


|  |
Nachttrein
Luc Hanegreefs
Het station was een kathedraal. God scheen met zijn zaklantaarn door de gaten in het dak. Stof kronkelde in de stralen omhoog. Reizigers vertrappelden de lichtvlekken op de perrons. Koffers. Aktentassen.
Hassan kneep zijn ogen dicht tegen het felle licht. Hij geeuwde en rekte zich lui uit. Kreunde. De voorbije nacht knaagde aan zijn lichaam. Nu eens deed het pijn in zijn armen, dan weer in zijn heupen. De rechterkant van zijn gezicht voelde ruw aan.
Hij stak zijn arm uit en greep de fles.
'Geef terug!' protesteerde Speed, maar hij deed geen moeite om ze af te pakken.
Hassan schroefde de dop van de fles en nam een lange teug voor hij ze weer aan Speed gaf. Mariachi Tequila.
'Original Blanco,' las Speed op het etiket. 'Wat bedoelen ze daarmee?'
'Het interesseert me geen barst wat ze daarmee bedoelen,' zei Hassan. 'Als het niet naar je zin is, ga dan naar die winkel en pik verdomme zelf een fles.'
'Hou je kalm,' zei Speed. 'Ik wil niet uit het station gegooid worden.'
Een jonge vrouw kwam naast hen op de bank zitten. Ze trok haar rok omlaag over haar knieën en haalde een boek uit haar handtas. Hassan begon over haar schouder mee te lezen. Toen de vrouw opkeek, liet hij zijn tong snel in en uit z'n mond glijden. Speeksel drupte langs zijn kin omlaag. De vrouw graaide haar handtas en haar boek bij elkaar en ging ergens anders zitten.
Een oude man die verderop zat, hield hen in de gaten.
'Die vent bekijkt ons alsof hij stront ruikt,' zei Hassan.
'Hé, ouwe zak! Je kijkt alsof je stront ruikt,' riep hij.
De man keek omlaag en deed alsof hij iets in zijn zak zocht.
'Ik haat oude ventjes,' zei Hassan luid. 'Ze zijn vies en ze stinken, en ze bemoeien zich altijd met andermans zaken. Ga weg, godverdomme!'
Hij schopte naar een duif die naar zijn voet pikte.
'Hou je gedeisd,' siste Speed. 'De stationschef heeft ons in de gaten.'
'Kammeverdommenieschelen,' bromde Hassan.
Hij rukte de fles uit de handen van Speed en nam een lange teug.
'Waarom zit er geen worm in?' vroeg hij.
'Wormen zitten in mescal. Dit is tequila.'
'Wat is het verschil?'
'Als je zo'n worm opeet, krijg je visioenen.'
Hassan liet de fles zakken. Hij keek Speed verbaasd aan.
'Visioenen? Welke visioenen?'
'Weet ik veel.'
Hassan floot.
'Ik wil een visioen hebben,' zei hij. 'Ik wil God zien.'
'Hé, jij! Ja, jij!' riep hij naar de oude man. 'Hoor je dat? Ik wil God zien!'
Speed geeuwde.
'Je werkt op mijn zenuwen,' zei hij. 'Je bent veel te zenuwachtig. Als je bang bent, ga dan naar huis.'
'Ik ben niet zenuwachtig,' antwoordde Hassan verontwaardigd. 'En ik ben niet bang!'
Hij loog. Met elke trein die het station binnenreed, was zijn ongerustheid toegenomen. Hij had een paar keer op het punt gestaan van op te stappen, maar hij was telkens blijven zitten. Hij wist zelf niet goed waarom. Het had iets met Speed te maken. Vreemde kerel, Speed. Een pak ouder dan hij, zeker een eind in de dertig, misschien al wel veertig. Een oude zak. Maar op sommige momenten keek hij om zich heen als een klein kind dat zijn ouders kwijt is en niet weet in welke richting het eerst moet hollen. Hassan had een vaag gevoel dat hij hem kon helpen, maar hij had er geen idee van hoe.
