooit ter wille zijn.) Het is kwart over twee, 's nachts, en alles is dood en doodstil, stiller dan het hier ooit is geweest. Een halfuur geleden kon ik nog gesmoorde snikken horen in een van de flats hierboven. Tegelijkertijd werd hieronder ergens met de nodige overgave de liefde bedreven. Ik beeldde me in dat ik de enige was in dit gebouw die dat allebei tegelijk kon horen, zowel dat gekreun als dat gesnik. Onzin natuurlijk.
Laat ik, voor het licht hier definitief uitgaat, nog eens 'een gedachte' formuleren. Hier komt-ie: al eeuwenlang zijn we met z'n allen om de essentie heen aan het praten, als katjes om de hete brij, bang om hun tong te verbranden. Het is ofwel dàt ofwel eeuwige stilte en eeuwige stilte heeft dit gemeen met de essentie dat ze knap ondraaglijk is. En ik weet dat ik ook rondjes zal blijven draaien tot ik erbij neerval, maar ik zal mezelf tenminste niet voor de gek gehouden hebben. Het is maar dat u het weet.
Vooruit: nog één rondje, om het af te leren.
X
De ochtend na het debacle met Karolin, Het Oostenrijkse Wicht, kreeg ik een telegram uit Kopenhagen. Er stond alleen een telefoonnummer in, meer niet.
'Hoe gaat het ermee?' vroeg hij toen ik hem na de nodige verwarring en via een paar tussenstations aan de lijn kreeg.
'Klote Tom. Klote. Heel erg klote.' Iemand had een gat in de getraliede deur van de trappenhal dichtgestopt met een plastic zak. Bij elke windvlaag maakte die een fluitend geluid dat door merg en been ging. Misschien kwam het door mijn kater. Of omdat het voor één keer zo stil was. Misschien lag het gewoon aan mij. 'Ben je in Kopenhagen?' vroeg ik toen het stil bleef. 'Ik heb je gezegd dat Parijs overschat wordt.'
'Ik ben nooit in Parijs geweest. Zeg nou nog 's dat ik nooit naar je luister.'
Opnieuw stilte. Voor de deur stopte een ambulance. Het blauwe zwaailicht flitste over de vaalgrijze muren van de hal en de schreeuwerige graffiti waarmee die waren volgeklad. Die had ik nooit eerder opgemerkt. Nu nog muziek om die sirene te overstemmen, dacht ik, en er kan hier beneden een grandioze fuif georganiseerd worden. Terwijl ik dat dacht, werd het plots heel stil: iemand had de sirene abrupt het zwijgen opgelegd. Ik begon me al af te vragen of ik de deur moest opendoen toen iemand haastig de trap kwam afgelopen. Het was het burgertrutje. Ze had een bruiner kleurtje gekregen intussen. Lichtstrontbruin.
'Sixth floor,' zei ze tegen de twee verplegers die binnenkwamen met een draagberrie op wieltjes. Haar stem klonk gejaagd hysterisch. 'I'm her niece,' zei ze terwijl ze nerveus achter hen aandrentelde. Alsof die verplegers daar een boodschap aan hadden. Ze zei nog heel wat meer waar niemand een boodschap aan had, maar dat verstond ik al niet meer.
'Wat gebeurt daar?' vroeg Tom.
'Niets,' zei ik. 'Waarom moest ik je opbellen, Tom?'
'Ik wou me verontschuldigen omdat ik je laten stikken heb met de huur. Ik had het geld nodig voor m'n ticket, begrijp je? Ik zal het je terugbetalen natuurlijk.'
'Waarom zei je niet dat je geld nodig had om naar Parijs te gaan, of Kopenhagen, of waar dan ook. Ik zou het je gegeven hebben.'
'Ja, misschien wel. Het spijt me, oké? Het is nooit mijn bedoeling geweest om je te bestelen.'
'Ego te absolvo, Tom. Weet je, ik heb je vriendinnetje gisteren ontmoet.'
'Wie?'
'Karolin. The Austrian bitch.'
Hij grinnikte. 'Heb je haar het ziekenhuis ingeslagen?'
'Nee, waarom zou ik?'
'Wie wordt er nu sentimenteel?'
'Ze komt vanzelf wel onder de groene zoden terecht. Meer dan een kwestie van tijd is dat niet. Soms put een mens daar troost uit, vind je niet? Heel soms?' Stilte nummer drie, de langste. Elke keer als het zwaailicht over mij heen gleed, tikte er een seconde weg. Tien, twintig keer. Op de achtergrond waren stemmen te horen.
'Wie is dat?' vroeg ik.
'Niemand. Vrienden.' Hij schraapte zijn keel. 'Zeg, hoe gaat het met je ouders?'
'Ach, Tom, stuur me gewoon dat geld op! En bel volgende keer op je eigen kosten!' Ik hing op.
Op weg naar boven moest ik uit de weg gaan voor de verplegers die hun draagberrie de smalle trap afdroegen. Aan de draagberrie was een grote witte zak vastgebonden. Ik kon m'n ogen niet van die akelig grote ritssluiting houden toen ze mij met de nodige moeite passeerden. 'Thanks, love,' zei een van de verplegers met een knipoog. Tussen z'n gehijg door probeerde hij een mop te vertellen aan zijn collega. Het was er een over een bordeel in Seattle. Ik bleef op de trap staan luisteren om de pointe te horen, maar ze waren de deur al uit voor hij zijn grap helemaal had verteld. Suzy was nog altijd kerels aan het pijpen met haar handen achter haar hoofd. Ik zou nooit weten waarom.
Ik besefte het pas later, twee dagen later om precies te zijn, nu net nog geen week geleden. Die middag was ik voor wat zo ongeveer de honderdste keer moest zijn opnieuw aan m'n roman begonnen en ik was weer eens m'n hoofd aan het breken over een komma meer of minder toen ik plots merkte hoe stil het wel was. Ook op de gang kon ik niets horen: geen slaande deuren, geen krakende radiootjes, geen echtelijke twisten en geen gehoest van Mrs Upstairs. Ik had het al weken niet meer gehoord, besefte ik, en ik zou het ook nooit meer horen: Mrs Upstairs, ergens-in-december 1996. Een uur lang dompelde ik mij onder in diepe rouw, de tijd nodig voor een wandeling tot aan North Circular Road en terug. Dat was langer dan ik ooit oprecht had gerouwd.
|
|