Toen hij de fles tequila gejat had, ging het beter. Elke slok spoelde een stuk van zijn ongerustheid weg. Toen hij niet bang meer was, werden zijn knieën loom, en even later de rest van zijn benen en z'n voeten. Hij wilde nooit meer bewegen. Zijn ogen sluiten en voor altijd blijven zitten.
'Iedereen is bang, de eerste keer,' zei Speed. 'Wie zegt dat hij niet bang is, liegt.'
De zon was helemaal onder. De lichtvlekken op het perron waren hen voorbijgeschoven en achter hen verdwenen, tussen de snoepkraam en de reclameborden. Er zaten bijna geen reizigers meer op de banken. De duiven waren verdwenen.
Nadat hij met zijn tong de laatste druppel uit de hals van de fles had gelikt, was Hassan in de toiletten gaan overgeven. Daarna was hij languit op de bank in slaap gevallen.
'Shit. Ik heb barstende hoofdpijn,' kreunde hij toen hij een uur later moeizaam rechtop ging zitten.
Hij wreef met zijn vuisten in zijn ogen.
'Da's je eigen schuld,' zei Speed. 'Je had maar niet zoveel moeten drinken.'
'Duurt het zo lang?' vroeg Hassan. 'Ik verveel me dood.'
'Tot het helemaal donker is.'
'Maar dat duurt nog minstens een uur!'
'Als je wil meegaan, moet je geduld hebben.'
Een trein kwam het station binnengereden. Duwde de koele avondlucht voor zich uit, de stationshal in. De passagiers spoedden zich voorbij de bank. Hassan keek hen na. Ze daalden snel de trap af, naar de uitgang toe.
'Denk je dat ze ons zal opwachten?' vroeg hij.
'Tuurlijk.'
'Zeker?'
'Ze heeft het beloofd.'
'Geloof jij alles wat ze je beloven?!'
Speed haalde zijn schouders op.
'Ik niet,' zei Hassan. 'Ik doe ook niet altijd wat ik beloof.'
'Je moet wat meer vertrouwen hebben in mensen,' zei Speed.
De trein die als laatste het station was binnengereden, bleef een hele tijd staan. De lichten waren gedoofd, maar de dieselmotor bleef draaien.
'Hoe zou zo'n visioen eruitzien?' vroeg Hassan.
'Hoe kan ik dat weten?!'
'Heb jij dan nog nooit een visioen gehad?'
'Nee, ik heb nog nooit een visioen gehad!'
'Kom nou!'
'Fuck off!'
'Ach, natuurlijk niet,' zei Hassan. 'Alleen heiligen krijgen visioenen. En mensen die wormen eten.'
Speed staarde in de verte. Deed alsof hij hem niet gehoord had.
Na een tijdje keek hij op zijn horloge.
'Het is tijd om te vertrekken,' zei hij. 'Dit is je laatste kans.'
Hassan zweeg. Hij schudde zijn hoofd. Koppig.
De tequila was uit zijn hoofd verdwenen. Alleen de smaak van het overgeefsel kleefde nog aan zijn tanden. Hij zette z'n voeten naast elkaar op de grond en stond op. Zijn benen konden hem amper dragen. De deur van de toiletten waar hij was gaan kotsen, zwaaide van links naar rechts. Hij klemde zijn tanden op elkaar. Hij liep als een robot, met lange stijve benen, maar het ging beter dan hij verwacht had.
'Wat doen we als we aangekomen zijn?' vroeg hij.
'Geen idee,' antwoordde Speed. 'We blijven een paar dagen bij Marie tot we haar beu zijn. Of zij ons. Daarna zien we wel weer.'
'Jij bent wel echt een zwerver, hé?'
'Ik doe m'n best,' zei Speed.
Ze wandelden het lange perron af, langs de wagons die nog altijd met open deuren stonden te wachten. Er waren maar enkele reizigers opgestapt. Ze zaten te lezen, of ze hadden zich in een hoek tegen het raam genesteld, klaar om in slaap te dommelen.
'Wat een klotemanier om te reizen,' zei Speed.
Hassan was gestopt om naar een koppeltje te gluren dat in de trein zat te vrijen. Het was halfdonker op het perron en het leek wel alsof hij naar een film stond te kijken.
'Waarom blijf je staan?' riep Speed. 'Binnen een paar minuten vertrekt de trein.'
De glazen stationshal was aan één kant helemaal open. De geluiden van de stad probeerden naar binnen te sluipen. Onderaan de spoorwegberm daverde een tram voorbij. Het getoeter van een auto. Iemand gilde. Hassan voelde zijn hoofd een beetje helderder worden, maar achter zijn rechterslaap zeurde een doffe pijn. Zijn lippen kleefden op elkaar. Hij zoog de koele lucht naar binnen om zijn dorst te lessen.
'Hoe lang nog?'
Speed deed zijn mond open maar de trein antwoordde in zijn plaats. De locomotief zette zich in beweging.
'Let goed op wat ik doe!' zei Speed. 'Je krijgt maar één kans.'
De ramen gleden hen steeds sneller voorbij. Niemand kon hen zien. De wielen ratelden over de sporen. Ze moesten zich schrap zetten om te beletten dat ze door de trein werden meegezogen. Hassan telde de wagons af.
'Rennen!' riep Speed toen de voorlaatste wagon in aantocht was.
Hassan probeerde hem te volgen. Zijn benen waren nog altijd stram, maar de wagons die langs hem heen gleden, stuwden hem vooruit. Het perron was alleen nog een smalle strook vol kiezelstenen. Dikke keien waartussen hij zijn voeten dreigde te verzwikken. Stukken spoorwegmateriaal doken op in de lichtflitsen van de vensters. Hij moest springen om ze te ontwijken.
Iemand stak met een lans diep in zijn zijde.
'Sneller!' riep Speed.
'Ik kan niet,' hijgde Hassan.
Hij probeerde de pijn te verbijten.
Toen het einde van de voorlaatste wagon naast hen kwam, sprong Speed. Hij greep zich vast aan een dikke kabel die de twee wagons met elkaar verbond, en hees zich omhoog tot zijn voeten steun vonden op een buffer.
'Haast je!'
Hassan vloekte. Speed had makkelijk praten. De trein reed steeds sneller en het perron werd met elke stap rommeliger. De buffers waren zeker al twee meter van hem vandaan.
'Shit!'
'Zwakkeling!' riep Speed.
Toen het licht van het laatste raam op hem viel, besefte Hassan dat Speed helemaal niet wilde dat hij meeging. Speed wilde Marie voor zich alleen. Dààrom had hij hem bijna de hele fles tequila laten leegdrinken. Om hem moe te maken, zodat hij het niet zou halen. De smeerlap!
Hij twijfelde. Misschien moest hij Speed en de trein gewoon laten gaan. Weg uit zijn leven. Tenslotte had Speed hem nooit gevraagd om mee te gaan. Hij had zichzelf aan Speed vastgeklonken toen die hem de vorige avond had aangesproken in de metro. Speed wist wel een plaats om te slapen, zei hij. Niet erg comfortabel, maar een plekje waar het rustiger en veiliger was dan op de bank in de tochtige metrogang. Hassan was hem gevolgd. Speed was zelfverzekerd als een doorgewinterde zwerver. Hij was hem voorgegaan door verschillende deuren die er allemaal gesloten uitzagen, maar hij legde zijn hand op de klink met de zekerheid dat ze voor hem zouden opengaan.
Ze waren niet de enigen die een slaapplaats zochten tussen de buizen en de leidingen. Sommige mannen sliepen op oude matrassen, maar de meesten lagen op kartonnen dozen of krantenpapier. In een hoek lekte een buis. Het stonk er naar urine en verschaald bier.
'Ze weten dat we hier zijn,' zei Speed. 'Maar ze laten ons met rust. We houden de ratten weg. Eigenlijk zouden ze ons ervoor moeten betalen.'
Hassan had geen karton. Hij ging op de betonnen vloer liggen. Die voelde warmer aan dan hij verwacht had.
Speed kon niet zwijgen over een meisje dat hij die dag in het station ontmoet had. Ze heette Marie. 'Ik kom je achterna,' had Speed gezegd toen ze op de trein stapte. 'Je doet maar,' had ze geantwoord, en meer aanmoediging had Speed niet nodig. 'Morgen kom ik!' had hij geroepen toen ze haar gezicht tegen de smalle gleuf boven het raam van de wagon had gedrukt en een kus naar hem had geblazen. Ze had iets teruggeroepen. Op dat ogenblik vertrok de trein. Speed had haar niet goed kunnen verstaan, maar hij was er zeker van dat ze 'ik zal op je wachten!' had geroepen.
Hassan lachte. Smalend.
'Dat heb je zeker verkeerd verstaan.'
'Niks van!'
Hassan begreep niet hoe Speed zo naïef kon zijn. Hij zou de hele reis voor niets maken. In een leeg station aankomen in een onbekende stad. Er zou niemand op hem staan te wachten. Maar hij was te moe om Speed aan het twijfelen te brengen. Zijn ogen vielen bijna dicht. Alleen de stem van Speed in de verte en het gerochel en gesnurk van de anderen hielden hem wakker.
'Ik ben er zeker van dat ze mij morgen zal opwachten,' besloot Speed.
De trein vertraagde. De wagon schokte enkele keren en Hassan perste de laatste kracht uit zijn benen tot hij de bumpers naast zich zag opdoemen. Speed stak zijn hand uit. Hassan negeerde hem. Hij probeerde de tequila te vergeten. De steek in zijn zijde. Hij sprong. De dikke kabel was zacht en glad in zijn handen.
Op dat ogenblik begon de trein met een schok sneller te rijden. Hassan klauwde zijn vingers in de kabel. Hij had geen tijd meer om steun te zoeken voor zijn voeten. Hij voelde hoe zijn lichaam werd meegezogen in de luchtstroom. Steeds hoger, tot hij langs de trein wapperde als een vlag. Zijn armen werden bijna uit zijn schouders gerukt. Zijn voeten sloegen tegen de wand van de wagon.
Zijn schoenen! Shit! Zijn schoenen!
De gedachte dat hij zijn schoenen zou verliezen en dat hij de hele verdere reis met blote voeten zou moeten maken, dreigde hem te verlammen. Hij raakte in paniek. Hij haalde diep adem. Probeerde zichzelf ervan te overtuigen dat zijn schoenen stevig vastzaten en dat hij ze nooit zou verliezen.
Toen de trein opnieuw even vaart minderde, zakte Hassans lichaam omlaag. Zijn voeten vonden de buffer. Hij drukte zich dicht tegen de wagon aan. Zijn hart bonsde in zijn keel. Sneller dan de wielen op de rails. Hij voelde hoe zijn rug tegen die van Speed drukte. Er was maar net plaats genoeg voor hen beiden tussen de twee wagons.
Pas toen hij een beetje op adem gekomen was, keek hij om.
Speed grijnsde.
'Je wilde God toch zien?!'
De nacht gleed voorbij als water. Hassan hield zijn beide handen rond de kabel geklemd. Nu en dan dreigde hij in slaap te dommelen, maar voor hij helemaal wegzonk, besefte hij telkens met een schok dat hij wakker moest blijven.
Vlak voor hem was een raam in de wagon. Daarachter was alles donker. Als hij het te kwaad kreeg, drukte Hassan zijn gezicht tegen het glas. Soms flitsten lampen voorbij en moest hij zijn ogen sluiten tegen het felle licht. Daarna moest hij al zijn wilskracht verzamelen om zijn oogleden weer uit elkaar te scheuren.
De vouwbalg tussen de twee wagons kreunde. Als hij zich er dicht genoeg tegenaan drukte, bleef hij uit het bereik van de wind en van de lichten van de wagens die voor de spoorwegovergangen stonden te wachten. Maar de buffer hing vol olie en hij moest oppassen dat zijn voeten niet weggleden.
Toen Hassan voorzichtig met zijn hand op de zere plek in zijn zijde tastte, voelde hij dat zijn hemd nat was. Hij hield zijn hand voor zijn gezicht, maar pas toen de trein voorbij enkele straatlantaarns reed, kon hij zien dat er bloed aan zijn vingers kleefde.
'Weet je wat een hobo is?' vroeg Speed.
Hassan schrok wakker. Hij had het gevoel dat hij nog maar net in slaap gevallen was, maar door een rooster in het plafond sijpelde licht naar binnen. Zijn hele lichaam deed pijn. Zijn wang voelde helemaal ruw aan van de betonnen vloer. De kelder was zo goed als leeg. In een hoek knoopte een man zijn gulp dicht.
'Huh? Wat zei je?'
'Weet jij wat een hobo is?' herhaalde Speed.
Hassan schudde slaperig z'n hoofd.
'Verdomme, hoe laat is het? Ik heb het gevoel dat ik nog maar pas slaap. Nee. Ik weet het niet. Een soort muziekinstrument of zoiets.'
Hij gaapte. Het eerste wat hij voelde, was honger.
'Een hobo is een zwerver,' zei Speed. 'In de United States of America. Hobo's reizen met de treinen mee. Ze kruipen er stiekem bovenop en zo rijden ze van de ene kant van het land naar de andere. Zonder dat ze ervoor betalen.'
Hij deed geen moeite om de bewondering in zijn stem te verbergen.
'Als ze boven op een trein zitten, vliegen ze eraf,' mompelde Hassan terwijl hij met een vinger in zijn ooghoeken peuterde.
'Dan kruipen ze in een wagon,' zei Speed.
'Daar vindt de conducteur hen.'
'Dan kruipen ze godverdomme in een goederenwagon!' vloekte Speed. 'Wat ben jij een betweter, zeg!'
De hele voormiddag zwierven ze door de stad. Ze stalen een paar croissants en aten ze op terwijl ze op een bank langs de rivier naar de schepen keken. Speed liet het laatste stuk uit zijn handen vallen. Hij raapte het op en stopte het in zijn mond.
'Woody Guthrie was een hobo,' zei hij.
'Wie?'
'Woody Guthrie. Een zanger. Zeg, weet jij dan helemààl niets?'
Hassan zweeg verontwaardigd.
'Mijn vader had een paar platen van 'm. Een beetje ouderwets, maar niet slecht.'
Vlakbij de oever gleed een zeilboot over het water. Hij zag er duur uit.
'Zo had mijn vader er ook één,' zei Speed, terwijl hij met zijn kin in de richting van het jacht wees.
Hij zei het langs zijn neus weg. Helemaal niet opschepperig.
Hassan keek naar de schipper die achter het stuurwiel stond. Een man van een jaar of zestig. Op zijn hoofd droeg hij een pet. Toen de man in hun richting keek, stak Hassan zijn arm op, maar hij beantwoordde de groet niet.
'Cool, zo'n boot,' zei Hassan. 'Als ik er een had, zou ik er de wereld mee rond varen.'
Speed staarde het jacht na. Het voer stroomafwaarts, in de richting van de zee.
'Hoe voelt het als je met zo'n boot vaart?' vroeg Hassan.
'Dat is lang geleden,' antwoordde Speed. 'Ik ben het vergeten.'
'Zoiets vergeet je toch niet?'
'Luister,' zei Speed. 'Het is lang geleden en ik ben het vergeten. Begrepen?!'
Hassan schrok op toen het licht achter het raam plots aanflitste. Het glas was melkwit en hij kon alleen een vage schaduw zien die erachter bewoog. Hij drukte zijn voorhoofd tegen het glas. Even later ging het licht weer uit, maar Hassan bleef met wijd opengesperde ogen in de duisternis staren.
Misschien kwam het door de tequila... Hij had er geen last meer van gehad sinds hij achter de trein gehold was, maar misschien was de alcohol naar zijn hoofd gestegen. Of misschien had Speed zich wel vergist en had het helemaal niets met de worm te maken...
Speed begon te lachen.
'Het toilet!' riep hij. 'Je staat met je neus tegen het toilet. Heb je iets kunnen zien?'
Hassan klemde zich vast aan de kabel. Hij had het plots koud. De lucht die langs de trein raasde, rukte al de hele reis aan zijn kleren, maar het was een warme nacht en zolang hij zich tegen de vouwbalg drukte, was het wel uit te houden. Maar de koude rilling die hij nu voelde, kwam van binnen. Ze vertrok in zijn zijde en drong van daaruit zijn hele lichaam binnen.
'Ja,' mompelde hij. 'Ik heb iets gezien. Maar niet wat je denkt.'
De weg van de rivier naar het station liep door een drukke winkelbuurt. Speed had een zonnebril opgezet en hij slenterde over straat als een toerist. Speed had niet gevraagd of hij wilde meegaan, maar Hassan was hem achterna gelopen en Speed had niet geprotesteerd.
'Wat is er met je vader gebeurd?' vroeg Hassan.
Speed stopte abrupt. Hij schoof de zonnebril op zijn voorhoofd.
'Waarom wil je dat weten?'
'Ik vroeg het me gewoon af.'
'Dat zijn jouw zaken niet,' zei Speed, en hij stapte verder.
Pas toen ze een heel eind verder waren, begon hij te praten. Hij stopte niet. Hassan moest moeite doen om hem bij te houden.
'We hebben ruzie gemaakt en ik ben thuis weggelopen. Dat is alles. Het is al lang geleden, en ik wil er niet meer aan denken.'
'Heb je hem daarna nog gezien?'
'Ik zei godverdomme dat ik er niet meer aan wil denken!'
'Oké,' zei Hassan, maar voor Speed zijn zonnebril van z'n voorhoofd omlaag liet klappen, zag hij de twijfel in zijn ogen. Een kleine jongen op het strand die zijn vader zoekt.
Hassan klemde zijn handen zo stevig mogelijk rond de stekker waarin de kabel in de wagon verdween, maar hij kon niet verhinderen dat het ruwe ijzer zijn handpalmen openschuurde. Hij probeerde de pijn te verbijten.
Speed had zijn broekriem onder zijn armen en achter de kabel geschoven. Met één hand hield hij zich vast aan de vouwbalg. Hij slingerde heen en weer maar hij kon tenminste zijn armen af en toe laten rusten, en als zijn voeten wegschoven, kon hij niet tussen de wielen vallen.
'Vind je 't leuk?' vroeg Speed.
Hassan schudde zijn hoofd.
'Weet je wat?!' riep Speed. De trein reed over een slecht stuk spoorlijn en hij moest moeite doen om zich verstaanbaar te maken boven het gedaver van de wielen. 'Ik ben van gedachte veranderd. Ik denk dat ik bij Marie blijf. Als ze mij staat op te wachten, blijf ik bij haar. Dan stop ik met zwerven!'
'Ze zal er niet zijn!' riep Hassan terug.
Het lawaai dreunde in zijn hoofd.
'Toch wel! Geloof, hoop en liefde. Dat is alles wat je nodig hebt. Geloof, hoop en liefde!'
Hassan kon niet meer. De wonde brandde in zijn zijde en het ijzer beet in zijn handen. Hij drukte zijn voorhoofd tegen het raam en wachtte.
'En jij? Wat ga jij doen?!'
Hassan antwoordde niet.
'Ik zal dit missen!' riep Speed.
Het licht in het toilet begon opnieuw te branden. Hassan sperde zijn ogen wijdopen. Het visioen was helderder dan de vorige keer. Eerst danste een groene vlek voor zijn gezicht, maar daarna kwam het station geleidelijk terug. Het was nacht maar er scheen een fel licht alsof de maan ergens vlak boven de sporen hing. Een trein kwam het station binnengereden. Dan stond hij plots op het perron. De felverlichte ramen van de wagons schoven voorbij tot de voorlaatste wagon vlak voor hem stilhield. Er sprong iemand van tussen de twee wagons te voorschijn. Speed.
Hij was alleen.
Speed zag hem niet. Of deed alsof hij hem niet herkende. Er was niemand om hem te verwelkomen. Hij stapte het perron af, in de richting van de uitgang. Pas toen hij vlakbij de deur was, zag Hassan het meisje. Ze stond midden op het perron. Het verbaasde hem dat hij haar niet eerder gezien had. Ze liep naar Speed. Sloeg haar armen om hem heen. Ze was niet alleen. Er was een man bij haar. Een man met een schipperspet op.
'Hé zeg! Is alles in orde?!' riep Speed achter hem.
Hassan draaide zich om, maar hij kon Speed niet zien. Het visioen wilde niet weggaan. Hij dacht terug aan de dingen die hij tegen zijn vader gezegd had. Er was niets meer dat hij goed kon maken. Geen zeilboot die op hem wachtte.
Speed zwaaide op het perron naar hem als afscheid. Hij sloeg zijn andere arm om de schouders van het meisje en stapte het station uit.
Hassan liet de kabel los. Er was niets anders dat hij kon doen. Nu wist hij tenminste waarom hij met Speed was meegegaan.
Het was al licht toen de ziekenwagen arriveerde. De ambulanciers schoven op hun gemak de draagberrie uit de wagen en ze sloegen een praatje met de politiemannen die op de spoorwegberm stonden te geeuwen. Hun dienst zat er bijna op en er was geen haast bij. De wetsdokter bekeek het lichaam dat naast de sporen lag. Het was geen mooi gezicht, maar het zag er nog vrij goed uit voor iemand die een paar honderd meter door een trein was meegesleurd.
'Wat denk jij ervan?' vroeg hij aan de oudste van de ambulanciers. 'Zelfmoord?'
De man haalde zijn schouders op.
'Lijkt me onwaarschijnlijk,' zei hij. 'Op deze plek? Zo ver van de bewoonde wereld? Nergens een wagen of een fiets. Ik zie niet in waarom hij zo ver zou lopen om zichzelf van kant te maken.'
'Dan was het weer een van die treinsurfers,' besliste de dokter. 'De zoveelste. Ik snap niet waarom ze het doen. Waarom kopen ze geen ticket zoals iedereen?'
'Voor de kick,' zei de tweede ambulancier. 'Ze doen het voor de kick. Mogen we hem opruimen?'
'Ga je gang,' zei de dokter.
De ambulanciers laadden het lichaam van Hassan op de brancard, maar de oudste van de twee aarzelde even.
'Ik weet niet of het u is opgevallen, dokter, maar hij heeft geen schoenen aan.'
De dokter keek naar de twee blote voeten die uit het laken staken. Ze waren opvallend gaaf gebleven, vergeleken met de rest. Alleen boven op de wreef en onderaan de zolen was een gapende wonde. Alsof iemand er een dikke spoorwegbout doorheen gedreven had.
|
|